TBS-plaatsen kritisch bekijken

Als er gesproken wordt over een tekort aan TBS-plaatsen, worden daarmee behandelplaatsen bedoeld ten behoeve van geestelijk gestoorde justitiabelen, die bij uitspraak door rechtbank of gerechtshof 'behandeld' moeten worden. In de discussie over dat tekort ontbreekt echter steevast de vraag wat nu eigenlijk precies onder een dergelijke behandeling wordt verstaan.

Toch is die vraag van belang, omdat zij implicaties kent voor wat betreft aard, inhoud, tijdsduur, intensiteit en plaats van deze behandeling. En dus ook van de kosten ervan. Nog los daarvan moet in sommige gevallen zelfs de vraag worden gesteld of met het opleggen van TBS-maatregel wel behandeling - in welke zin dan ook - bedoeld wordt, of niets anders dan een eufemistisch geformuleerde en gemotiveerde verlenging van een vrijheidsstraf.

Als echter een daadwerkelijke behandeling wordt beoogd en opgelegd, dient aan dat begrip - in de loop van het behandelingsproces - een nadere specificatie worden gegeven. Doel daarvan is om vast te stellen of, en zo ja wanneer, de behandeling haar maximale effect heeft bereikt. Met andere woorden: wanneer is een TBS-patiënt 'uitbehandeld', en wat moet er vervolgens gebeuren. Moet een uitbehandelde TBS'er wel in alle gevallen in een TBS-kliniek blijven? Zijn er misschien gevallen waarbij het onderhouden van het bereikte behandelingsresultaat, zonder dat de TBS-status wordt beëindigd, even goed, maar veel goedkoper kan plaatsvinden in een andere setting dan een TBS-kliniek? Of nog anders gezegd: moet een als 'uitbehandeld' te beschouwen TBS'er in alle gevallen nog wel zijn dure behandelingsplaats bezet blijven houden, ten koste van een aantal wachtenden die mogelijk een veel betere behandelbaarheid kennen?

Misschien kunnen de gebruikte criteria worden aangepast. Ik bedoel daarmee dat patiënten die, uitbehandeld, fors gehospitaliseerd en lijdende aan een chronische psychiatrische ziekte in feite niet anders dan geasyleerd zitten in een TBS-setting, ook in - adequaat beveiligde - afdelingen van gewone psychiatrische ziekenhuizen zouden kunnen vertoeven. Een situatie zoals die tot het eind der zestiger jaren op vele plaatsten in het land gebruikelijk was. De op deze wijze gespecialiseerde afdelingen (forensisch psychiatrische afdelingen, FPA's) van psychiatrische ziekenhuizen, zouden dan ook gebruikt kunnen worden voor de tijdelijke opvang van een aantal van de thans nog vele, zeer vele in gevangenissen en huizen van bewaring verblijvende, ernstig psychiatrisch gestoorde gedetineerden, met name van diegenen die hun wachttijd voor een TBS-plaatsing overschreden zien en daar in bepaalde gevallen honderdvijftig gulden per dag voor ontvangen.

Elke overplaatsing van een TBS'er naar een verblijfsafdeling in een psychiatrisch ziekenhuis, levert een verpleegprijsvoordeel op van ruim zevenhonderd gulden per dag, met behoud van de kwaliteit van zorg. Bijkomend voordeel zou daarbij kunnen liggen in de vermindering van het aantal 'hondervijftig gulden-passanten', en een verbetering van het behandelaanbod aan deze groep.

Zowel met het oog op het behandelingsbelang van psychiatrisch zieke justitiabelen, als vanuit belangen van financiële aard, is het mijns inziens alleszins verdedigbaar om het aantal FPA-bedden in psychiatrische ziekenhuizen zeer veel sterker uit te breiden dan thans het geval is.