Grote versobering in poëzie Ghyssaert; Het raadsel blijft openliggen

Peter Ghyssaert: Jubileum en andere gedichten. Bert Bakker, 108 blz. ƒ 29,90.

In 1991 verscheen Honingtuin, een verrassend goede en dikke bundel van een toen nog onbekende dichter: Peter Ghyssaert. Zijn tweede bundel bevestigde zijn talent: Cameo was even goed als (en zelfs nog iets dikker dan) zijn voorganger. Dat was mooi, maar tegelijk diende zich hier ook meteen een eigenaardig probleem aan. Cameo leek wel in erg veel opzichten op Honingtuin. Moest Ghyssaert op zijn twee mooie bundels maar weer gewoon een derde even mooie bundel laten volgen?

Ik denk dat voor de dichter nog een ander probleem speelde, op een meer dichterlijk niveau: moest en kon hij aan zijn stolp-poëzie blijven vasthouden? Ghyssaert schreef stolpachtige gedichten: trefzekere beelden, rake scènes, afgeronde portretten van uitzichtloze en dichtgepoederde levens, meest in grote landhuizen met geknipte tuinen, in afgesloten salons en potdichte kamers. Ghyssaert had een scherp oog voor verveling, stilstand, ziekte en bederf die zich onder een fraaie maar verstikkende buitenkant schuilhouden. Zijn gedichten hadden zelf ook iets afgeslotens en afstandelijks, en het leek alsof er voortdurend iets op uitbreken stond.

Tekenend voor die eerste twee bundels is dat het woord 'ik' er niet in voorkwam. Het dook voor het eerst op in zijn derde bundel, Sneeuwboekhouding (1995). Aan het slot daarvan stonden een paar lange, pratende, veel meer lucht bevattende gedichten. In één daarvan stelde hij zichzelf voor als een sneeuwstolpdichter die zich nu letterlijk tot zijn lezers richtte en hun duidelijk maakte hoezeer hij hen nodig had als meedichters in zijn eenzame universum.

Zijn vierde bundel, Jubileum en andere gedichten, laat zoal niet een nieuwe, dan toch in ieder geval een vernieuwde Ghyssaert zien. Het eerste wat opvalt is een grote versobering. De wereld van barok en rococo, poeder en krullen, muziek en schilderkunst is vrijwel geheel verdwenen. De licht decadente achttiende-eeuwse achtergrond is vervangen door een verder niet benoemd, maar veel grauwer en grijzer heden. Het gaat er in deze bundel anoniemer, realistischer en nihilistischer aan toe, met een dichter die veel minder geneigd is voor een afronding of een clou te zorgen.

In 'Het herenhuis' zien we een vertrouwd Ghyssaert-tafereel: een herenhuis met op de begane grond een fraai gedekte tafel met dampende terrines en onberispelijk bestek. 'Een lamp van kleurig glas/ maakte ook nog gezelligheid/ en in de hoeken wuifden/ palm en kamerplant.' Maar de oude Ghyssaert wordt hier als het ware ingekaderd door de nieuwe. Voor en na de disbeschrijving klinkt tot twee keer toe de vraag: 'maar waar was iedereen?' Het antwoord: 'Die van de kelder loerden/ naar die van de zolder/ en omgekeerd.' En dat was het dan - ons achterlatend met het beeld van de onaangeroerde dis en de vraag wie die kelder- en zolderbewoners zijn, en waarom ze zo naar elkaar moeten loeren.

Het is een eenvoudig voorbeeld van wat zich in deze bundel vaak voordoet. Het raadsel wordt niet meer toegedekt of met een mooie krul omzeild, maar blijft open liggen. Dat is intrigerend, en het heeft vaak iets geestigs, maar het roept ook een nieuw probleem op. Wat moeten we met enkele losse mededelingen over bijvoorbeeld een willekeurig herenhuis, bewoond door enkele naamloze kelder- en zolderloerders die niet aan tafel durven? In Ghyssaerts vroegere bundels was er vaak een decor, een naam of een verwijzing die vanzelf een psychologische achtergrond verschaften. Nu geeft hij vooral kale feiten, wat de inleving er niet gemakkelijker op maakt.

Nieuw is eveneens de compositie waarin de 71 gedichten zijn opgenomen. Ook daaruit valt een verlangen af te lezen om uit de stolp te geraken, maar eerlijk gezegd is het door de compositie vertelde verhaal mij niet erg duidelijk geworden. Er is een proloog en een epiloog, en daartussen bevinden zich een titelloos eerste en tweede 'boek', beide bestaande uit drie titelloze afdelingen. Daarin vallen op sommige plaatsen wel wat thematische overeenkomsten aan te wijzen, maar daar blijft het bij.

