'Het Maupoleum stond op een verkeerde plek'; Architect Piet Zanstra zag zijn ontwerp afgebroken worden

De meeste Amsterdammers beschouwden de afbraak van Piet Zanstra's Maupoleum niet als een groot verlies. “Bij het grote publiek zat het gebouw nu eenmaal in het verdomhoekje”, zegt de inmiddels 91-jarige architect, aan wiens werk in Amsterdam een expositie is gewijd.

Tentoonstelling: Piet Zanstra, architect. T/m 7 mei in Arcam Galerie, Waterlooplein 213, Amsterdam. Geopend: di t/m za 13-17 uur. Gesloten op 30 april.

Het beruchtste gebouw uit het oeuvre van architect Piet Zanstra is zonder twijfel het Burgemeester Tellegenhuis aan de Jodenbreestraat in Amsterdam. Dit gebouw uit 1974, beter bekend als het naar projectontwikkelaar Maup Caransa vernoemde Maupoleum, is inmiddels afgebroken om plaats te maken voor een nog grotere kolos: de nieuwe, door Teun Koolhaas ontworpen Hogeschool.

De meeste Amsterdammers beschouwen de ondergang van het Maupoleum niet als een groot verlies. Nog in 1994 werd het in een enquête verkozen tot lelijkste gebouw van Nederland.

De opening van de Hogeschool was voor de Amsterdamse Arcam-galerie aanleiding een kleine tentoonstelling te wijden aan het werk van Zanstra (1905). De reputatie van het Maupoleum bij het grote publiek doet het oeuvre van Zanstra geen recht, zo blijkt op de expositie van tekeningen en foto's. Zanstra is de architect van een groot aantal gebouwen, waarvan sommige, zoals de pakeergarage met de twee zwevende cilinders in de Marnixstraat in Amsterdam, bijna-klassiekers van de Nederlandse moderne architectuur zijn geworden.

Het enkele jaren geleden gerestaureerde blok met atelierwoningen uit 1934 in de Zomerdijkstraat in Amsterdam, die Zanstra samen met Giesen en Sijmons ontwierp, is zelfs een onvervalste klassieker. “Toen het vijftig jaar oud werd, werd het tot rijksmonument verklaard”, vertelt de 91-jarige Zanstra in zijn huis aan de Amsterdamse Herengracht. “We namen zelf het initiatief tot het gebouw. In Parijs wemelde het van de atelierwoningen, maar in Amsterdam moesten kunstenaars het doen met rare optrekjes en restruimtes in bestaande gebouwen. We ontwierpen een gebouw dat aan de noordkant vier lagen met ateliers met hoge ramen had en aan de zuidkant zes lagen met woningen. Ongehuwde kunstenaars kregen één woonetage bij hun atelier, gehuwde twee.”

Zanstra was toen lid van De Groep 32, een groep jonge architecten die zich distantieerde van de strenge Nieuwe Zakelijkheid van verenigingen als De 8 en Opbouw. “Voor de oude generatie functionalisten was architectuur een kwestie van het ontwerpen van zuivere constructies voor zuivere functies”, zegt Zanstra over het verschil in opvattingen tussen De 8 en Groep 32. “Wij vonden dat ook de schoonheid van de vorm belangrijk was. Daarin gingen we niet zo ver als de architecten van de Amsterdamse School. Die letten helemaal niet op de plattegrond, daar namen ze gewoon standaardoplossingen van aannemers voor. Voor ons was de plattegrond, net als voor de Nieuwe Bouwers, erg belangrijk. Maar er is meer in de architectuur. 'Form follows function' is waar, maar niet helemaal waar.

“Onze inspirator was Le Corbusier. Zijn 'vijf punten van de architectuur' waren revolutionair, maar zijn nu algemeen aanvaard. Hij was een ideeënfabriek, een groot kunstenaar en architect.”

