Referenda zijn net als kijkcijfers

In 1961 begon de VARA met luister- en kijkonderzoek. Met een beroep op democratische beginselen werd de leden gevraagd welke VARA-programma's zij hadden beluisterd of gezien en wat hun waardering daarvoor was. Ook toen al waren de cijfers voor een lezing van dr. Drees lager dan die voor het radioprogramma 'Tijd voor Teenagers'.

Vanaf 1965 wordt dit onderzoek namens de gezamenlijke omroepen uitgevoerd. Dit alles onder grote druk van onder meer Radio Veronica.

Ook de politiek voelt zich bedreigd doordat mensen haar de rug toekeren. Zij zoekt naar manieren om de betrokkenheid met kiezers te vergroten. Sommigen zien het referendum als panacee. Het referendum meet, net als kijk- en luistercijfers, de preferenties van kiezers (publiek). De overeenkomsten van het referendum en het oorspronkelijke luister- en kijkonderzoek van de VARA zijn frappant. Wanneer het gebruik van referenda zich parallel ontwikkelt aan dat van het luister- en kijkonderzoek, dan is het referendum echter géén wenselijk politiek instrument.

Kijk- en luisteronderzoek is tegenwoordig verdacht. Te veel vertrouwen in deze cijfers, zo is de gedachte, bevordert de commercialisering van de media en de vervlakking in de maatschappij. Wanneer de cijfers het enige criterium worden om te bepalen of een programma waardevol is, wordt de grootste gemene deler het doel. Slaan we echter geen acht op de cijfers, dan zegeviert de smaak van de elite die bepaalt wat kwaliteit is en haar smaak oplegt aan het publiek.

Het is door de technologische ontwikkeling nu mogelijk per minuut na te gaan hoeveel kijkers hebben ingeschakeld op een televisieprogramma. Tevens is het mogelijk te achterhalen wat hun gemiddelde demografische en sociaal-economische kenmerken zijn. Reclameboodschappen kunnen zo doelgerichter worden uitgezonden. In enkele decennia kreeg de geïnstitutionaliseerde vorm die aan democratische waarden werd gegeven een lading die daarmee in strijd lijkt. Het primaat is verschoven van programma's naar de korte termijnwensen van het publiek; van het ene uiterste naar het andere.

Ook de landspolitiek ontwikkelt zich in deze richting. Het referendum wordt voorgesteld als dé geïnstitutionaliseerde vorm voor democratische waarden. Nederlanders kunnen zo immers op ieder gewenst moment aangeven wat zij prefereren. Bij toenemende technologische mogelijkheden zal dit in de toekomst echter in extremis mogelijk zijn. Zodra de technische mogelijkheden worden gebruikt, komt een eigen dynamiek op gang die uitmondt in instant democracy.

Mensen zullen zich bij frequente referenda door kortetermijnoverwegingen laten leiden. Politiek voor de lange termijn ontwikkelen wordt onmogelijk. Het resultaat is 'Veronica-democratie': een democratie die wordt gestuurd door de directe, veelal materiële verlangens van kiezers. Het politieke proces wordt er een van de muddling through, zoals bij de omroepen. Oplossingen voor problemen die op langere termijn spelen, worden slechts bij toeval aangenomen. Wederzijds vertrouwen tussen politici en kiezers verdwijnt. Referenda als institutionele vorm van democratische waarden passen niet. Een referendum stimuleert dat politici beleid voeren dat kiezers direct aanstaat.

Een politicus moet kunnen waarmaken dat hij het vertrouwen dat in hem is gesteld heeft verdiend. In een Veronica-democratie is er geen sprake van wederzijds vertrouwen tussen politicus en kiezers.