Miroslav Krleza: een onafhankelijke Middeneuropeaan; Het legerspook marcheert voorbij

Miroslav Krleza: De Kroatische god Mars. Vertaling Helene Houtzager. Prometheus, 363 blz. ƒ 49,90

Miroslav Krleza: Kinderjaren in Agram. Vertaling Lela Zeckovic en Guido Snel. De Bezige Bij, 130 blz. ƒ 34,50

Na twee maanden achter de frontlinies in Galicië in de winter van 1916 werd Miroslav Krleza gered door een opkomende tuberculose. Hij mocht naar huis. Van oorlog had hij al eerder de buik vol, nadat hij zich, als jong student van een militaire elite-academie in Boedapest, met overgave in de Tweede Balkanoorlog had gestort. Hij kwam van een koude kermis thuis. Het Servische nationalisme, dat hem als Kroatische underdog in de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie zo voorbeeldig had toegeschenen, resulteerde in een enorme slachtpartij met tienduizenden doden. Krleza zelf werd gearresteerd en bijna geëxecuteerd. Genezen van zijn dadendrang keerde hij huiswaarts en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vervulde hem alleen nog maar met diepe walging. Met De Kroatische god Mars maakte Krleza een grafschrift voor zijn in Galicië omgekomen kameraden.

Jaroslav Hašek heeft de waanzin van de wereldoorlog in dezelfde contreien ongeveer terzelfdertijd beschreven door de ogen van zijn onsterfelijke soldaat Schwejk. Die hield zich uit boerenslimheid en lijfsbehoud Oostindisch doof voor de grillen van de hoge heren. De kracht van Hašeks roman ligt in de milde humor en ironie, waarmee hij de domme soldaat de nog veel dommere wereld om hem heen laat becommentariëren. Krleza koos in De Kroatische god Mars voor de frontale aanval en doet daarmee eerder denken aan Céline. Oorlog is bloed, vuil, modder, uitputting, vloeken en tieren, platvloersheid en kadaverdiscipline.

Domobranen heetten de Kroatische soldaten uit het Kroatische leger van de Dubbelmonarchie, en dat is een letterlijke vertaling van het Duitse Landwehr. Dit Kroatische kanonnenvoer bevolkt de pagina's van Krleza's boek, dat bestaat uit een aantal frontnovellen.

Ze gaan over de dood van zes domobranen bij de verdediging van heuvel 313. Over drie klasgenoten, die in het leger hiërarchisch tegenover elkaar komen te staan. Over de Laatste Orgie in Ziekenbarak 5b van de Maltezer Orde, wanneer het personeel is gevlucht voor de komst van de Russen. Over de perverse hartstocht van een charitatieve prinses voor een beeldschone bleke jongeling, wiens beide benen zijn geamputeerd. Over de angst van de gewonden om het hospitaal weer te moeten verruilen voor de loopgraaf: 'Maar nu klinkt de trommel steeds klagelijker. Triest en wanhopig laat de lange, tot op de huid doorweekte colonne het hoofd zakken en ze kruipt als een vertrapte lintworm door plassen en gele modderpoelen. Daar sjokken de dubbele rotten, de een stapt in het voetspoor van de ander, gebroken en vermorzeld. De doffe klanken van het vochtige trommelvel dringen kreunend door de muren van kamer 13 en de patiënten voelen dat het legerspook buiten dreigend voorbij marcheert. Nog even en dan zullen ook zij de carbolhemden en de groene zakken weer aantrekken, door modder en sneeuw jakkeren om uiteindelijk te creperen.'

De echte vijand, de tegenstander in de oorlog, krijgen we in Krleza's boek niet te zien. De vijand is de korporaal die de troepen laat exerceren tot ze er halfdood bij neervallen. De vijand is de luitenant die de domobran aan een kastanjeboom opknoopt, omdat hij 's nachts is uitgebroken om zich te warmen aan vrouwendijen. De vijand is je kameraad, die je besteelt, belastert of aangeeft. De vijand, tenslotte, is de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie die je dwingt om je kinderen in de steek te laten om zelf in de loopgraven weg te rotten.

De tweede novelle van het boek, 'Koninklijk-Hongaarse Domobraanse novelle', gaat 120 bladzijden lang alleen maar over de exercitieplaats en de machtswellust van kapitein Jugovic op zijn dikke merrie Mitzi. Hij jaagt zijn compagnie van hot naar her en mat ze af in afwachting van de 'Depesche' met het marsbevel voor het front, die maar niet komen wil. Hij haat zijn compagnie en zijn compagnie haat hem. 'Wat hebben jullie gevreten, luizige bunzings! vroeg de kapitein walgend en hij schraapte zijn keel om de stank van zijn bloedeigen compagnie eruit te spugen. De compagnie verspreidde inderdaad een zurige stank, die veel zwaarder was dan gewone lucht en als koolmonoxide naar de bodem daalde waar hij om de benen van de troepen bleef hangen. Dat was de beroemde KuK-colonnegeur, het gas dat vuile compagnieën produceren en dat als een zwarte streep achterblijft als ze voorbij zijn getrokken.'

Ondanks alle vuil en ellende was Krleza ervan overtuigd dat de boer uiteindelijk aan het langste eind zou trekken. Onkruid vergaat niet. Het lijdzame verzet van het kannonnenvlees zal de KuK-monarchie verpulveren. De oorlog, zo schrijft hij ergens, zal de boer net zo te boven komen als zijn druiper.

