Butoh-dans vol van hulpeloze twijfel

Gezelschap: Sankai Juku, produktie: Shijima, choreografie en regie: Ushio Amagatsu, muziek: Yas-Kaz/Yoichiro Yoshikawa, licht: Genta Iwamura. Gezien: 13 april, Het Muziektheater, Amsterdam. Daar nog te zien 14 en 16 april.

Voor de vierde maal sinds 1983 is in het Muziektheater het in Frankrijk gevestigde Butoh-dans gezelschap Sankai Juku van de Japanse danser/choreograaf Ushio Amagatsu te gast. Niet met een recente produktie maar met het 80 minuten durende, 9 jaar oude Shijima. Voor het woord Shijima heeft de Nederlandse taal een hele zin nodig: de duisternis komt tot rust in de ruimte. Na de produktie Unetsu waarin water een belangrijke rol speelde, koos Amagastu voor zijn daaropvolgende creatie zand als theatraal middel om zijn ideeën te verwezenlijken, met als centraal gegeven de afdruk, die een vallend, verstijfd lichaam in een dikke laag vochtig zand maakt. Het toneelbeeld bestaat dan ook uit een hoge achterwand en twee massief ogende zijstukken, opgebouwd uit levensgrote zandsteen-reliëfs van een mannenrug. Het bouwsel roept de suggestie op van een door zon en wind verweerd monumentaal tempelcomplex, waar zich mysteriën en rituelen voltrekken. Een schitterend beeld, waarin een uitgekiende belichting voor een fascinerend schaduwspel zorgt.

Hoog in het midden van de achterwand staat een man, met, zoals altijd in de Butoh-dans, een kaalgeschoren hoofd en van top tot teen kalk-achtig wit geschminkt. Soms lijkt hij volledig in de wand op te gaan tot langzame, verkrampte hand-, hoofd- en armbewegingen die illusie verbreken. Aan zijn voeten, op de van kleine zandheuveltjes voorziene vloer, vier ineengerolde figuren, eveneens wit, kaal en broodmager. Die figuren zullen steeds de delen tussen de solo's van de muur-figuur (Amagatsu zelf) vullen. Eerst zijn het in dunne witte gewaden dolenden in een kale woestijn waar zand opstuift en neerdaalt, hun gekromde armen uitstrekkend, de monden soms opengesperd in een geluidloze kreet.

In een volgende scène worden de handen tot open en dicht vouwende bloemkelken, zich rekkend en buigend naar het licht. Daarna glijden, rennen en wervelen de mannen, nu gekleed in lange wijde witte rokken met een grote hoepel in de zoom, als in trance door de ruimte. Dan weer zijn het priesters verzonken in meditatie of plichtsgetrouw hun handelingen uitvoerend om ten slotte in het laatste deel als gekruisigden in de lucht gehesen te worden, een smalle lendedoek om de heupen.

De solo's van Amagatsu bestaan uit vertraagde, zich steeds herhalende gekwelde bewegingen vol hulpeloze twijfel met een enkele maal een korte driftige uitval. De constructie van Shijima is in opzet dezelfde als van Amagatsu's vorige werken.

Ook het nauwelijks variërend of verrassend bewegingsmateriaal lijkt identiek. Het ziet er allemaal prachtig uit, mooie beelden, fraai belicht en de voortkabbelende, new-age-achtige muziek doorregen met geluiden van een zacht suizende, hete woestijnwind, past zeker bij de gestileerde, kleine bewegingen van de tot het uiterst geconcentreerde dansers. Op mij kwam het geheel echter te gepolijst, te geroutineerd over om een onontkoombare zeggingskracht te hebben en de zo theatrale manier van bedanken voor applaus, met al die tergend langzame gebaren benadrukte die indruk nog eens extra.