Brits economisch wonder leidt tot grote onzekerheid onder werknemers; Gevangenen van de vrije markt

Een kleine twintig jaar geleden was Groot- Brittannië de zieke man van Europa. Vandaag heeft het land een voorbeeld- functie door het 'economisch wonder' van de Conservatieve regering van John Major. De werk- loosheid ligt op het laagste peil sinds 1990. De Tories omhelsden de vrije markt, ver- lengden de werkweek en schaften het minimumloon af. Maar de bijwerkingen op de langere termijn waren een ongekende stijging van de werk- druk en een alarme- rende toename van onzekerheid.

Frank Downes ziet er afgetobd uit. Alles hangt in zijn gezicht. Zelf hangt de 54-jarige beveiligingsbeambte uit Birmingham tegen het hekwerk van het elektronicabedrijf dat hij wordt verondersteld te bewaken. Twaalf uur per dag, zes dagen in de week, voor een bruto weekloon van 170 pond, zo'n 500 gulden. Zijn herdershond Charlie trekt hem weer overeind voor het vervolg van hun ronde.

Je zult Downes niet horen klagen. Hij heeft wel erger meegemaakt in deze bedrijfstak waar een werkweek van zestig uur als absoluut minimum beschouwd wordt. In een vorige baan was hij wekelijks 110 uur in touw. Voor twee pond tachtig per uur. Hij deed niks anders meer dan slapen en werken. Hoe hij zich daarbij voelde? “Dat doet er niet toe. Je hebt geen keuze als elke maand de hypotheek moet worden betaald.”

Downes mag zich gelukkig prijzen. Hij profiteert van het economisch wonder dat de Conservatieve regering onder leiding van premier Major in de afgelopen regeerperiode tot stand heeft gebracht. “In 1979 gold het Verenigd Koninkrijk als de zieke man van Europa”, zei de premier vorige week nog tijdens de verkiezingscampagne. “Inmiddels wordt Groot-Brittannië op het Europese vasteland als rolmodel beschouwd.”

Ian Lang, de minister van handel en industrie, ging nog een stapje verder. “Het Verenigd Koninkrijk is veruit de meest concurrerende omgeving voor het bedrijfsleven in Europa”, verklaarde de bewindsman. De werkloosheid loopt al dertig maanden terug en ligt nu met 1,75 miljoen op het laagste niveau sinds 1990. Landen als Duitsland en Frankrijk kijken afgunstig naar het Britse werkloosheidspercentage van 6,2 procent, bijna de helft van het Europese gemiddelde.

Maar dat is nog niet alles, vervolgde de minister zijn loflied op de Conservatieve regering. Oudere Britten herinneren zich nog met afgrijzen de jaren zeventig toen de Britse economie door stakingen verlamd werd. Het laatste seizoen voordat de Conservatieven in 1979 de Labourregering uit haar lijden verloste, is niet voor niets de geschiedenis ingegaan als de 'Winter van de Onvrede'. Fabrieken produceerden niet, vrachtwagens reden niet, zelfs de doodgravers lieten de lijken bovengronds staan in een periode dat een kwart van de bevolking betrokken was bij acties. Vergelijk die chaos met de arbeidsrust onder de Conservatieven bijna achttien jaar later, zei de bewindsman. Geen van de grote Europese landen heeft zo weinig werkonderbrekingen als Groot-Brittannië. De fiscale druk voor bedrijven is laag en de belastingen voor particulieren zijn de laagste van Europa. “De flexibiliteit van de Britse arbeidsmarkt wordt nergens op het Europese vasteland geëvenaard.”

Volgens Nicholas Craft, hoogleraar economische geschiedenis aan de London School of Economics, hebben de Britten voor die vooruitgang een hoge prijs betaald. Privatisering, belastingverlaging en terugdringing van de vakbondsmacht zorgden ervoor dat de economische teloorgang van Groot-Brittannië eindelijk tot staan gebracht kon worden. Maar het bij-effect was in eerste instantie massa-werkloosheid. Het aantal werklozen steeg tussen 1979 en 1986 van 1,3 naar 3,4 miljoen.

Bijwerkingen op de langere termijn waren een ongekende stijging van de werkdruk en een alarmerende toename van onzekerheid. Groot-Brittannië paarde verlenging van de werkweek aan afschaffing van het minimumloon. Bijna elf miljoen mensen, de helft van de werkende bevolking, raakten sinds 1992 één of meer keren hun arbeidsplaats kwijt. Bij die gelegenheid, zegt een onderzoek van het Employment Policy Institute, kwamen ze erachter dat ze weinig bescherming genoten, dat de kans om een gelijkwaardige functie te krijgen aanzienlijk kleiner was dan in de jaren zeventig, dat ze gemiddeld twintig procent langer moesten zoeken en dat het sociale vangnet tot een minimum was teruggebracht. Die collectieve ervaring heeft tot een wijdverbreid gevoel van onveiligheid geleid.

