Verlaag de pensioenpremies

Nederlandse pensioenfondsen hebben een uitstekend jaar achter de rug. Doorheen genomen behaalden de fondsbeheerders in 1996 een rendement van vijftien procent. Omdat werkgevers en werknemers het afgelopen jaar gemiddeld bijna zeshonderd miljard gulden aan de fondsen hadden toevertrouwd, beliepen de beleggingsopbrengsten circa 85 miljard gulden.

Daarmee zitten de fondsbestuurders op rozen. Zij rekenen met een rendement van vier procent. Doorgaans is de deelnemers een pensioen toegezegd dat is gekoppeld aan hun laatstverdiende loon. Vorig jaar stegen de verdiende lonen met ongeveer drie procent. Een rendement van zeven procent (vier procent 'rekenrente' plus drie procent loonstijging) was dus voldoende geweest om alle bestaande toezeggingen te kunnen honoreren. In werkelijkheid werd een ruim dubbel zo hoog rendement gerealiseerd. Omdat de fondsen niet belastingplichtig zijn, blijft het overschot van ruwweg 45 miljard gulden volledig ter beschikking van werkgevers en werknemers.

Uiteindelijk kunnen de in het fondsbestuur vertegenwoordigde sociale partners aan de onverwacht sterke groei van het fondsvermogen slechts twee bestemmingen geven: premieverlaging, dan wel verbetering van pensioenaanspraken.

Van beide opties verdient premieverlaging sterk de voorkeur. In de meeste gevallen worden de pensioenpremies opgebracht door werkgevers en werknemers, in een verhouding van ongeveer twee op één. Stel dat beide partijen de komende jaren in deze zelfde verhouding zouden profiteren van de premieverlaging met 45 miljard gulden, die in theorie mogelijk is. De loonkosten voor de werkgevers zouden dan dalen met dertig miljard gulden. Werknemers zien hun koopkracht met vijftien miljard gulden stijgen. Dat komt gelegen, want om 'tekorten' in de sociale fondsen aan te zuiveren wil het kabinet de sociale premies in de komende jaren eenmalig met negen miljard opschroeven. De paarse coalitie probeert het koopkrachtverlies dat hierdoor ontstaat in het verkiezingsjaar 1998 te repareren door enkele belastingen te verlagen. Fout: nu onze economie floreert, moet eerst het begrotingstekort zo snel mogelijk naar nul. Lastenverlichting komt daarna. De koopkracht valt inmiddels te repareren met overschotten van de pensioenfondsen.

Lagere loonkosten stimuleren de winsten en de werkgelegenheid. Hogere besteedbare gezinsinkomens doen de particuliere consumptie en dus de afzet van het bedrijfsleven flink stijgen. Dit droomscenario met lagere kosten, extra afzetgroei en een minimaal begrotingstekort kent alleen maar winnaars. Daartoe behoren niet in de laatste plaats de pensioenfondsen zelf, die steeds vaker in aandelen beleggen en die de waarde van hun effectenportefeuille bij extra economische groei zien toenemen. Niemand hoeft inmiddels te vrezen dat voor zijn toekomstig pensioen onvoldoende wordt opgepot. Integendeel, met een enkele uitzondering beschikten de pensioenfondsen ook vóór het superjaar 1996 reeds over aanzienlijke reserves.

In de fondsbesturen zitten hoofdzakelijk mannen die uit werkgeverskring en door de vakbonden zijn afgevaardigd. Zij zijn veelal geneigd overrendementen hoofdzakelijk te bestemmen voor verbetering van pensioenaanspraken. Aan dure wensen geen gebrek. Zo staat de figuur van de traditionele kostwinner in veel pensioenreglementen nog altijd centraal. Bij de berekening van het aanvullend pensioen wordt verondersteld dat de AOW van de man plus die van zijn vrouw later als bodempensioen aanwezig is. Hierdoor krijgen lager betaalden weinig aanvullend pensioen. Telt het huishouden twee verdieners, dan krijgen beide partners de volle AOW als basispensioen toegerekend. Zo worden vooral tweeverdieners met lagere inkomens 'dubbel' gepakt; zij bouwen in verhouding weinig aanvullend pensioen op. Geldt na aanpassing van het pensioenreglement een lagere AOW-bodem, dan zal het pensioenfonds in de toekomst meer aanvullend pensioen uitkeren. Voor de hiermee verband houdende verplichtingen moeten zeer vele miljarden worden gereserveerd.

Voor de fondsbestuurders is dat emotioneel veel bevredigender dan premieverlaging af te kondigen. Zij houden immers zeggenschap over een veel vollere pensioenpot, terwijl de hogere aanspraken van deelnemers de aanwezige overschotten doen verdampen. Fondsbestuurders willen al te opzichtige reserves kwijt, omdat zij vrezen dat de overheid anders haar begerige vingers uitsteekt naar de vleespotten in pensioenland. In de tweede helft van de jaren tachtig deed zich een vergelijkbare situatie voor. Toen is een wetsontwerp ingediend om moddervette pensioenfondsen door middel van een overschotheffing af te slanken. Krachtig verzet van de machtige pensioenlobby en wat zoengeld uit de fondsen voor de financiering van publieke investeringen hebben het gevaar destijds afgewend. Maar die geschiedenis kan zich herhalen. Dit risico valt te keren door overschotten weg te werken via hogere verplichtingen.

In pensioenland zijn de verhoudingen langzamerhand zoek geraakt. Bij de onvoorstelbaar grote bedragen die daar nu omgaan krijgen de voordelen van omvangrijke premieverlagingen, die op zichzelf bezien goed mogelijk zouden zijn, veel te weinig aandacht. Het is daarom hoog tijd dat politici de touwtjes strakker in handen nemen. Verlaging van pensioenpremies verdient een plaats bovenaan de agenda voor het eerstkomende kabinetsoverleg met werkgevers en werknemers.