Een man van drie eilanden; Gesprek met de Cubaanse schrijver Guillermo Cabrera Infante

Ruim dertig jaar geleden, hij was net in ballingschap gegaan, schreef de Cubaanse auteur Guillermo Cabrera Infante zijn fameuze roman 'Drie trieste tijgers', die nu in het Nederlands is vertaald. Volgens de schrijver is het boek a-politiek, maar op Cuba is het tot op de dag van vandaag verboden en in het westen is het drastisch in tegenspraak met de politiek-correcte opinie die decennialang over Cuba bestond. “Toen ik in Barcelona tien minuten aan het woord was, stond er iemand op die riep 'ga terug naar Miami!!' ”

Guillermo Cabrera Infante: Drie Trieste Tijgers. Vert. Fred de Vries en Tessa Zeiler. Voorwoord Hub. Hermans. Uitg. Anthos, 455 blz. Prijs ƒ 59,50

“Natuurlijk. Ik ben afgesneden van mijn jeugd, van het eerste deel van mijn leven. Maar ik voel geen nostalgie, gelukkig. Als ik een scheut nostalgie voel, dan schrijf ik een regel.” Guillermo Cabrera Infante wil er niet van horen, van heimwee naar zijn geboorteland, dat hij al meer dan dertig jaar niet zag. “Ik ben een man van drie eilanden. In Cuba ben ik geboren, Engeland nam me op als staatsburger en mijn derde eiland is de literatuur. Dat is het belangrijkste eiland. Ik kan het overal met me meenemen. Het is een blijvend eiland, mijn eeuwige eiland, een eiland van woorden die niet tot één taal beperkt blijven. En het is een eiland dat drijft bovendien.”

Guillermo Cabrera Infante is de auteur van onder meer Holy Smoke, een geschiedenis van de sigaar, van Mea Cuba, een lijvige bundel van woede knetterende essays over zijn geboorteland, maar bovenal van de roman Tres Tristes Tigres, die nu, na dertig jaar, in Nederlandse vertaling is verschenen. Een boek met een cult-status in de Spaanstalige literaire wereld, waar de Cubaanse auteur door sommige critici op één lijn wordt gesteld met Márquez en Borges. Sommigen zijn van oordeel dat Cabrera Infante ook wereldwijd zo gezien zou worden als hij niet als balling had gekozen voor de Engelstalige wereld, en als zijn meesterwerk niet zo drastisch in tegenspraak was met de politiek-correcte opinie die decennialang over Cuba bestond. Het grote publiek zat, zoals Hub. Hermans het in zijn inleiding tot de Nederlandse editie formuleert, 'niet te wachten op een Cubaanse auteur die in moeilijk toegankelijk proza het uitgaansleven in het Havana van vóór de revolutie beschreef.' Hoe valt het anders te verklaren dat een werk met zo'n reputatie er dertig jaar over deed om in het Nederlands uit te komen?

“Het komt omdat mijn boek zo moeilijk te vertalen is”, wijst de auteur gedecideerd af, terwijl zijn vrouw op de achtergrond hem in het Spaans toemompelt dat “het toch ook waar is dat er politieke redenen waren, Guillermo.”

“Drie Trieste Tijgers is een volkomen a-politiek boek”, houdt hij vol. Ja ook het hilarische hoofdstuk waarin hij de dood van Trotski door zeven verschillende Cubaanse auteurs laat beschrijven. Terwijl dat toch een beetje lijkt op het vereffenen van rekeningen met schrijvers als Nicolás Guillén en Alejo Carpentier die de Revolutie tot hun dood bewonderden. En niet alleen dat: ze waren functionarissen van het regiem. Maar nee, dat hoofdstuk is een verzameling parodieën, 'ik heb met die mensen geen rekening te vereffenen'.

“Het heeft meer te maken met mijn persoon, ik word door iedereen die met Castro sympathiseert gezien als een politiek auteur, en dan een met de verkeerde politiek natuurlijk. Ik was onlangs in Antwerpen om op een conferentie te praten over Mea Cuba. Ik was nog geen paar minuten bezig of de hele zaal, vijfhonderd mensen, begon met de voeten te stampen tot ik het uiteindelijk maar opgaf. Ik ben de reïncarnatie van het politieke kwaad voor dat soort mensen. Hetzelfde jaar gaf ik in Barcelona een lezing over Ovidius en Homerus, kan het on-politieker? Maar toen ik tien minuten aan het woord was stond er iemand op die riep 'ga terug naar Miami!!' Opeens stonden er twintig mensen te schreeuwen en moesten we de lezing naar een andere zaal verplaatsen. Mijn boek won in 1971 een prijs voor het beste buitenlandse boek in Frankrijk; maar binnen mijn eigen uitgeverij, Gallimard, had ik zoveel tegenstanders dat ze bewust de datum en de plaats van de uitreiking verkeerd aan me overbrachten zodat ik de prijs niet in ontvangst kon nemen.”

