Regen, zondag, een park in Osdorp

Het regende zoals het zelden regent en het park was voor een zondagmiddag buitengewoon rustig. De lange donkere tunnels die de voetgangers en fietsers veilig onder de ringweg door leiden, gaven een mistroostige aanblik.

Ik kon de politie een goed signalement geven van de jongen, hijzelf zou waarschijnlijk zijn schouders hebben opgehaald als hem gevraagd was mij te beschrijven. Tijdens het voorval keek hij ongeïnteresseerd naar de grond en wekte de indruk zijn zondagmiddagen liever anders te besteden. Het gebeuren had op geen enkele manier een persoonlijk karakter. Misschien dat dit wel het meest benauwende was van de situatie.

Een tiental jaren eerder was het me ook al eens overkomen. Toen waren het twee junks. In hun ogen las ik wanhoop, ditmaal las ik niets. De enige werkelijkheid die er tussen die jongen en mij bestond, was de punt van zijn stiletto die heel even mijn keel toucheerde. Je bent jong en je wilt wat, je groeit op middenin een spervuur van televisie en housemuziek, je vader was er voor je geboorte al vandoor gegaan met een ander en de bijstandsuitkering van je moeder bracht je niet veel dichter bij die veel te dure sportschoenen.

Zeventien gulden en een oude fiets. De fiets levert nog eens vijfentwintig gulden op als hij hem verkoopt aan een student die vindt dat zijn basisbeurs zo laag is dat hij het volste recht heeft om gestolen fietsen te kopen. Studenten zijn arm, allochtone jongeren zijn kansarm en justitie kampt met een schrijnend personeelsgebrek. En ik...ik had niet via het park moeten gaan als het er zo stil is en ik had zeker niet moeten stoppen toen iemand me iets vroeg in die tunnel.

“Had u uw postcode laten graveren in uw fiets”, vroeg de agent die het proces-verbaal opmaakte. Ik schudde mijn hoofd en haalde diep adem.

“Nee, het spijt me.”