Het absurde leven van Arnon Grunberg

Arnon Grunberg als ober in een Italiaans restaurant in New York. Dat waren bijzondere beelden in De Plantage, het programma van Hanneke Groenteman waarvoor ze deze keer naar New York was gereisd.

Het Letterkundig Museum doet er goed aan die beelden te bewaren, want vermoedelijk zal Grunberg geen tweede cameraploeg op zijn werkgebied als ober dulden. De aanwezigheid van Groentemans ploeg werkte hem zichtbaar op de zenuwen. Hij maande cameraman Frans Bromet niet verder op te rukken, “want dat is zo vervelend voor de collega's”. “Die vinden het juist oké”, zei Hanneke Groenteman, maar Grunberg moest er niets van hebben. “Er liepen twee werelden door elkaar”, zei hij later, “ik raakte in paniek, en dan word ik afstandelijker.”

Toch waren die 'restaurantscènes' het aardigste gedeelte van dit gefilmde portret. Niet alleen omdat we Grunberg opeens als volleerd ober in de weer zagen, maar vooral door de wijze beschrijving die eigenaresse Paula van hem gaf.

“Hij is een van mijn beste obers”, zei ze. “ Hij verkoopt goed. Hij lijkt zo mager, verlegen en bescheiden, maar je voelt de kracht als hij praat. Hij is als een tijger. Een gevaarlijke? Het deel van de schoonheid zit ook in het gevaarlijke, dat maakt hem interessant.”

Deze week verschijnt Grunbergs nieuwe boek, Figuranten. Vandaar het vererende bezoek van een VPRO-ploeg. Grunberg ondergaat de belangstelling voor zijn persoon met grote nuchterheid. Wat zo opmerkelijk is aan zijn gedrag, is de onthechtheid waarmee hij over zijn schrijverschap praat. Hij wil wel schrijver zijn - hoewel misschien niet eens altijd - maar hij lijkt zich niet blind te staren op een literaire carrière.

Hanneke Groenteman toog met hem naar de paardenraces, waar hij graag wedt. Die hobby heeft hij gemeen met Charles Bukowski, ook zo'n schrijver die zich meer naast dan in het literaire circuit placht op te houden. Daar, tussen die wat morsige, nondescripte mensen, voelt Grunberg zich het meest op zijn gemak. “Het gaat hier om basale dingen”, zei hij, “niet om literaire bullshit. Ik ga wel naar literaire party's, maar dat is voor mij werk.”

Dit alles kan uiteraard gemakkelijk als een pose worden uitgelegd, maar die indruk heb ik bij Grunberg nooit gekregen. Hij praat als het natuurtalent dat een beetje verbaasd is over zijn eigen succes - een houding die je vaker ziet bij zeer getalenteerde, jonge kunstenaars en sporters.

“Het leven is absurd”, zei hij tegen Groenteman. “Het ene moment bedel je om een rolletje in een commercial, een paar jaar later komt een tv-ploeg naar New York om je te interviewen. Je moet er op voorbereid zijn dat de dingen niet voortduren. Ik ben blij dat ik als ober kan overleven.”

Er zit aan Grunberg een bittere, boze kant die voor elke goede interviewer de moeite van het exploreren waard is. Hanneke Groenteman deed haar best, ze noemde Grunberg zelfs 'een redelijk gevaarlijk iemand', maar hij zei er niet veel meer over dan: “Als iemand zijn klauwen naar mij uitslaat, sla ik terug, anders hebben mensen geen respect voor je.”

Hij liet zich niet verder uit zijn tent lokken. Daardoor restte er na afloop toch een gevoel van lichte teleurstelling bij mij. Het was allemaal wel onderhoudend geweest, maar toch ook tamelijk braaf en oppervlakkig. Zo had ik graag wat meer vernomen over zijn afkeer van het literaire wereldje, en over zijn motieven om niet meer naar Nederland terug te keren.

Dit interview miste de diepgang van het interview dat Ad Fransen onlangs met hem in HP/De Tijd had. Daarin zegt Grunberg belangrijke dingen over de rol van zijn moeder in zijn leven én in Blauwe maandagen, zijn debuutroman. Misschien heeft Grunberg zijn openhartigheid naderhand betreurd. Het kan een nadeel zijn om iemand kort na een goed interview opnieuw te moeten interviewen.