Deja vu

Hoog in de Dolomieten, in het dorpje Palù di Giovo, schonk Cecilia Simoni het leven aan twaalf kinderen. Haar man Ignazio Moser was een boer en werkte van vroeg in de ochtend tot laat in de avond. Wanneer boodschappen gedaan moesten worden liet Cecilia een van haar elf zonen naar het in de vallei gelegen Lavis fietsen.

Fietsen konden de jongens van Moser dus heel goed. Alleen Claudio had er geen zin in en werd priester. In het jaar (1951) dat de jongste zoon Francesco werd geboren, reed de oudste en 17-jarige Aldo zijn eerste wedstrijd. Aldo, Enzo en Diego werden goede wielrenners. Aldo en Enzo veroverden de roze leiderstrui in de Ronde van Italië. Maar ze waren niet zo goed als Francesco, een jongen met een leeuwenhart en een niet aflatende aanvalslust en wil om te winnen. Vooral wanneer hij over de kasseien van Parijs naar Roubaix reed, was hij in zijn element. Altijd reed hij op kop en gaf hij het hoge tempo aan. In wind en regen, door modder en water, zwoegend, zwetend en werkend als zijn vader vroeger. Wanneer Checco op kop reed, begon de wedstrijd. Hij won Parijs-Roubaix driemaal achtereen, in 1978, '79 en '80, twee keer werd hij tweede, twee keer derde. Alleen zijn eeuwige rivaal Roger de Vlaeminck won er meer: vier. Wanneer Moser niet won had de winnaar geprofiteerd van zijn zweet, zei de Italiaan dan. Francesco Moser was altijd een prachtige winnaar.