Waar de rechtschapen ambtenaar een held is

The legacy of Tiananmen. China in disarray. Door James Miles. Uitg. University of Michigan Press. ISBN 0-472-10731-3.

Toen BBC-correspondent James Miles in 1986 in Peking aankwam, werd daar het eerste café van de stad geopend. Neonlichten waren zeldzaam. Het nachtleven bestond uit het bekijken van propagandafilms. De kroeg moest na een paar maanden sluiten bij gebrek aan klanten.

Tegenwoordig is het aantal cafés, luxe-restaurants en karaoke-bars in de Chinese hoofdstad niet meer te tellen. Peking is een wereldstad geworden, ook in zijn prijzen. Na Hongkong en Tokio is het volgens Miles de duurste stad ter wereld.

Miles geeft in zijn boek een beeld van China dat afwijkt van het beeld dat oprijst uit vele andere China-boeken. Hij legt het accent veel meer op de schaduwzijden van de explosieve economische groei dan op de voordelen.

In China krijgt een Dickensiaans kapitalisme gestalte. Tienduizenden mensen worden steenrijk, tientallen miljoenen straatarme gelukszoekers overstromen de steden in de hoop werk te vinden. De misdaad rijst de pan uit. Onderwijs en gezondheidszorg raken in de verdrukking. Ze waren altijd gratis en van relatief goede kwaliteit. Nu worden alleen degenen behandeld die geld neertellen; het personeel steekt dat geld veelal in eigen zak

Zijn centrale boodschap is dat China niet zo stabiel is als het lijkt. De stabiliteit is volgens hem zelfs geringer dan in 1989, toen de onrust zijn climax kreeg in het bloedbad rond het Plein van de Hemelse Vrede. Het bloedbad en de reis die Deng Xiaoping in 1992 maakte naar Zuid-China zijn volgens Miles de twee sleutelgebeurtenissen in China sinds het begin van de economische hervormingen in 1978. Zij hebben doorbraken gebracht in de voortdurende strijd tussen hervormers en conservatieven.

Deng had altijd een zorgvuldig evenwicht weten te bewaren tussen hervormers en conservatieven. Tiananmen verstoorde dat evenwicht. De conservatieven, vaak zijn strengste critici, kwamen voor het eerst sinds lang weer in het centrum van de macht te staan. Dat gaf hen de gelegenheid begin 1990 een ideologische campagne te beginnen tegen particuliere ondernemers. Dat zouden uitbuiters zijn die het niet verdienden lid te mogen worden van de CCP. Dengs economische hervormingen, waarvoor het particuliere initiatief zo belangrijk was, lagen zwaar onder vuur. De positie van de patriarch was niet langer onaantastbaar. Volgens Miles was de politieke strijd zo hevig dat er zelfs een nieuwe Culturele Revolutie dreigde.

Dengs pogingen via de media zijn hervormingen opnieuw populair te maken mislukten. De conservatieven hadden de belangrijkste kranten in hun macht. Hij besloot toen persoonlijk in te grijpen. Deng reisde naar het zuiden, waar de speciale economische zone van Shenzhen aantoonde dat het mogelijk was de economie te liberaliseren zonder dat er politieke chaos ontstond.

Dengs aanwezigheid in het zuiden bleef een tijdlang onopgemerkt. Pas na drie maanden struikelden kranten en televisie over elkaar in hun enthousiasme. De schuifelende 88-jarige patriarch werd vergeleken met een wervelwind. Zijn reis maakte een nieuwe golf van ondernemingslust los die drie jaar lang was onderdrukt door de conservatieven. Voor het eerst zat Deng weer vast in het zadel.

Tegelijk met het vrijgeven van het economisch leven werden de politieke teugels aangehaald. Ondernemers mochten hun gang gaan, dissidenten werden gearresteerd. Deze combinatie leek steeds meer een succesformule voor vooruitgang te worden, aldus Miles. Vóór alles wilde Deng de macht van de partij handhaven.

Met zijn reis naar het zuiden nam Deng “de gevaarlijke gok dat grotere rijkdom de dreiging van hernieuwde onrust zou verminderen”. Hij slaagde er persoonlijk in de economie een enorme stimulans te geven. Door het hele land werd succes geboekt met nieuwe zakelijke initiatieven.

Deng heeft volgens Miles misgegokt. De explosieve groei heeft het tere weefsel van de Chinese maatschappij juist beschadigd en de kans op politieke onrust vergroot. “De snel wijder wordende kloof tussen rijk en arm en tussen stad en platteland; de verspreiding van corruptie, inflatie, werkloosheid en misdaad; de ineenstorting van de systemen voor onderwijs en gezondheidszorg - dat werden allemaal explosieve onderwerpen halverwege de jaren negentig.'

De ondernemingslust had tal van ongewenste bijwerkingen. Vanaf 1992 werd een toenemend aantal gevallen gemeld van geweld van arbeiders tegen managers. Managers die mensen ontsloegen werden in elkaar geslagen en hun families werden bedreigd. Als reactie op het geweld besloot de leiding de slogan 'het kapotmaken van de drie ijzers' niet langer te gebruiken. Daarbij ging het om de ijzeren stoel van levenslange werkgelegenheid, de ijzeren rijstkom van een baan voor iedereen en het ijzeren loon. In Peking had in 1993 naar schatting een derde van alle overheidsfunctionarissen een tweede baan; in Chongqing, de grootste stad van het land, was dat zelfs veertig procent, vaak als consultant of pr-man.

Volgens één schatting dreven tien miljoen ambtenaren eind 1992 een eigen bedrijfje terwijl ze nog voor de staat werkten. Naar de officiële media beweren ontduikt een derde van de staatsbedrijven de belasting, zestig procent van de buitenlandse bedrijven, tachtig procent van de particuliere bedrijven en alle niet-geregistreerde ondernemingen.

Generaal Liang Guoqing, een hoge ambtenaar bij het ministerie van Justitie, gaf in augustus 1993 toe dat corruptie grotere vormen had aangenomen dan ooit eerder tijdens de communistische overheersing. “Corruptie heeft zich verspreid in de partij, de regering, en elk stuk van de maatschappij, inclusief de politiek, de economie, de ideologie en de cultuur.” Een voorbeeld is dat politieagenten bekeuringen geven voor niet begane verkeersovertredingen.

Als reactie op de wijdverbreide corruptie werd Jiao Yulu, een rechtschapen ambtenaar uit de jaren zestig, een cultfiguur in de jaren negentig. Er werd een film over hem gemaakt, postzegels werden gedrukt met zijn beeltenis en zelfs een museum werd aan hem gewijd. Jiao werd het symbool voor de ambtenaar met schone handen.

Een van de belangrijkste instabiele factoren in China is de snel groeiende werkloosheid. Nu al is er een zwervende bevolking van tachtig miljoen mensen, volgens Miles, 150 miljoen volgens anderen. Het arbeidsoverschot op het platteland wordt geschat op veertig miljoen en dat zal toenemen tot 120 miljoen in 2000. De werkloosheid in de steden bedraagt nu 5,5 procent, maar dat zal oplopen als de staatsbedrijven ooit toekomen aan de noodzakelijke hervormingen. Als deze honderden miljoenen 'have-nots' in opstand komen tegen de miljoenen nieuwbakken miljonairs kan dat het hele land in de afgrond storten.

Miles heeft in zijn boek vooral enkele fundamentele problemen van de overgangssituatie willen belichten. “Het zal een enorme politieke behendigheid vergen van de generatie leiders na Deng te voorkomen dat deze problemen het land in de onrust storten die zovelen vrezen.”