'Het is alsof je je geld naar Ali Baba brengt'

Gemeenten halen een steeds groter deel van hun inkomsten direct bij hun burgers. Maar er ontstaan grote verschillen in de bedragen die de gemeenten hun inwoners opleggen. Lelystad is de 'duurste' gemeente en Putten de 'goedkoopste'. Waarom betaalt een Lelystedeling zes keer zoveel aan onroerendezaakbelasting als een Puttenaar?

Overal wordt gekankerd op de belastingen, maar in sommige plaatsen meer dan in andere. Wie een willekeurige inwoner van Lelystad, de duurste gemeente van Nederland, erover aanspreekt, kan een tirade verwachten over de hoogte van de lokale lasten. “Ik heb een huurhuisje waar ik duizend gulden onroerendezaakbelasting en afvalstoffenheffing per jaar voor betaal. En wat krijg ik ervoor terug? Niks!”, zegt Harm Sterken, al 25 jaar woonachtig in Lelystad.

“Een heleboel mensen zijn hier al weggetrokken, mede vanwege de hoge belastingen, zegt een andere Lelystedeling, zoals de inwoners van Lelystad zichzelf noemen. Ze betaalt 1.300 gulden per jaar aan onroerendezaakbelasting (OZB) plus afvalstoffenheffing. De tarieven moeten volgens haar ten minste met de helft omlaag. “Ik zou ook wel weg willen, maar mijn kinderen willen hier niet weg.” Het is opvallend hoeveel aangesprokenen zeggen te willen vertrekken uit Lelystad. “Ik ben een Amsterdammer”, zegt een oudere man, die zeventien jaar in Lelystad woont. “Je betaalt je blauw hier”, voegt hij eraan toe.

Maar zelfs in Putten, de goedkoopste gemeente van Nederland, valt gemor te horen over de hoogte van de lokale lasten. “Het is alsof je je geld naar Ali Baba en de veertig rovers brengt”, zegt een caféhouder. De meeste Puttenaren lijken zich er niet bewust van te zijn dat de gemeente zo goedkoop is. “Als je veel betaalt, dan baal je. Maar als je weinig betaalt, dan merk je dat helemaal niet”, meent Puttenaar Henk Jansen. “Je merkt alleen dat je niet veel betaalt op verjaardagen, als familieleden vertellen wat zij in hun gemeente moeten betalen”, zegt Bert Schuit. “Dan zit je wel te gniffelen. Putten is een koopje.”

Het houden van een hond wordt in Putten niet belast, in Lelystad kost het 135 gulden. De afvalstoffenheffing in Putten bedraagt 156 gulden, in Lelystad 422,90 gulden voor eenpersoonshuishoudens en 500,90 gulden voor meerpersoonshuishoudens. Het grootste verschil tussen de twee gemeenten zit echter in de tarieven voor de OZB. Die is in Lelystad zes keer zo hoog als in Putten.

Dat Lelystad de duurste gemeente van Nederland is en Putten de goedkoopste blijkt uit een vergelijking van gemeentelijke tarieven die de Consumentenbond jaarlijks publiceert. De bond gaat bij de berekening uit van een standaardhuishouden: man, vrouw en twee kinderen, die in een huis van 165.000 gulden wonen. Het gezin verbruikt 140 kubieke meter water per jaar en vult 75 vuilniszakken. De Consumentenbond komt uit op een bedrag van 1.684 gulden per jaar aan lokale lasten in Lelystad en 552 gulden in Putten. Hoe valt dit grote verschil te verklaren?

Putten heeft 22.000 inwoners, 138 ambtenaren (126 formatieplaatsen) en een begroting van veertig miljoen gulden. Lelystad telt 60.000 inwoners, 700 ambtenaren (550 formatieplaatsen) en een begroting van 350 miljoen gulden. Lelystad heeft dus bijna drie keer zo veel inwoners, maar ruim vijf keer zoveel ambtenaren als Putten.