Gordon Brown, minister van Financiën als Labour aan de macht komt, zegt dat onzekerheid is uitgegroeid tot “dominante factor in het Britse economisch leven”. En John Monks, directeur-generaal van het Trades Union Congress, de overkoepelende vakbondsfederatie, beweert dat het probleemloos afdanken van werknemers terwijl hen zelfs de meest elementaire rechten zijn ontnomen, een hele natie angstig en ontevreden heeft gemaakt. Een boude bewering die door harde cijfers lijkt te worden gestaafd. Volgens onderzoek van het bureau International Survey Research vreest 40 procent van de werkers voor zijn baan en voelt maar 43 procent van de werkende bevolking zich economisch veilig, 33 procent minder dan zes jaar geleden. Het moreel van het personeel is laag, net als de identificatie met de onderneming waarvoor wordt gewerkt. Arbeidsvreugde en tevredenheid zijn nergens in Europa zo spaarzaam als in het Verenigd Koninkrijk.

Akhbar Sekhon werkt in één van die overvolle, slecht verlichte textiel-ateliers in Birmingham. Hij zegt dat zijn loon al drie jaar niet verhoogd is. Honderd pond bruto, circa driehonderd gulden. Voor 45 uur per week. Maar hij kan zich niet permitteren om te protesteren. Zijn baas zou hem maar al te graag inruilen voor één van die illegale immigranten die met anderhalve pond per uur genoegen nemen.

Daarom spuit hij zijn frustratie van armoe tegen een buitenstaander. Nee, hij ontvangt geen vakantiegeld en ook geen loon als hij ziek is. En ja, formeel heeft hij elk jaar recht op twee weken vakantie. Maar de laatste drie jaar kon hij die vakantie nooit opnemen omdat het bedrijf het steeds te druk had. Financiële compensatie heeft hij nooit gekregen. Spottend noemt de 34-jarige Sekhon zichzelf “een gevangene van de vrije markt”.

Statistieken illustreren dat Sekhon in die ongelijke strijd om het bestaan niet alleen staat. Ruim een tiende van het Britse arbeidsleger, 2,4 miljoen Britten, heeft geen recht op betaalde vakantie. Nog eens 1,7 miljoen Britse werknemers hebben jaarlijks minder dan drie weken vrij, het wettelijk minimum in de Europese Unie. Maar de desbetreffende Europese richtlijn geldt niet voor Groot-Brittannië omdat premier Major bij de onderhandelingen over het Verdrag van Maastricht een uitzonderingspositie bedongen heeft.

Het niet ondertekenen van de sociale paragraaf heeft het Britse bedrijfsleven de afgelopen jaren ook behoed voor de zegeningen van de maximum-werkweek. Al heeft het Europese Hof vorig jaar bepaald dat het Europese maximum van 48 uur per week ook geldt voor Groot-Brittannië. Niet op sociale gronden, maar in het belang van de veiligheid en de gezondheid. De Britse regering heeft naleving tot dusverre met succes gesaboteerd. Het gevolg is dat de Britten verreweg de langste werkweek maken van Europa. Gemiddeld 43,7 uur per week tegen Nederlanders 39,5 uur per week.

Volgens onderzoek van het uitzendbureau Austin Knight werkt een kwart van het Britse personeel wekelijks meer dan 50 uur. Van deze zwoegers zegt 57 procent dat het gezinsleven eronder lijdt, 76 procent vindt dat de gezondheid wordt aangetast. Dat strookt met de bevindingen van Cary Cooper, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Manchester. Britse arbeidsomstandigheden moeten wel tot massale uitputting leiden, meent Cooper. Werknemers kunnen te hoge werkdruk en te grote onzekerheid een tijd wel aan. Maar op den duur gaan ze er sociaal of fysiek aan onderdoor. Cooper legt ook een verband met het Britse echtscheidingspercentage dat met ruim veertig procent het hoogste van Europa is.

Twintig jaar geleden genoten negen van de tien Britse werknemers nog enige vorm van bescherming. Door rigoureuze beknotting van de bonden was dat aantal bevoorrechten in 1990 tot zes gedaald. Onder invloed van Europese wetgeving is dat aantal inmiddels weer gestegen tot zeven.