De inspiratiebron is bijvoorbeeld duidelijk terug te vinden in het nooit gerealiseerde ontwerp uit 1937 voor een industriepaleis aan het Hofplein in Rotterdam. De hoofdvorm van de toren doet denken aan de woongebouwen die Le Corbusier ontwierp voor een stedenbouwkundig plan uit 1922. Maar Zanstra, Giesen en Sijmons voorzagen Le Corbusiers toren van licht classicistische elementen, zodat deze een monumentaal karakter kreeg.

Monumentaliteit is ook een belangrijk kenmerk van hun ontwerp van eind jaren dertig voor het ook nooit gebouwde stadhuis van Amsterdam op het Frederiksplein. Het was zelfs zo monumentaal dat het Le Corbusier het commentaar ontlokte 'dat de ontwerper bezeten is door gedachten aan symmetrie.'

Na de Tweede Wereldoorlog bleef monumentaliteit een rol spelen in de vele tientallen woningcomplexen, hotels, kerken, winkelcentra en kantoren die Zanstra ontwierp. Zo kreeg het Promenadehotel in Den Haag uit 1961 een spectaculaire luifel die geen misverstand laat bestaan over de plaats van de ingang - een berucht probleem bij moderne architectuur.

“Het Promenadehotel bouwde ik voor opdrachtgever Meijer”, vertelt Zanstra over dit gebouw. “Hij was een opdrachtgever die zei: 'zoek maar de mooiste steen uit die je kent.' Voor het Promenadehotel ligt een brede stoep. Ik vond dat daar een grote luifel overheen moest komen. Het ding alleen al kostte meer dan een ton. Maar Meijer vond het geen probleem. Zulke opdrachtgevers zijn belangrijk voor de architectuur, maar helaas zijn ze schaars. De meeste beleggers willen geen gedonder en hebben het liefst een gebouw dat zo weinig mogelijk onderhoud nodig heeft.”

In 1963 begon Zanstra met Gmelig Meyling een architectenbureau, dat in 1966 werd aangevuld met De Clerq Zubli. Het is dit bureau dat verantwoordelijk was voor het Maupoleum. “Ik vind het natuurlijk vervelend dat het is afgebroken. Net als alle andere architecten die me er hun mening over gaven, vond ik het een mooi gebouw”, zegt Zanstra nu over het Maupoleum. “Maar bij het grote publiek zat het gebouw nu eenmaal in het verdomhoekje. Dit heeft alles te maken met het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan waarvan het Maupoleum deel uitmaakte. Het is nu nauwelijks bekend meer, maar in de jaren vijftig wilde de gemeente Amsterdam de 40 meter brede Wibaut- en Weesperstraat via de Anthoniebreestraat en de Lastageweg dwars de Nieuwmarktbuurt doortrekken naar het Centraal Station, vanwaar de brede autosnelweg door de Haarlemmer Houttuinen verder zou lopen naar Haarlem. Het Maupoleum was het eerste van een stuk of twintig grote gebouwen die langs deze verkeersweg zouden komen te staan. Maar het Maupoleum is het enige gebleven: de brede autoweg door de Nieuwmarkt werd na de protesten en rellen halverwege de jaren zeventig afgeblazen.

“Bovendien is het Maupoleum nooit gebruikt voor het doel waarvoor het was gebouwd. Het had beneden een mooie arcade, bedoeld voor een serie winkels. Maar er werden groothandels in stoffen gevestigd die voor het winkelend publiek helemaal niet interessant waren. De kantoren boven de arcade werden vrijwel onmiddellijk in gebruik genomen als universiteit en het is niet prettig om college te krijgen in ruimtes die als kantoor zijn ontworpen. Het Maupoleum stond op de verkeerde plek en werd verkeerd gebruikt. Dat is wel erg frustrerend voor een architect.”

Sinds hij in 1980 een punt zette achter zijn loopbaan als architect, heeft Zanstra niet meer met dergelijke frustraties te maken. “Ik schilder nu”, zegt hij. “En schilderen is iets waarbij je moederziel alleen met de problemen bezig bent. Zeker met een bureau van 130 medewerkers heb je als architect zoveel te maken met personeel, politici, ambtenaren, opdrachtgevers, constructeurs en allerlei commissies, dat je tijd moet veroveren om te ontwerpen.”