Achterblijvers van vermisten rest onzekerheid

Bij de politie worden jaarlijks 16.000 mensen als 'vermist' gemeld. De meeste vermisten worden teruggevonden, bijna 0,1 procent blijft echter langer dan een jaar zoek. Veel achterblijvers kunnen de verdwijning van een dierbare niet verwerken.

AMSTERDAM, 9 APRIL. Hein Goettsch stapte negen jaar geleden uit de tram en is sindsdien spoorloos. Zijn familie waarschuwde de politie en ging zelf op zoek. Als 'een kip zonder kop' struinde zijn broer door Amsterdam. Overal hingen posters met een oproep maar Hein hield zich stil of Hein was dood. Tot op de dag van vandaag bestaat onzekerheid over het lot van de toen 26-jarige man.

De dienst Centrale Recherche Informatie (CRI) schat dat er in Nederland elk jaar tien tot vijftien personen verdwijnen waarvan de raadselachtige verdwijning niet binnen een jaar wordt opgelost. Familieleden van vermiste personen hebben vaak jaren later nog last van psychische problemen. Meer dan de helft van de achterblijvers (52 procent) zegt de verdwijning geheel niet verwerkt te hebben. Voor hen heelt de tijd de wonden niet.

Dit is een van de conclusies van een inventariserend onderzoek dat prof. dr. J. van den Bout, bijzonder hoogleraar verliesverwerking aan de Utrechtse Universiteit, deed naar het welbevinden van de familie van vermiste personen. In totaal traceerde hij 121 'achterblijvers van vermisten'. Van den Bout presenteerde zijn resultaten onlangs op een symposium van de Vereniging achterblijvers na vermissing, waar zo'n vijftig families lid van zijn.

Jaarlijks worden bij de politie 16.000 vermissingen gemeld. Veel ervan zijn betrekkelijk onschuldig. Het gaat dan bijvoorbeeld om het te laat thuis komen door kinderen of om het niet op een afspraak verschijnen en de vermisten zijn snel weer terecht. Maar een aantal vermissingen is ernstiger van aard: het gaat dan om mensen die slachtoffer zijn geworden van misdrijf of ongeval of het betreft mensen die niet teruggekomen zijn uit het buitenland.

Bij de politie is op landelijk niveau betrekkelijk weinig bekend over vermisten in Nederland. De wijze waarop de aangifte van een vermiste door de politie wordt afgehandeld verschilt van korps per korps. Wanneer het jonge kinderen betreft, wordt in het algemeen een actief opsporingsbeleid gevolgd. In de overige gevallen wisselt de inzet van de politie van geval tot geval aanzienlijk.

De CRI heeft een handleiding geschreven met praktijkgerichte informatie over het probleem van vermiste personen. Ook werkt de CRI aan een centraal registratiesysteem zodat ook politiekorpsen elders in het land weten wie er vermist worden. In 1992 trad het Vermiste Personen Systeem (VPS) in werking maar dat bestand is volgens de CRI niet altijd up-to-date. Mensen die als vermist in het bestand staan opgenomen blijken allang weer terecht te zijn. En andersom komen de namen van mensen die al jaren vermist zijn nergens meer voor. Centrale registratie stuit op problemen omdat de CRI afhankelijk is van de bereidheid van de korpsen om het systeem te gebruiken.

Het onderzoek van Van den Bout wijst uit dat de familie 'ontevreden' is over het functioneren van de politie. Ook Rien Goettsch (38) heeft kritiek op de houding van de politie (“Ze hebben het behoorlijk laten afweten”) maar begrijpt ook dat de politie kampt met het gebrek aan mensen die zich vrij kunnen maken om te blijven zoeken. Goettsch: “Een politieman onderneemt nog wel eens actie voor eigen rekening omdat hij op zijn werk door collega's lastig gevallen wordt met opmerkingen als 'wanneer ga je weer eens aan de slag met je gewone werk'. Dat is voor alle partijen heel frustrerend.”

Meer kritiek hebben familieleden van vermisten op opsporingsprogramma's op televisie, zo registreerde de journaliste M. van Tankeren die enkele gevallen van vermissing reconstrueerde. Goettsch: “Op de televisie verschijnen is het ergste wat er is. Maar wij grepen in die tijd ook alles aan om mijn broer terug te vinden. Voor ons leverde het niets op behalve wat vage tips dat mijn broer nog in leven zou zijn maar waarschijnlijk geen contact met ons wilde. Achteraf vraag ik me af of al die hoop en die angst die zo'n programma veroorzaakt, opweegt tegen het resultaat.”

Net als andere achterblijvers denkt Goettsch zijn broer nog wel eens te zien lopen. Goettsch: “Ik loop dan heel langzaam langs iemand heen en kijk hem heel goed aan. Ook al heb ik mijn broer 25 jaar meegmaakt, ik aarzel dan of dat hem is. Hoe kunnen mensen die hem niet eens kennen, hem dan van een foto herkennen? Dat blijft voor mij een raadsel.”

Van Tankeren signaleert ernstige hiaten in de registratie van vermiste personen en de gevolgen voor achterblijvers. Achterblijvers ondervinden ook juridische en financiële problemen. Van een vermiste kan niet worden vastgesteld of hij dood of levend is. De wet biedt de mogelijkheid om na vijf jaar een 'rechtsvermoeden van overlijden' aan te vragen. Dit is zakelijk gezien nodig om bijvoorbeeld te beschikken over het pensioen van de vermiste of over de nalatenschap. Zelfs het stopzetten van een studiefinaciering van een vermist kind stuit op problemen.

De moeder van Hein Goettsch mocht de spaarrekening van haar zoon niet eens overzetten naar haar eigen adres. Zij was immers niet gemachtigd. Goettsch: “Het is onmensenlijk om voor een vermist familielid 'een rechtsvermoeden van overlijden' aan te vragen. Dat is te definief voor ons.” Volgens achterblijvers zou dat automatisch moeten gebeuren wanneer bekend is dat iemand al vijf jaar weg is. Of de officier van justitie zou een volmacht kunnen afgeven wanneer blijkt dat het polite-onderzoek niets heeft opgeleverd. Voorstellen met deze strekking worden binnenkort in de Tweede Kamer besproken.

Verschillende instanties en verenigingen pleiten voor de oprichting van een organisatie die in aanvulling op het politiewerk “speuracties” kan ondernemen naar vermiste personen. De Vereniging Achterblijvers van vermissing noemt als voorbeeld de Britse National Missing Persons Helpline, een particuliere organisatie die onder toezicht van Scotland Yard alle vermiste personen registreert . Naast het register beheert zij een hulptelefoon voor achterblijvers, plaatst oproepen in kranten en op Internet en helpt familieleden van vermisten met zoekacties.