De laatste novelle, 'Hongaarse Rapsodie', is één langgerekte Jeroen-Bosch-achtige scène van een treinreis door het oorlogslandschap. De passagiers klagen, jammeren, kankeren, vechten, rochelen, spuwen bloed en lijden luidkeels. En in dit pandemonium tovert Krleza opeens de 'Kroatische Genius' tevoorschijn, die de trein laat ontsporen en in vliegende vaart koers laat zetten naar de Zon. De Apocalyps? Een toekomstvisioen? Een fantasmagorie? Heeft Krleza, die achter in de twintig was toen hij zijn boek schreef, dit nodig gehad om zich los te rukken van het slijk en slijm der aarde? De symboliek is te zwaar om te overtuigen.

Miroslav Krleza (1893-1981) heeft veel geschreven. De Kroatische god Mars is het vierde boek van hem dat in het Nederlands is vertaald. In 1970 verscheen de roman De terugkeer van Filip Latinovicz. Vorig jaar verscheen een herdruk van zijn roman Op de rand van het verstand (over een achtenswaardig lid van het establishment van een Kroatisch provinciestadje dat door een onvoorzichtig woord van kritiek door de goegemeente wordt uitgekotst) en onlangs zag een vertaling van zijn jeugdherinneringen Kinderjaren in Agram het licht. Raster wijdde een paar maanden geleden een themanummer aan de schrijver, met fragmenten uit zijn oorlogsdagboeken uit 1916, reisreportages, twee korte verhalen en een hoofdstuk uit zijn roman Banket in Blitwa, de monoloog van een cynische dictator. Er is nog te weinig vertaald voor een afgerond oordeel, maar het is al meer dan genoeg om te concluderen dat Krleza prachtige boeken op zijn naam heeft staan.

Uit Raster leren we dat Krleza in 1893 werd geboren in Zagreb. Na zijn kortstondige oorlogservaringen begon hij in hoog tempo poëzie, romans en toneelstukken te schrijven. Na een katholieke jeugd werd hij communist en in de loop der jaren heeft hij wel vier tijdschriften opgericht. Maar voor de communistische partij van Tito was hij te onafhankelijk en hij kreeg al snel ruzie met Tito's rechterhand Milovan Djilas, die hem om zijn onaangepastheid de mond wilde snoeren. Hij had van Marx geen snars begrepen en zijn schrijverschap was niet geëngageerd genoeg, vond Djilas. Communistische schrijvers schreven schotschriften tegen hem. Dat was een van de redenen waarom hij besloot in de Tweede Wereldoorlog geen deel te nemen aan Tito's partizanenstrijd.

Na de oorlog zocht hij weer toenadering tot Tito. Djilas, die Krleza's boeken wilde verbieden, trok in het conflict uiteindelijk aan het kortste eind: in 1952 hield Krleza een rede in Lubljana, waarin hij afrekende met het socialistisch realisme. In 1950 werd Krleza directeur van het Lexicografisch Instituut en hoofdredacteur van een nieuw uit te geven Encyclopedie van Joegoslavië. Hij bleef boeken schrijven. Hij stierf in 1981.

Net als al die andere Middeneuropese schrijvers als Kiš en Andric, Crnjanski, Roth en Canetti draait ook Krleza voortdurend rond in die maalstroom van volken en volkjes, talen en dialecten, en botsende religies. Het woord allochtoon was nog niet in zwang, maar autochtoon waren zij uiteindelijk geen van allen. Daarover gaan Krleza's jeugdherinneringen Kinderjaren in Agram (Agram was de Duitse naam voor Zagreb). Krleza heeft zijn hele leven fanatiek dagboeken bijgehouden. De jaren 1902-1903 heeft hij later tot een apart boekje omgewerkt. Het is een beetje een verbrokkeld geheel gebleven, met mijmeringen over de onbedorven kinderziel, over de bekoring van de katholieke rituelen voor de misdienaar die hij ooit was, over de onafhankelijkheid van de kunst en over de taal van zijn oma.

De oma van Krleza sprak Kajkavisch en het was maar een van de vele taalbrouwsels waarin de schrijver in zijn jeugd werd ondergedompeld. De andere waren het Agramse 'Küchenkroatisch', het Hoogkroatisch van de hoge ambtenarij en de adel, de literaire taal en de taal van de kranten, de taal van de volkspoëzie en de kinderpoëzie, het Duits en het Latijn van de Hoogmis. Het Duits van de Dubbelmonarchie was lange tijd dominant in Kroatië. 'In een tijd waarin kamers werden verlicht door Hängelampe, en een Hausfrau de Ausguss niet had laten ontstoppen en de Stenge en Fensterstock bij de lifthof niet bijhield, en bij de Palacegers werd de Maiahndacht gehouden, en de Sechzehner Platzmuzik op het Zrinjiplatz en op het Franz Jozefplatz speelde en meneer de Oberleutnant bij Jegerhorn Gabelfrühstück en een paar Würste (Einspänner) at en een pint bier dronk...', und so weiter und so fort. Krleza's jeugd was een warm bad van taal, spel, de mystiek van de katholieke kerk en het bijgeloof van zijn Kajkavische grootmoeder.

Krleza houdt in Kinderjaren in Agram een pleidooi voor de onafhankelijkheid van de kunstenaar, een onafhankelijkheid die hij zijn hele leven, tegen de communisten en tegen de fascisten, is blijven verdedigen. 'Artistieke waarheden komen niet altijd overeen met godsdienstige, maatschappelijke of andere waarheden. De vraag of kunst stellingen dient te verkondigen of dat ze de werkelijkheid om zich heen als een reeks veranderingen moet beschouwen, valt niet te beantwoorden', schreef Krleza in Kinderjaren in Agram, dat in 1952 werd gepubliceerd. In Kroatië, waar in de persoon van Franjo Tudjman een nieuwe Blitwaanse dictator is opgestaan, is die kwestie nog steeds niet opgelost.