Verweerschrift geeft De Miranda laat eerherstel

salAMSTERDAM, 15 APRIL. De vooroorlogse Amsterdamse wethouder van publieke werken en volkshuisvesting voor de SDAP, Salomon Rodrigues (Monne) de Miranda, wordt 55 jaar na zijn overlijden in ere hersteld.

De Miranda werd in 1939 valselijk beschuldigd van corruptie. Hij zou betrokken zijn geweest bij onregelmatigheden bij de uitgifte van grond. Er werd een onderzoekscommissie ingesteld die geen bewijzen kon vinden voor de beschuldiging, maar de politieke loopbaan van De Miranda was ten einde.

De Miranda schreef een verweerschrift Pro Domo dat bij uitgeverij De Arbeiderspers zou verschijnen. Mede door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ging de uitgave echter niet door. Deze week verschijnt de integrale uitgave van Pro Domo, een initiatief van de Vrienden van De Miranda. Burgemeester Patijn overhandigt vrijdag het eerste exemplaar aan de kinderen van de oud-wethouder.

Monne de Miranda werd in 1875 in Amsterdam geboren in een joods arbeidersgezin. Op elf-jarige leeftijd werd hij leerling-diamantwerker. Door zelfstudie wist hij zich op te werken tot onder meer bestuurder van de Algemene Nederlandse Diamantwerkersbond. De auteurs van de geannoteerde uitgave van Pro Domo beschrijven hem als een bevlogen man, maar ook als een pragmaticus die niet veel op had met de ideologische twisten binnen de SDAP. Op 44-jarige leeftijd werd hij in 1919 voor de SDAP in Amsterdam wethouder. Twee jaar later nam hij de portefeuille volkshuisvesting over van zijn partijgenoot Floor Wibaut. De Miranda besloot tot de aanleg van tuindorpen, woningbouwcomplexen in Amsterdam-zuid en -west, en pakte de krotten aan. In 1927 verdween de hoofdstedelijke SDAP in de oppositie en De Miranda liet weinig ogenblikken voorbij gaan om zijn politieke tegenstrevers het leven zuur te maken. Het maken van politieke vrienden paste niet in zijn natuur.

Toen hij in 1935 opnieuw wethouder van volkshuisvesting werd, zwol de kritiek op zijn beleid aan. Zijn opponenten verweten hem woningbouwcorporaties voor te trekken boven particuliere bouwers. Anders dan zijn liberale voorganger wilde De Miranda de woningbouw van gemeentewege sterk stimuleren en de uitgifte van grond in erfpacht opvoeren. Zijn grote opponent in deze jaren was de directeur publieke werken, W.A. de Graaf, die niet gecharmeerd was van het het feit dat De Miranda een grote persoonlijke bemoeienis aan de dag legde bij de uitgifte van bouwgrond.

Terwijl hij bezig was een beleid te voeren waar ook de minvermogenden vruchten van plukten, gonsde het achter zijn rug van geruchten. Hij zou gefraudeerd hebben bij de uitgifte van bouwgronden. Toen op 6 januari 1939 De Telegraaf de beschuldiging publiceerde trof dit De Miranda als een mokerslag. Hoewel de onderzoekscommssie ten aanzien van hem geen onregelmatigheden kon achterhalen, bleek er wel iets aan de hand te zijn. “Twee socialistische raadsleden hadden bij het uitdragen van hun gemeenschapsidealen hun eigen belangen niet verwaarloosd. En, ernstiger nog, zoon Bram de Miranda had inderdaad wel eens geld aangenomen om zijn vader in een bepaalde richting te adviseren, zonder dat overigens in werkelijkheid te doen”, aldus de auteurs van de komende uitgave van Pro Domo.

De Miranda stortte geestelijk in. Toen hij voldoende was hersteld zette hij zich aan het schrijven van zijn verweerschrift. Zijn partij raadde hem echter af het stuk te publiceren. De Miranda stierf in 1942 in het kamp Amersfoort.