Stalin en Mao

Cabrera Infante kan zich na al die jaren nauwelijks nog druk maken over de linkse intellectuelen die Fidel verheerlijkten en verdedigen, en wijst erop dat dat met Stalin en Mao ook al zo was, “zelfs door ivoren-toren auteurs als Philippe Sollers en Roland Barthes.” Maar nu is zo'n naïveteit toch moeilijker te verdedigen dan vroeger? “Ach, er zijn mensen die altijd op zoek zullen blijven naar de regenboog. Ze zien Castro als de laatste hoop voor het communisme.” En het argument van de voor Latijns Amerika zo florissante stituatie van Cuba's gezondheidszorg en onderwijs dan? De auteur haalt zijn schouders op. “Hitler bouwde de Autobahnen. Mussolini liet de treinen op tijd rijden.”

Cabrera Infante sympathiseerde aanvankelijk zelf ook met de revolutie, zoals praktisch elke Cubaan dat deed die niet meteen de benen nam. Hij werd in 1929 geboren in de streek Oriente, in het stadje Gibara. Met smaak vertelt hij hoe het maar 25 mijl van Banes verwijderd ligt, waar de dictator Batista geboren werd, en een mijl of 40 van Birán, waar Fidel Castro werd geboren, die Batista verjoeg. “Daarom noem ik die streek wel eens de Golden Triangle van Cuba.”

Zijn familie vertrok toen Guillermo twaalf was naar de hoofdstad Havana, die op de jongen een overweldigende indruk maakte. “Het was ongelofelijk, het feit dat de nacht er niet bestond omdat overal de lichten brandden. Ik leerde er nieuwe woorden, of andere betekenissen van woorden die ik al kende.”

Hij werd redacteur van het blad Lunes en kan genietend vertellen over hoe Fidel Castro hem, na de machtsovername, de les las: het blad ging de Comandante, die toen nog niets van het communisme moest hebben, een te linkse koers varen. De schellen vielen Cabrera Infante van de ogen, toen hij in april 1959 deel uitmaakte van Castro's entourage op diens eerste buitenlandse reis als staatshoofd. “Die trip was een goeie leerschool voor me. In Rio stonden er twaalf mensen op hem te wachten toen het vliegtuig landde. We reden de stad in en zagen rijen mensen, een paar blokken lang, die kaartjes wilden kopen voor Nat King Cole. Toen werd Castro heel boos. Hij zei: 'Er was niemand op het vliegveld en hier staan al die mensen in de rij voor een nikker!' ”

Er volgden nog enkele ervaringen die Cabrera Infantes optimisme en bewondering deden wegsijpelen. “Ik zag dat hij een doorsnee caudillo was, een gevaarlijk mens. Maar ik maakte een fout. Ik dacht dat hij een soort Nasser (de Egyptische president die zich opwierp als leider van de ongebonden landen - JD) zou kunnen worden, omdat hij niet in het communisme geloofde. Ik dacht dat hij een populist zou kunnen blijven. Mijn tweede fout was te geloven dat je via cultuur iets in het politieke kan veranderen. Dat was natuurlijk een blunder eerste klas, een dictatuur heeft geen cultuur nodig, alleen propaganda.”

Het was die laatste blunder die maakte dat hij in 1962 toestemde toen men hem vroeg cultureel attaché te worden in Brussel. Ambassadeur daar was Gustavo Arcos, een van de helden van de revolutie (hij nam deel aan de aanval op de Moncada kazerne in 1953 waarbij hij een rugwond opliep) die al snel in ongenade viel en nu, na negen jaren in de gevangenis te hebben doorgebracht, een gemarginaliseerd leven leidt als dissident in Havana. Cabrera Infante luistert aandachtig naar het relaas van mijn ontmoeting met zijn vroegere chef, die hij in Mea Cuba als een held en een moedig man omschrijft. Arcos vroeg zich geëmotioneerd af of Fidel nooit nachtmerries zou hebben wanneer hij het monster aanschouwde dat hij had geschapen, het Cuba van nu. Of hij zich nooit afvroeg: wat heb ik gedaan? Cabrera Infante schudt zonder aarzelen zijn hoofd. “Fidel vraagt zich nooit iets af, hij lijdt aan een vreselijke ziekte genaamd machtshonger. Hoe meer hij heeft hoe meer hij wil en daarom zit hij daar bovenop de puinhopen en wil niks veranderen. Hij heeft er 38 jaar over gedaan om Cuba te krijgen waar het nu is, dus het enige wat hij nog kan doen is zichzelf voorhouden dat hij de macht heeft, en dat hij die macht kan vasthouden zolang hij leeft. Voor alle andere machthebbers is de macht eindig, maar voor Castro niet.”

