In Liefde Bloeyende

Willem Elsschot (1882-1960)

Het Huwelijk

Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd

in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven

haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven

toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard

en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren

hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren

en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond

het merg uit haar gebeente, dat haar tóch bleef dragen.

Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen

en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.

Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen

en rennen door het vuur en door het water plassen

tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad

staan wetten in de weg en praktische bezwaren

en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren

en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot

en zagen dat de man die zij hun vader heetten

bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten

een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

Dit is een beroemd maar ook geliefd gedicht. Er is geen bloemlezing waarin het niet voorkomt en het behoort tot het vaste repertoire van alle avonden waarop men de poëzie door zang of declamatie maltraiteert. Het bevat een van onze populairste gevleugelde woorden (want tussen droom en daad...), zó gevleugeld dat een verband met Het Huwelijk meestal niet meer wordt gelegd. Het inspireerde Carmiggelt om te gaan schrijven. Toch zou het van moderne poëziedokters een laag rapportcijfer krijgen.

Niet vanwege de op het eerste gezicht nogal cynisch aandoende levensvisie die erin wordt verwoord, o nee, moderne poëziedokters zijn ruimdenkend en draaien hun hand niet om voor een onchristelijkheidje meer of minder. Ze zouden het gedicht op louter technische gronden afwijzen. Ze zouden er poëticaal, zoals dat heet, geen heil in zien.

Inderdaad, het Faverey-gehalte van dit gedicht is nihil. Er zitten geen bodems, gelaagdheden of verschuivingen in, er wordt niks in ingedikt of onder semantische hoogspanning gezet. Het Huwelijk is een praatgedicht, nogal recht voor z'n raap, en er wordt ouderwets in gerijmd en geallittereerd. Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad... Viermaal de dee van Dirk! Men hóórt de poëziedokters tandenknarsen.

Toch laat het gedicht niet na diepe indruk te maken op de poëzielezer, ook nu nog, en bij elke herlezing opnieuw.

Er zijn een paar bijzondere dingen mee aan de hand. Dingen die met de tijd te maken hebben. Met de tijd van de literatuurgeschiedenis en met de tijd van het dichtersleven. 't Is het soort praatpoëzie met wat sarcasme hier en een beetje sociale bewogenheid daar dat in de jaren dertig nogal broeide. We kennen het uit de gedichten van Du Perron, Greshoff, Van Hattum. Toch werd dit gedicht geschreven in 1910. 't Is het soort afrekeningspoëzie - de balans wordt opgemaakt en in bitterheid ziet men om - dat je zou verwachten van een dichter in zijn nadagen. Poëzie die is gebaseerd op ervaringen. Toch was Elsschot pas 28 toen hij dit schreef: hij moest nog beginnen aan Villa des Roses, zijn prozadebuut. Twee merkwaardige incongruenties in de tijd - op een of andere manier moet dat te maken hebben met het feit dat het gedicht nog geen spat is verouderd, hoe oneigentijds het - in poëticale zin - nu ook lijkt. Het was in zijn oorsprongen al niet tijdgebonden.

Het heeft niets autobiografisch. Toch spreekt er de drift uit van een mens van vlees en bloed. Dat is het echt bijzondere aan dit gedicht: het verheerlijkt de lichamelijkheid (de grootse zonde, dat wil zeggen de grandioze zonde) en het doet dit door, zoals veel grote poëzie, aan de poëzie te ontstijgen. Maar doodslaan deed hij niet... Geen van de woorden in die zin kan exclusief aanspraak maken op de klemtoon. Het is typerend voor het verheven plan waarop het gedicht zich van begin tot eind ontrolt. Zonder één moment abstract te worden is het universeel. Het bezit lef en zegt tegelijk oneindig veel over kwetsbaarheid.

Maar laat mij doen met eigen vuur

wat ik verkies, zolang ik duur

staat in een ander gedicht van Elsschot, De klacht van de oude. In Het Huwelijk is het maar al te duidelijk, schrijnend duidelijk, wat het vuur te betekenen heeft waaraan de man zich in de laatste regels warmt.

Er zou het een en ander te zeggen zijn over de vijfde strofe, en waarom die een zelfstandig aforisme kon worden. Een en ander ter verdediging van Elsschots poëzie-techniek. Maar vooral toch verbazen ons weer de dingen die in de poëzie 'eigenlijk' niet kunnen: die opeenvolging van stopwoorden als maar, want, en, en, en ook, en, wanneer.

Ze storen geen moment, alle poëziedokters ten spijt. De kracht van Elsschot ligt in een back to basics, en wel zó los van mode en kalender dat alle poëzie-technische nuanceringen futiel worden. Het vuur is sterker dan de structuur van de takkenbossen. De ware dichter kan het zich veroorloven zich niets van heersende literatuurconventies aan te trekken. De ware poëzielezer idem.