In de drie lange verhalende gedichten die het skelet van deze bundel lijken te vormen zou een bewering te ontdekken moeten zijn, maar erg dwingend is die niet. Intussen bevatten ze ieder voor zich aanwijzingen genoeg om de hele bundel van een aangrijpende interpretatie te voorzien. In de proloog is een 'ik' aan het woord: een eenzame zieke man in een doodstil koud huis, in de donkere nacht onophoudelijk pratend over een wankelende man op reis. Hij is in wanhopige afwachting van zijn aflossing. Men zou er het lot in kunnen lezen van de stolpdichter die wel aan zichzelf zou willen ontkomen. Hij zou de schervenverzamelaar kunnen zijn die in het veel hilarischer middelste gedicht wordt opgevoerd en die daarin de rol én de schervenverzameling van een andere schervenverzamelaar overneemt. Treurig portret van de scherven verzamelende dichter: hij krijgt geen andere identiteit ter overname aangeboden dan die van zijn dubbelganger, in wiens voetsporen hij dan maar treedt.

De epiloog is een al even bizar gedicht waarin een 'wij' in de herfst doende zijn een paddestoelengerecht te bereiden. Zij slagen erin het gif in hun kooksel te lokaliseren. Ze zien het helder liggen in de gelei, en zij nemen zich voor om er gezamenlijk omheen te eten. Het is een mooi beeld voor wat Ghyssaert hier en ook in zijn eerder bundels doet: het gevaar, de dood helder lokaliseren en in het oog houden en er met een zeker macaber plezier omheen eten.

Maar dan meldt zich iemand met de mededeling dat er in de tuin nieuwe paddestoelen gevonden zijn en dat betekent binnen de absurde logica van deze vertelling dat er opnieuw gekookt en geroerd zal moeten worden. De laatste regels van de bundel wekken niet de indruk dat de gifschotel ooit geserveerd zal kunnen worden. De dood, zo ben ik geneigd te lezen, laat zich niet zo makkelijk in kaart brengen; hij blijft zich altijd en overal aandienen.

Bij alle uiterlijke veranderingen is er in Ghyssaerts levenshouding geloof ik niet veel veranderd. De dood ligt op de loer en veel meer dan hem in de gaten houden kunnen we niet.Veelzeggend is ook het titelgedicht 'Jubileum', waarin weinig te jubileren valt. Iemand viert zijn dertigste verjaardag (Ghyssaert is geboren in 1966) en hoort in de verte 'de snijmachine' al aanslaan: een weinig verhuld beeld voor de dood die aan zijn werk begint, 'of er een stekker in een stopcontact gestoken wordt'. De arme jarige rest vanaf dat moment weinig anders dan te hopen op kortsluiting en intussen angstig om zich heen kijken om te zien of de snijmachine al nadert: 'vredig zoemen leek hem al verdacht'.

Het is deze angst die hier voortdurend aanwezig is, ook als hij ontvlucht lijkt te worden in kale beschrijvingen van absurde situaties of portretten van mysterieuze personen, zoals de zorgvuldig onderhouden valkuil voor jonge moeders in het park, de met peuken gevulde kinderwagen van het peukenvrouwtje, het museum voor zoet en brak water of de eenvoudig te bedienen bevredigingsmachine waaraan men snel en hygiënisch kan klaarkomen (zelfs het gekreun wordt in glazen trechters afgevoerd). Uit het laatste voorbeeld spreekt ook een angst voor bezoedeling en verlies van controle, een smetvrees die misschien niet eens zo veel verschilt van Ghyssaerts vroegere sneeuwstolpjesverlangen. 'Utopia' beschrijft de ideale wereld als een groot ziekenhuis waarin 'iedereen altijd schoon is', gelegen in witte kamers met vriendelijk licht, prettige geuren en zachte muziek. Daar is elk uur bezoekuur, maar 'er zijn geen bezoekers meer/ want iedereen is opgenomen.' Elk sterfgeval wordt onderzocht, 'maar niemand sterft want iedereen/ vergeet zichzelf tot hij verdwijnt.'

Ik ken weinig dichters bij wie angst en absurde humor, een besef van leegte en bijna luchtige helderheid zo dicht bij elkaar liggen - of het zouden Komrij en Faverey moeten zijn. Net als bij hen ontbreken bij Ghyssaert zulke dingen als psychologie, persoonlijkheid of moraal. Dat geeft aan zijn gedichten iets kouds en afstandelijks, maar ook iets van een ritueel waarmee een verder niet genoemd, maar overal doorschemerend leed bezworen wordt.

De dichter in het voorlaatste gedicht ziet hoe zijn familieleden op een voorleesavondje in tranen uitbarsten en de bladzijden uit zijn bundels scheuren. Hij ziet zich genoodzaakt troostend rond te gaan en daarna zelf maar een hapje en een drankje te serveren. Sullig tafereel, absurde toestand, pijnlijk en hilarisch. De dichter huilt niet, als enige. 'En hij nam de lege kaften van zijn boeken peinzend in de hand.'

Uit: Peter Ghyssaert: Jubileum en andere gedichten.

Kunstsalon

Zijn gedichten werden voorgelezen

en verscheurd door zijn familieleden

die in tranen waren uitgebarsten.

Hij ging rond met zakdoeken

en troostte waar hij kon

en leende soms een schouder

aan een nichtje dat

een cyclus had verbrand.

Ten slotte kwam hij met

de noten en de dranken en hij nam

de lege kaften van zijn boeken

peinzend in de hand.