Waarnemend wethouder van Financiën en loco-burgemeester A. Mosterd (CDA) legt uit hoe Putten zijn ambtelijk apparaat klein houdt. De gemeente besteedt tijdelijke taken, zoals het op orde brengen van milieuvergunningen of bestemmingsplannen, uit aan de gespecialiseerde bureaus die dat het goedkoopst kunnen. “Zo voorkom je dat een log ambtelijk apparaat ontstaat, dat vooral zichzelf bezighoudt.” Putten heeft ook een aantal keren bedankt voor incidentele stimuleringsuitkeringen van het rijk op het gebied van welzijn en milieu. Mosterd: “Want vervolgens komt er een algemene bezuinigingsronde en dan ben je je extra inkomsten kwijt, maar je personeelskosten gaan door als je daarvoor mensen hebt aangenomen.”

Naast de relatieve omvang van het ambtenarenapparaat, zijn er ook grote verschillen in bevolkingssamenstelling van beide gemeenten. Lelystad telt 3.480 bijstandstrekkers. “Aan de bijzondere bijstand komen we dik te kort”, zegt de wethouder van Financieën en loco-burgemeester van Lelystad, G.M.C. Jonkman (PvdA). Putten telt daaarentegen slechts 152 inwoners in de bijstand. “Puttenaren zijn een nijver volkje”, meent Mosterd. De Puttenaar Jansen: “Laat ze in Lelystad maar een beetje meer betalen, want daar werkt er geen een.” Als gevolg van de onevenwichtige bevolkingssamenstelling komen in Lelystad veel mensen in aanmerking voor kwijtschelding van de plaatselijke belastingen, waardoor het aantal inwoners dat de totale belastingsom moet opbrengen daalt.

J. Westhuis, hoofd van de afdeling financieën van de gemeente Putten, wil zichzelf niet op de borst slaan. “Dat we een van de goedkoopste gemeenten zijn, is mooi. Maar verder hebben we geen blabla, hoor. We proberen gewoon zoveel mogelijk te doen met een gulden.” Volgens Westhuis is de lage lastendruk in zijn gemeente het resultaat van een combinatie van soberheid en efficiency. “Het staat in het programma van het college van B en W dat de lasten voor de burger zo laag mogelijk moeten worden gehouden. Dit is geen loze belofte. Bij alle investeringen proberen we de burger te ontzien. De soberheid van het gemeentebestuur sluit goed aan bij het karakter van de bevolking.”

“Echte luxedingen hebben we nooit gedaan”, vertelt Mosterd. “Als de burger niet om bepaalde voorzieningen vraagt, moet je het ook niet opdringen. Je gaat toch geen groot theater of gloednieuw stadhuis neerzetten, alleen omdat dat het succesverhaal moet worden van een bepaalde wethouder of een bepaalde partij. Dat is toch zielig.” Mosterd onderstreept dat Putten een redelijk niveau van voorzieningen heeft op het gebied van sociale zekerheid, gehandicaptenzorg en sport. Alleen op sociaal-cultureel gebied loopt Putten wat achter. Voor jongeren is er weinig te beleven in Putten.

Een van de financiële mogelijkheden die Putten heeft om de burger te ontzien, is een kapitaalreserve van 13 miljoen gulden. Daarvan wordt jaarlijks acht ton rente getrokken, die de gemeente onder meer inzet om de OZB laag te houden. Lelystad daarentegen heeft geen reserves. “Alle invloeden van buitenaf werken onmiddellijk door in onze begroting”, zegt wethouder Jonkman.

Jonkman verklaart de hoge lastendruk in haar gemeente in de eerste plaats uit het tegenvallende inwonersaantal van Lelystad. In de stad, die begin jaren zestig is ontworpen op de tekentafels van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, haddden 100.000 mensen moeten gaan wonen, voornamelijk afkomstig uit de minder goede woningen van de steden in de Randstad. Het werden er veel minder. Oorzaken daarvan zijn een verandering van het beleid van de rijksoverheid in de jaren tachtig, waarbij randstedelingen niet langer gestimuleerd werden om naar plaatsen als Lelystad te vertrekken, tegenvallende economische groei en de late ontsluiting per weg en spoor van de hoofdstad van de provincie Flevoland. Daarnaast kreeg Lelystad concurrentie van het dichter bij de Randstad gebouwde Almere.

