Cultuur is te belangrijk om alleen aan experts over te laten

Er bestaat geen 'beeldmerk' van Nederland en Vlaanderen dat in het buitenland te promoten valt. De ambities van Taalunie zijn daarom ongegrond, schreef Frank Ligtvoet op 2 april. Greetje van den Bergh en Theo Janssen vinden dit een redenering die aan alle kanten rammelt. Karel Vosskuehler van de Nederlandse ambassade in Bonn laat zien dat internationale cultuurpromotie een breder scala aan activiteiten betreft: cultuur is te breedgeschakeerd en te belangrijk om geheel aan (zelf)benoemde vakexperts over te laten.

Het was een wonderlijk betoog dat Frank Ligtvoet, sinds vorig jaar ambassaderaad voor Culturele Zaken in New York afstak. Het begon met de stelling dat 'de' Nederlandse culturele identiteit niet bestaat en dat die mythe ook niet zou moeten worden geschapen. Hij vervolgde met de stelling dat er geen gezamenlijke 'Vlaams-Nederlandse' cultuur bestaat. En omdat hij daarna verder ging over de Taalunie, leek het logisch dat dus niemand, dus ook niet de Taalunie, in het buitenland zo'n gezamenlijke cultuur kon uitdragen. Maar nee: Ligtvoet concludeerde dat de Taalunie en de vele vakgroepen Nederlands aan buitenlandse universiteiten die taak moeten overlaten aan professionals: de kunstinstellingen en de vertegenwoordigers van de betrokken departementen. Waarna hij onverwacht besloot met de opmerking dat het hier “wellicht niet om twee, maar om vier ministeries moet gaan: de Nederlandse en de Vlaamse”.

Wat wil Ligtvoet zeggen? Dat er geen enkele reden voor Vlaanderen en Nederland is om gezamenlijk buitenlands cultuurbeleid te voeren, omdat er geen grond is voor gezamenlijkheid? Of wil hij betogen dat de Taalunie de term buitenlands cultuurbeleid uit haar actieplannen moet schrappen, omdat de buitenlandse neerlandistiek daarin geen nuttige rol kan vervullen?

Voor iemand die zegt mythes uit de wereld te willen helpen, roept Ligtvoet er zelf nogal wat in het leven. Ten eerste: de Taalunie zou “enige tijd geleden” de 'ambitie' hebben opgevat via haar netwerk van de neerlandistiek bij te dragen aan de promotie van de cultuur. Van iemand die als ambtenaar belast is met kunstpromotie zou je meer kennis van de grondslagen voor het beleid mogen verwachten: het was de commissie-Gevers die in 1993 aan de Nederlandse regering rapporteerde dat er meer gebruik zou moeten worden gemaakt van de bijdrage die de vele Vlaamse en Nederlandse neerlandici in het buitenland kunnen leveren aan een minder versnipperd en minder vluchtig cultuurbeleid. De meeste conclusies van commissie Gevers zijn overgenomen, en daarom bevatten de actieplannen van de Taalunie hier sinds 1995 een passage over. Het naar marktaandeel en export riekende woord 'promotie' komt daar nooit in voor; dat is inderdaad in die betekenis geen taak voor hoogleraren in het buitenland.

De actieplannen van de Taalunie worden vastgesteld door - onder meer - de Nederlandse en Vlaamse bewindslieden van cultuur. Het doet daarom enigszins merkwaardig aan dat Ligtvoet, die zegt “namens ons allen” in de Verenigde Staten te leven, kennelijk niet namens zijn staatssecretaris spreekt. Niet alleen stelde Nuis het Actieplan 1997 mee vast, maar bij de opening van de door Ligtvoet aangehaalde conferentie, verklaarde hij, sprekend over het Taalunieverdrag: “We willen dat het gezamenlijke taalbeleid [...] zwaar wordt benadrukt als een terrein dat een aparte markering behoeft in het [...] internationale cultuurbeleid.”

Dit brengt ons bij Ligtvoets stelling dat er geen gezamenlijke culturele identiteit is, en dus ook geen gezamenlijk 'beeldmerk' dat in het buitenland aan de man kan worden gebracht. Ligtvoets argumentatie in dezen is wel erg zwak. Als hij naar Antwerpen of Gent gaat weet hij “dat je in een andere cultuur komt”. Zeker. Maar iets vergelijkbaars overkomt de randstedeling als hij vanuit de grachtengordel naar Maastricht of Groningen gaat.