Maar die minimale bescherming behoedt de Britse werkers niet voor lage lonen. Tien miljoen Britse werknemers verdienen minder dan de 6 pond en 3 pence per uur die de Raad van Europa tot fatsoensminimum heeft bestempeld. Veertien miljoen Britten, meer dan de helft van de werkende bevolking, halen nog niet eens de helft van het gemiddeld uurloon. Vijf miljoen werkers zitten onder de 4 pond per uur, 3,4 miljoen onder de 3 pond 50 per uur, een half miljoen onder de 2 pond 50. Bruto zesenhalve gulden.

En dan worden nog niet eens de twee miljoen kinderen van onder de 14 jaar meegerekend die illegaal maar zonder dat de overheid ingrijpt betaalde arbeid verrichten. Zij vullen de vakken in de kleine supermarkt, werken in de keuken van het buurtrestaurant, boenen de vloer van een eenvoudig kantoor. Niet om het zakgeld te spekken, maar om de familie te helpen rond te komen, zegt Frances O'Gradey van de overkoepelende vakbondsfederatie. Volgens de vakbondsfunctionaris is kinderarbeid voor de minst welvarende gezinnen bittere noodzaak in een samenleving die de kloof tussen arm en rijk bijna twintig jaar lang stelselmatig heeft vergroot. “Dat is de schaduwkant van de flexibele arbeidsmarkt waarop de Britse regering zich zo graag laat voorstaan“', zegt Bharti Patel, adjunct-directeur van de Low Pay Unit, een organisatie die opkomt voor de laagstbetaalden. “Dat is de tol die deregulering door de overheid eist.” Volgens Patel weegt het “zogenaamde werkgelegenheidssucces” van Groot-Brittannië niet op tegen de maatschappelijke schade. Ze spreekt over het “zogenaamde succes” omdat ze aan de officiële cijfers van de overheid niet veel waarde hecht.

Haar scepsis wordt gedeeld door de Bank of England. De centrale bank van Groot-Brittannië noteerde vorig jaar nog dat “vrijwel de gehele verbetering van de werkloosheidssituatie in de jaren negentig ten opzichte van de jaren tachtig moet worden toegeschreven aan een stijging van het aantal niet-actieven”. Volgens de Labour Market Trends van december 1996 hebben veel werklozen zich van de arbeidsmarkt afgewend omdat ze hun positie toch als uitzichtloos beschouwen. Anderen zijn uit de werkloosheidsstatistieken verdwenen omdat ze niet langer onder de steeds weer vernieuwde definities vallen. Zoals langdurig zieken, alleenstaande moeders en mensen boven de vijftig. Peter Hain, de werkgelegenheidswoordvoerder van Labour, beweert dat Groot-Brittannië de grootste verborgen werkloosheid van heel Europa heeft.

In het rapport 'Werkloosheid en de toekomst van werk' dat de Anglo-Ierse Raad van Kerken deze week heeft uitgebracht, wordt het werkelijk aantal werklozen in het Verenigd Koninkrijk geschat op 4,5 miljoen, ruim tweeënhalf keer het officiële cijfer. De samenstellers tonen zich “geschokt en verdrietig” over de schrijnende en nog altijd groeiende tegenstellingen tussen rijk en arm. Ze verwijten de grote partijen dat ze armen en werklozen laten stikken en dat ze alleen maar in de welvarende en zelfgenoegzame middenklasse zijn geïnteresseerd. Verwijzend naar de bijbel waarschuwen ze tegen de aanbidding van valse goden, “inclusief zulke moderne idolen als het politieke dogma en de markteconomie”.

Ook het uitzicht op een Labour-regering vervult de Raad van Kerken niet met hoop. Net als de Conservatieven geeft Labour voorrang aan belastingverlaging boven bestrijding van werkloosheid. Bestrijding van de ongelijkheid in de samenleving, van oudsher een lijfspreuk van Labour, wordt nergens in het verkiezingsmanifest genoemd.

Maar de grootste oppositiepartij komt wel tegemoet aan andere suggesties van de Raad van Kerken. Een Labour-regering zal de sociale paragraaf in het Verdrag van Maastricht onderschrijven. Een kabinet onder Tony Blair zal het wettelijk minimumloon weer in ere herstellen, al wordt over de hoogte nog volop gestoeid. Verder krijgen werknemers het recht om zich door een vakbond te laten vertegenwoordigen als meer dan helft van het personeel in een bedrijf dat wenst. Misschien een eerste aanzet tot een nieuw machtsevenwicht tussen Kapitaal en Arbeid, waarbij de angstige Britse werknemer zich weer wat veiliger zal voelen.