Uiteindelijk vestigden zich slechts 60.000 mensen in Lelystad, die wel de voorzieningen voor een stad van 100.000 inwoners moeten betalen. Op een deel van die voorzieningen, zoals het aantal ambtenaren, de bibliotheken en het agogisch werk is inmiddels flink bezuinigd. Het centrum voor kunstzinnige vorming en verscheidene sportvoorzieningen zijn al geprivatiseerd. Maar van andere voorzieningen, zoals de infrastructuur en de ruime groenvoorziening - Lelystad is qua oppervlakte de grootste gemeente van Nederland - kom je niet zo gemakkelijk af. “We zitten in een te ruime jas”, zegt Jonkman. Het stadhuis is eigenlijk te groot voor het aantal ambtenaren dat er werkt. Een verdieping van het Zuiderzeeziekenhuis staat permanent leeg. Op de leegstaande etage werd jarenlang de ziekenhuisserie Medisch Centrum West opgenomen. Lelystad moet groeien. Jonkman: “Als we 80.000 inwoners hebben, kunnen we deze grote jas beter betalen.”

Lelystad stond de afgelopen tien jaar als artikel 12-gemeente onder curatele van het rijk. Dit jaar is de begroting sluitend, maar in de jaren daarna worden weer oplopende tekorten verwacht. Een verlaging van de belastingtarieven zit er daarom niet in. Jonkman en haar collega-wethouders streven ernaar de lasten op gelijk niveau te houden.

Een andere omstandigheid die het verschil in hoogte van de belastingen kan verklaren, is de mate van betrokkenheid van de burgers bij het wel en wee van Putten en Lelystad. Veel Puttenaren zijn actief als vrijwilliger, voor een belangrijk deel in kerkelijk (protestants) verband. Het zwembad, de bibliotheek en zelfs een begraafplaats worden voor een deel 'gerund' door vrijwilligers. Gemeentelijke subsidies kunnen zo veelal beperkt blijven tot investeringssubsidies en keren niet jaarlijks terug op de begroting. Wethouder Mosterd roemt de sociale samenhang in zijn gemeente. “We kennen elkaar redelijk in deze gemeenschap. De gedachte dat we er niet alleen voor onszelf zijn, spreekt veel Puttenaren aan. Dat is puur bijbels.”

In Lelystad ligt dat anders. Jonkman: “De randstedeling, de bewoner van de grote stad, is consumentistisch en verwacht meer van de overheid. Lelystedelingen komen allemaal uit de stad. Ze staan meer op zichzelf.” De sociale cohesie moet nog groeien in Lelystad, zegt de wethouder. “Het kost veel tijd voordat zo'n nieuwe stad een hechte gemeenschap is. Dat is een natuurlijk groeiproces. De keerzijde van sociale samenhang, zoals in Putten bestaat, is sociale controle. Ik zou me niet zo prettig voelen bij die bemoeizucht.”

Lelystad is bij uitstek het produkt van het ideaal van de maakbare samenleving, zegt Jonkman. “Ik geloof op zich nog steeds in dat sociaal-democatische ideaal. Maar het is veel moeilijker gebleken dan in de jaren zeventig werd gedacht.”

In het gemeentelijke informatieblad Stadsbulletin valt te lezen dat het stadsbestuur heeft gekozen voor een nieuwe 'city-marketing aanpak' met als uitgangspunt: “De stad is van iedereen, gemeenschappelijk eigendom. Niet alle heil kan daarom van de gemeente worden verlangd en verwacht als het gaat om de ontwikkeling van de stad.” Elders wordt bericht over de nieuwe “wijkgerichte” aanpak van buurtproblemen: “Niet langer ligt de verantwoordelijkheid voor de wijk enkel bij de gemeente, woningbouwstichtingen en de politie. Juist het sociale beheer en de vergroting van de bewonersbetrokkenheid zijn de pijlers van de nieuwe vorm van buurtbeheer.” Lelystad neemt, gedwongen door de financiële positie, afscheid van de maakbaarheid.