Seedorf, Schalken, Siemerink

Je moet als sportliefhebber wel over een heel sterke maag beschikken om in één week tijds én Seedorf én Schalken én Siemerink te kunnen verdragen.

Sneven met het zicht op de triomf - is dat typisch Nederlands? Mart Smeets suggereerde het gisteravond in het hete Californië, nadat Siemerink voor de tweede maal een voorsprong van twee sets had verspeeld. “Waarom kunnen die Amerikanen wél een tandje hoger als het nodig is?” vroeg hij aan Paul Haarhuis.

Er ontstond een geprikkeld gesprekje, want Haarhuis geloofde niet in een mentale oorzaak. Siemerink was, volgens hem, vermoeid geraakt, waardoor de scherpte uit zijn spel was verdwenen. En Siemerink kan een groter talent als Agassi alleen verslaan als hij zijn allerbeste spel blijft spelen.

Haarhuis heeft daarin geen ongelijk, maar toch had ik wel begrip voor de ergernis van Smeets. Misschien heeft dat met de voorspelbaarheid van het wedstrijdverloop te maken. Je zág Siemerink in een paar minuten compleet instorten en je wist het meteen: dit komt nooit meer goed.

Vrijdagnacht stond Siemerink in de derde set tegen Courier opeens zó hopeloos te knoeien - drie dubbele fouten in één game - dat ik nog vóór het einde van die set moedeloos bedwaarts ben gegaan. Theoretisch kon hij nog gemakkelijk winnen, maar zijn lichaamstaal (hangende schoudertjes, holle ogen, ja zelfs de wangen lijken bij Nederlandse sporters opeens te kunnen invallen) sprak troosteloze boekdelen.

Als ook de dubbelspelers het hadden laten afweten, was het voor NOS Sport wel een heel sneue expeditie geworden. Kosten noch moeite waren gespaard: twee wedstrijdcommentatoren, een interviewer, een presentator. Als het om de journalistieke begeleiding gaat, kunnen we die Amerikanen tegenwoordig gemakkelijk aan. Wie zei ook weer dat ze in Amerika de sport altijd zo professioneel op de buis brengen? De beeldregie leek nergens naar: herhalingen die te lang duurden, en zelden herhalingen van discutabele punten.

Er was dit weekeinde meer live-televisie die kon boeien. VARA's Het Lagerhuis blijft een aanwinst voor wie wil meedenken over de hot issues van de afgelopen week, maar de aardigste discussie zat dit keer in Buitenhof. Daarin praatten de schrijvers Margriet de Moor, Bas Heijne en Anil Ramdas over de stelling van laatstgenoemde dat de Nederlandse schrijvers zich te weinig inlaten met de positie van de migrant.

“Je ziet Nederland op allerlei plekken veranderen”, aldus Ramdas, “maar niet op redacties, in directievertrekken en in de literatuur.” Hij kreeg weinig bijval van zijn twee collega's. “Een schrijver is geen socioloog of antropoloog”, zei De Moor. “Jouw argumenten zijn niet literair, maar moreel.”

“Zijn artikel hierover was niet alleen verwijtend, maar ook beschuldigend”, zei Heijne. “Hij gaat uit van een bijna sociologische, journalistieke literatuuropvatting. Voor mij hoeft een schrijver maatschappelijk niets.”

De journalistiek bracht het er in Ramdas' ogen beter vanaf. “Die is zich wél bewust van de kleurverandering. De enige plek waar dat niet gebeurt, is het heilige huisje van de schrijver.” Heijne schudde het hoofd: “De buitenwereld is voor de journalistiek, de binnenwereld voor de literatuur.” En De Moor: “Jij wilt heel snel resultaat. De literatuur heeft een lager tempo.”

“Schrijvers zijn traag”, bevestigde Ramdas, “maar na een kwart eeuw mag er toch wel iets gebeuren.”

Margriet de Moor zou wel eens gelijk kunnen krijgen. Van de al wat oudere, gevestigde schrijvers kun je bezwaarlijk verwachten dat ze in een hun wezensvreemde thematiek duiken. Hun binnenwereld is te weinig gekleurd door de buitenwereld-van-nu. Voor de volgende schrijversgeneratie zal dat anders liggen.