Nederland wil toenadering tot Zuid-Oost Azië

SINGAPORE, 14 APRIL. Nederland zoekt naar een nieuw beleid in Zuid-Oost Azië. De Nederlandse politiek in 's werelds snelst groeiende regio is al jaren erg éénzijdig gericht op Indonesië, maar heeft nu sterke behoefte aan verbreding. Naast Indonesië moet het vizier de komende jaren worden gericht op de diplomatieke, culturele en economische betrekkingen met de overige lidstaten van de associatie van Zuidoostaziatische landen (ASEAN).

De ambassadeurs die Nederland in Zuid-Oost Azië vertegenwoordigen, buigen zich vandaag en morgen in Jakarta over deze beoogde herijking van het buitenlandbeleid in hun regio. De ambassadeurs mogen, zoals ze het zelf omschrijven, “vrij schieten” op een beleidsstuk uit Den Haag waarin voorstellen worden gedaan voor “een accentverschuiving” in de betrekkingen met ASEAN, dat naast Indonesië bestaat uit Singapore, Maleisië, Thialand, Vietnam, de Filippijnen en Brunei. De associatie wordt naar verwacht deze zomer uitgebreid met Birma, Cambodja en Laos.

De herijking van het beleid in Zuid-Oost Azië, dat onderdeel uitmaakt van de brede herijking die het ministerie van buitenlandse zaken vorig jaar begon, komt op een moment dat Europa en Azië de onderlinge banden proberen aan te trekken. Gesprekken in februari tussen EU- en Asean-landen werden gedomineerd door netelige onderwerpen als de mensenrechtensituatie in Birma en Oost-Timor, waardoor echte vooruitgang uitbleef.

“In principe is alles bespreekbaar in de politieke dialoog die we met de Aziaten voeren. Alleen doet men alles het liefst achter gesloten deuren”, zegt Theo Arnold, ambassadeur van Nederland in Maleisië. “Het is duidelijk dat in dit deel van de wereld stille diplomatie de voorkeur geniet boven verbaal geweld. Het publiekelijk aan de schandpaal nagelen van je gesprekspartner over zaken als schending van de mensenrechten wordt als buitengewoon onheus en onhoffelijk ervaren. En het duurt jaren voordat de spanningen en ruzies die daaruit voortvloeien weer helemaal zijn verdwenen”, aldus de ambassadeur.

Arnold maakte als directeur ontwikkelingssamenwerking Azië op het ministerie van Buitenlandse Zaken begin jaren negentig van zeer nabij mee hoe de open wijze waarop de Nederlandse regering de mensenrechtensituatie in Indonesië aan de orde stelde, tot een verbreking van de ontwikkelingsrelatie leidde en een historisch dieptepunt in de diplomatieke relatie tussen Nederland en Indonesië veroorzaakte.

Als ambassadeur in Kuala Lumpur kreeg Arnold eind vorig jaar zelf te maken met een uiterst gevoelige zaak. In de vroege ochtend van eerste kerstdag vorig jaar hadden vier Indonesische mannen zich op het terrein rond zijn ambassade verschanst. Het was een protestactie om aandacht te krijgen voor hun droom: een onafhankelijk, fundamentalistisch islamitisch Atjeh. De Maleisische politie, die snel ter plaatse was, greep in bij de Amerikaanse, Britse, Franse en Italiaanse ambassades, waar de Atjehers zich eveneens hadden verschanst. De ambassadeurs van deze landen voorzagen lastige diplomatieke botsingen met Maleisië, dat 'grote broer' Indonesië niet voor het hoofd wil stoten door op één of andere manier steun te geven aan de circa 6.000 illegaal in het land verblijvende Atjehers.

Alleen de Zwitserse en de Nederlandse ambassadeur lieten de politie er buiten. Beide beseften dat de Atjehers na hun arrestatie in een detentiekamp zouden worden gezet in afwachting van deportatie naar Indonesië, waar hen als 'landverraders' een lange straf zou wachten. Zwitsers en Nederlanders begonnen in alle stilte aan een lang en gevoelig onderhandelingsproces met de Maleisische autoriteiten en het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) om een veilig heenkomen te verzekeren voor de acht overgebleven Atjehers. De stille diplomatie wierp zijn vruchten af: Maleisië zegde toe dat de Atjehers niet zullen worden gestraft en veilig in Maleisië kunnen blijven.

De Maleisische autoriteiten zijn blij dat deze uiterst beladen kwestie zonder veel publiciteit en openlijke botsingen met Indonesië tot een goed einde is gekomen. En ook de betrokken ambassadeurs zijn tevreden. Zij hebben met hun handelwijze aangetoond dat stille diplomatie in Azië veelal de beste manier is om gevoelige geschillen tussen Oost en West te beslechten. De Atjeh-kwestie zal daarom vandaag en morgen zeker aan bod komen als de Nederlandse ambassadeurs spreken over hun ervaringen in het diplomatieke overleg met de lokale autoriteiten over dergelijke netelige onderwerpen.

Net als voor de Europese Unie draait ook voor Nederland individueel succes in de diplomatieke betrekkingen met de Aziaten om meer begrip voor hun kijk op de wereld. “Het ontbreekt Nederlanders in Azië nog vaak aan inlevingsvermogen. We moeten begripvoller zijn en ons beter realiseren hoe gevoelig bepaalde zaken in dit deel van de wereld liggen.”, meent Theo Arnold.

Betere banden smeden tussen Azië en Europa is overigens geen éénrichtingsverkeer. Ook in Azië groeit het besef dat de kijk op het Westen verandering behoeft. “Wij realiseren ons dat tussen Aziaten en Europeanen een groot politiek, cultureel en intellectueel gat gaapt. Er bestaat onderling nog steeds een enorme hoeveelheid onervarenheid, wantrouwen, vooroordeel, misinterpretatie en misverstand”, zegt de Singaporese professor Tommy Koh. Als voorzitter van de Azië-Europa stichting heeft Koh al een suggestie hoe het gat verkleind kan worden: “We hebben meer kruisbestuiving nodig.”