Parodieën

Drie Trieste Tijgers is een complex boek, maar daarom niet moeilijk te lezen. Het boek beschrijft vooral het prerevolutionaire nachtleven van Havana. De ingewikkelde structuur, met diverse verhaallijnen, points of view en taalspelletjes is nauw verweven met de ontstaansgeschiedenis. Het boek groeide niet chronologisch. “Ik begon de hoofdstukken Ella Cantaba Boleros, het verhaal van de zwarte zangeres La Estrella, in 1961, toen ik nog in Havana woonde. Ik had steeds het idee dat het deel moest gaan uitmaken van een groter geheel. Toen verhuisde ik naar Brussel en daar schreef ik het hoofdstuk Los Debutantes en een paar andere delen. Ik in ballingschap en maakte het boek af in Madrid. Het concept kreeg ik pas geleidelijk voor ogen. Ik dacht dat het een boek zou kunnen worden met een aantal karakters die verenigd worden door de stad, door Havana dus.

“Het boek moet gezien worden als een systeem van parodieën. Als je daarvan uitgaat, blijkt al dat het boek niets met een 'echte waarheid' te maken heeft. Daarbovenop zijn er karakters die voor een deel op mijn observaties van bepaalde personen zijn gebaseerd. Maar ik heb een manier van schrijven die, behalve van de parodie in verhalende zin, gebruikt maakt van de pun, de woordspeling, de taalgrap. The pun makes fun of everything, en zo gauw dat gebeurt, wordt alles gelijk onwaar. Daarom kost het me grote moeite erover te praten op wie de karakters zijn gebaseerd. La Estrella, de zangeres, gaat terug op iemand die echt heeft bestaan, maar ze is meer dan dat. En de vertellers wier gezichtspunten we volgen zijn allemaal samengestelde portretten. Zelfs degene die je als mijn alter ego kunt zien, ben ik toch niet echt.

“Ik ben een komisch schrijver, en als je dat van jezelf weet, kun je alles doen for the sake of being funny and for the sake of treating life as a funnyland. De Spaanse schrijver Miguel de Unamuno schreef een boek getiteld Del Sentimiento Tragico de la Vida. Ik vroeg me al in mijn jeugd af: waarom alleen het 'tragische gevoel', en niet het 'komische gevoel' daarnaast? Zo'n titel is zo pompeus, maar daarnaast is het ook een komisch statement in zichzelf; natuurlijk is het leven een tragedie, maar het is evenzeer een komedie.”

De eerste editie van Drie Trieste Tijgers verscheen in 1965 in Madrid, maar werd verminkt door de Spaanse censuur. “Het waren lachwekkende ingrepen die ze deden, maar Franco was toen nog zeer nadrukkelijk aan de macht. In 1994 heb ik een definitieve versie gemaakt waarin alle ingrepen werden hersteld. Op één na. Het laatste hoofdstukje is een monoloog van een demente vrouw die op een bankje zit. Daar knipte de Spaanse censor een lang stuk uit waardoor de laatste woorden, in het Engels, I can go no further werden. Dat vond ik beter dan mijn eigen slot. Ik heb de censor opgebeld om hem te bedanken.”