Een betere basis voor de vraag of er een gezamenlijke rol voor Nederland en Vlaanderen is weggelegd, lijkt ons de constatering dat de regeringen van deze beide delen van het Nederlandse taalgebied in 1980 hebben besloten een gezamenlijk beleid voor taal en letteren te voeren in het buitenland. En hoewel taal niet 'gans de cultuur' is, gaat het toch ook wat ver om taal als een verwaarloosbare grootheid in de cultuur aan te duiden. Juist met betrekking tot het talige gedeelte van de cultuur is de bewering dat er “geen gemeenschappelijkheid” is, moeilijk hard te maken. Hoort Mulisch wel bij de Nederlandse literatuur en Claus niet? Lieve Joris niet en Benno Barnard wel? Maerlant niet en Vondel wel, omdat hij tijdig naar Amsterdam verhuisde?

Zo raar is het dus niet dat de Nederlandse en Vlaamse regering via de Taalunie al zo'n vijftien jaar de neerlandici ondersteunen die aan universiteiten in het buitenland doceren. De ruim 250 plekken waar dat gebeurt, verschillen onderling in omvang en wetenschappelijk belang. Sommige docenten maken al jaren van hun aanwezigheid gebruik om ook activiteiten te organiseren voor een breder publiek: lezingen, cursussen, filmavonden, congressen rond literaire onderwerpen en schrijversprogramma's bij het verschijnen van vertalingen.

Een andere mythe die ontzenuwd moet worden is daarom dat de 'cultuurfunctie' van de vakgroepen in het buitenland iets nieuws zou zijn. Ligtvoet gaat met die suggestie voorbij aan de werkelijkheid van de afgelopen jaren: op tal van plaatsen in de wereld hebben hoogleraren en docenten Nederlands, uit liefde voor de taal en cultuur, naast hun eigenlijke taak - het onderwijs en onderzoek binnen de eigen vakgroep - van alles georganiseerd voor een groter publiek.

Zijn zij voor die activiteiten niet professioneel genoeg, zoals Ligtvoet beweert? Zij kennen de culturele belangstelling ter plaatse, de kanalen om die aan te boren, en - last but not least - de onderwerpen waarover zij spreken of schrijven. Zij kunnen aan de onmisbare professionele kwaliteiten van de buitenlandse diensten en de culturele instellingen meer diepgang en continuïteit toevoegen, door hun kennis van het land en hun toegang tot een in aanleg geïnteresseerd publiek.

Tot nu toe deden zij dat bijna altijd onder primitieve omstandigheden: onbetaald, en met veel administratieve en organisatorische rompslomp voor eigen rekening. Dat was voor de Taalunie een van de belangrijkste redenen om - vanaf het begin in overleg met alle betrokkenen - te komen tot een betere onderlinge afstemming en tot betere randvoorwaarden. Op de conferentie die de Taalunie hierover in december vorig jaar organiseerde, is zowel vanuit de Nederlandse en Vlaamse ministeries als vanuit de vakgroepen de noodzaak van deze vorm van ondersteuning onderschreven.

Het getuigt van arrogantie en van zelfoverschatting om alle bestaande inspanningen achteloos weg te wuiven. Alsof er pas nu, met de komst van 'professionals', van dergelijke activiteiten sprake is, en alsof de buitenlandse neerlandistiek bij het realiseren daarvan niets meer te bieden zou hebben.

Er is in het buitenland nog veel onbekend over de culturele aspecten van Nederland en Vlaanderen dat de moeite van het weten waard is. Het is voor het eerst dat er vanuit de ministeries van Buitenlandse Zaken en Onderwijs en Cultuur een gezamenlijke en samenhangende inspanning op touw wordt gezet om daarin verandering te brengen. Het lijkt ons zinvoller dat al degenen die daaraan kunnen bijdragen daarvoor gezamenlijk de handen uit de mouwen steken, in plaats van op concurrentietoon sprookjes over “ongegronde ambities” in het leven te roepen. Om nogmaals Nuis te citeren: “De deskundigheid [van docenten neerlandistiek in het buitenland] maakt hen uiterst geschikt om een publiek buiten de universiteit ontvankelijk te maken voor een Nederlands of Vlaams kunstaanbod. [...] De bedoeling is dat ieders sterke kanten zoveel mogelijk tot hun recht komen.”

Dat is een pragmatisch en vruchtbaar uitgangspunt voor samenwerking.