'Meneer... De KARnaaltje!'

De Bosnische Zvonko, ruim een jaar in Nederland, is met zijn dertien jaar de jongste leerling van deze klas, de kleinste ook. Zo, precies zo, merk ik nu, ben ik al eens eerder een stuk begonnen - het is niet de eerste keer dat ik over de jongste, de kleinste leerling van een klas schrijf. Kennelijk vat ik voor garnaaltjes gemakkelijk sympathie op; misschien had ik onderwijzer moeten worden.

Is een leerling jong en klein, en (dus) lief, dan heb ik de neiging die leerling apie te noemen, zo sterk dat ik die neiging niet kan bedwingen. Zvonko, dat mag duidelijk zijn, is een apie, maar hij is in deze klas, met dertien-, veertienjarige leerlingen, de enige niet, integendeel, de klas zit vol apies. Het is dan ook mijn favoriete klas, de klas waarvan ik - gelukkig toeval - niet alleen leraar Nederlands maar ook nog mentor ben.

“Apies, nu even stil graag.”

Dat stuit onveranderlijk op protest.

“Meneer wij zijn geen apen!”

“Dat zeg ik ook niet Rosa.”

Het is een gespeeld protest - 'meneer wij zijn geen apen' - omdat de leerlingen, hoe beperkt ook hun gevoel nog voor het Nederlands, wel aanvoelen dat mijn 'apie' niet denigrerend bedoeld is, wel aanvoelen dat het een koosnaam is, al duurt het even, een paar weken, voor ze in de gaten krijgen dat er verschil is tussen een aap en een apie.

Niettemin: het protest blijft - want de Spaanse Rosa heeft graag mijn aandacht. Ook komt, naarmate de band tussen de klas en mij sterker wordt, en de leerlingen zich vrijer gaan voelen, onafwendbaar het moment dat ikzelf een apie word.

“Hee apie!” Ik loop door de gang - en daar is Rosa die het mij toeslingert. Ik kan het haar moeilijk verbieden - heb er in zekere zin om gevraagd - maar doe dat natuurlijk wel.

“Jij mag de meester geen apie noemen Rosa.”

Rosa werpt, lachend, het hoofd in de nek, en draait een pirouette.

Voor de klas, als ik voor de zoveelste keer begin met: “Even luisteren nu graag apies...” en daar, ook voor de zoveelste keer, Rosa is die voor de vorm protesteert (“Menéér! Wij zíjn geen apen!”), bedenk ik wat nieuws.

“Je hebt gelijk Rosa”, zeg ik rustig, serieus nu, terwijl ik tussen de banken door begin te lopen, “jullie zijn geen apen. Jullie zijn GARnaaltjes!”

Sinds een maand ongeveer ben ik verliefd op dit woord, ik spreek het met graagte uit, en altijd met een belachelijke nadruk op de eerste lettergreep, die ik uitschreeuw.

Van mijn plotselinge schreeuwen - al betreft het dan maar één lettergreep - schrikt de klas op. Ik glimlach alleen maar, en er valt een stilte. Eenieder, weet ik, vraagt zich nu af wat dit, GARnaaltje, nu wel niet kan betekenen.

“Wat is kanaaltje meneer?” vraagt als eerste Jacob uit Ghana.

“GARnaaltje, Jacob, GARnaaltje”, maar meer zeg ik niet.

Een week later is Jacob erachter: “Ik weet wat garnaaltje is meneer”, roept hij al direct bij binnenkomst, “dat is een kleine visje die zwemt in de zee.”

“Heel goed Jacob” - en Jacob glundert.

Weer een week later is GARnaaltje niet meer alleen mijn favoriete woord; het is het favoriete woord - in mijn dictie - van alle leerlingen van deze klas geworden, en iedere paar minuten te horen. De eerste die het overneemt, is de Marokkaanse Ibrahim, vriend en buurman van Zvonko, twee jaar ouder en twee koppen groter. Een zachtmoedige, erg vriendelijke jongen, naast wie de zo verlegen Zvonko zich veilig voelt, naast wie hij nu zijn schroom begint te overwinnen en zich zelfs af en toe durft uit te leven. Ze zitten tegen de muur, aan de raamkant, helemaal vooraan. Om zijn plaats te bereiken moet Ibrahim achter Zvonko langs; veel ruimte is daar niet, want Bahareh en Rajae zitten vlak achter hen. Zvonko hoeft zijn stoel maar iets naar achter te schuiven, of Ibrahim kan er niet meer door. En de Zvonko die zich durft uit te leven, komt tegenwoordig op dergelijke ideeën.

Halverwege de les - ik sta ergens in de klas - klinkt het plotseling: “Meneer... De KARnaaltje!”

Ik kijk om - lachend al - en zie daar Ibrahim staan, wijzend op de kleine, kleine Zvonko, die Ibrahim, terug van het toilet, met zijn stoel de pas afsnijdt.

“Meneer... De KARnaaltje!”

Hoezeer komt Ibrahim mij, met dit grapje, nader. Tot nog toe had ik nog weinig band met hem; voor het eerst voelen Ibrahim en ik elkaar feilloos aan.

Ik lach, ik kan er niets aan doen - en voel tegelijk medelijden met Zvonko, angst ook dat het wel eens uit de hand zou kunnen lopen met het GARnaaltje, dat de kleinsten daar het slachtoffer van gaan worden.

Maar, zo blijkt, daar hoef ik zo bang niet voor te zijn; het GARnaaltje wordt, na Ibrahim, te pas en te onpas door de leerlingen gebruikt, en wordt zo steeds onschadelijker. Vreemd: apie, misschien omdat het die aantrekkelijke dictie niet had, heb ik ze nooit, of maar heel zelden, tegen elkaar horen gebruiken.

Natuurlijk komt ook hier het moment, snel al eigenlijk, dat ikzelf tot een GARnaaltje word, hoezeer ik ook mijn best doe uit te leggen dat je geen GARnaaltje kunt roepen naar mensen die anderhalf keer zo groot zijn als jij, en dat je de meester, in Nederland (zeg ik er gewichtig bij), beslist geen GARnaaltje mag noemen, en zeker je mentor niet.

Alles echter tevergeefs.