Nederlands is de zevende taal waarin het boek is overgezet, en de auteur (die zelf o.m. James Joyce in het Spaans vertaalde) heeft drie maanden nauw overlegd met zijn beide vertalers. Hij maakte ook zelf de definitieve Engelse versie, om zodoende een ijkpunt te scheppen voor latere vertalingen. Taalspel is alomtegenwoordig in Drie Trieste Tijgers (in Mea Cuba overigens ook) en dat maakt het boek inderdaad moeilijk vertaalbaar. Ook in gesprek is Cabrera Infante voortdurend bezig om met de taal te jongleren. Hij doet dat met een strenge blik achter kleine ronde brillenglaasjes. Een blik die misleidend is en niet tot lachen aanmoedigt, terwijl hij voortdurend grappen maakt. Af en toe schiet zijn betoog als een versnellingspook in zijn 'vrij', onaangekondigd van het Engels in het Spaans, waarna hij zonder een spier te vertrekken weer terugschakelt naar de Engelse versnelling. De Londense flat waar hij woont is aan de langste muur volgestouwd met boeken, opvallend veel over film. “We hebben nu een satellietschotel waarmee we alle Europese kanalen kunnen ontvangen. We kijken de hele nacht naar films. Franse, Italiaanse, Scandinavische. Jullie Nederlanders boffen maar: jullie hebben al die erotische kanalen.”

Zal hij zelf zijn geboorteland ooit nog aanschouwen? Hij wenst er weinig gedachten aan te spenderen. De revolutie heeft de literatuur doodverklaard, de interessante Cubaanse schrijvers wonen in het buitenland, ook van de nieuwe generatie: Zoe Valdés in Parijs, Cristina García in de VS. Alleen Senel Paz, de man die het script schreef van de film Fresa y Chocolate alsmede de novelle waarop die film is gebaseerd, heeft Havana als basis, waar hij werkt bij het ICAIC, het filminstituut dat Cabrera Infante kort na de revolutie hielp oprichten. Niet dat hij veel waardering heeft voor zijn jonge landgenoot: “Zijn boekje is rechtstreeks gebaseerd op het hoofdstuk 'De debutanten' uit Drie Trieste Tijgers.”

Hij verkneukelt zich dat José Marti, de vader des vaderlands, nu de plaats van Marx gaat innemen in de staatsideologie. “Dat zal ze in moeilijkheden brengen, want Marti was een criticus van Marx en ze kunnen hem alleen maar uitgeven door zijn teksten zorgvuldig te kuisen.”

De Amerikaanse Helms Burton-wet, die buitenlandse investeerders in Cuba wil straffen, gaat hem nog lang niet ver genoeg. “Niets gaat ver genoeg om Castro op de knieën te krijgen. Embargo's hebben ook de blanke regering van Zuid-Afrika ten val gebracht, het werkt zelfs tegen de Serviërs. Dus zal het tegen Castro ook werken, uiteindelijk. Als druk van buitenaf niet genoeg is, is de enige andere hoop dat de druk van binnenuit te groot wordt, zoals met Ceaucescu gebeurde. Dan zou er een nieuwe militaire figuur moeten opstaan als Ochoa, die in 1989 werd gefusilleerd. Misschien is er wel een nieuwe Ochoa, maar weten we nog niet hoe hij heet.”

Als ik hem zeg dat ik moeite had Mea Cuba van begin tot eind te lezen, omdat zoveel samengebalde woede bijna onverteerbaar is voor een niet-Cubaanse lezer, knikt hij even. “Luister je tape nog maar eens terug. Je hebt het zelf ook de helft van de tijd over politiek en niet over literatuur. Het is geen obsessie van me. Het is een reële aanwezigheid. Het is de lange arm van Fidel Castro.”

Sinds zijn vader (een van de oprichters van de Cubaanse communistische partij) drie jaar geleden overleed, communiceert Cabrera Infante helemaal niet meer met Cuba. Wel luistert hij met aandacht naar de ooggetuigeverslagen van mensen die er op bezoek zijn geweest. Zij houden hem op de hoogte van de ondergrondse status van Tres Tristes Tigres, dat verboden maar wel verkrijgbaar is sinds de dagen (1967) dat de dichter Heberto Padilla er een juichende recensie over schreef - waarmee de 'affaire Padilla' geboren was. Padilla werd uit de schrijversbond gezet en pas nadat hij zijn 'antirevolutionaire zonden' in het openbaar had beleden, kreeg hij toestemming het land te verlaten. “Het laatste nieuws is dat het boek op de illegale markt te koop is voor twaalf blikken gecondenseerde melk. Maar, zo zei degene die me dit vertelde, word vooral niet te ijdel, want Gorbatsjovs Perestrojka en glasnost doet vijftien blikken melk. Iemand anders heeft een gat in de hoek van zijn exemplaar van het boek geboord en het met een ketting aan een sofa vastgemaakt. Je kunt bij hem leestijd huren, per half uur. Dat bewijst dat in Havana alles geketend is, zelfs de literatuur.” En voor het eerst tijdens het gesprek staat hij het zichzelf toe om zijn grap te lachen.