Palestijnen dromen liever van het verleden dan van de toekomst

De kans op een explosie onder de Palestijnen is zeker nog aanwezig. Maar de hysterie van het collectieve verzet tegen Israel is zo goed als weg. De komst van de Palestijnse Autoriteit heeft van veel Palestijnen calculerende burgers gemaakt. Nostalgie naar opstandige dagen: 'De vorige intifadah heeft ons ranzige vrede gebracht.'

Rot-politie.” Behendig zet Tareq de lekke autoband in een machine om te kijken waar het gat zit. Hij is veertien, zit onder het smeer en heeft de baard in de keel. Twee-, driehonderd meter van de garage waar hij werkt, zijn tientallen leeftijdsgenoten stenen aan het gooien naar Israelische soldaten bij het checkpoint. Zwarte rook walmt omhoog. Van brandende autobanden. Maar dat hoef je Tareq niet te vertellen. Twee weken geleden, op de eerste dag dat Palestijnen naar het checkpoint togen om hun woede over de Israelische bouwplannen op de berg Har Homa op joodse soldaten te koelen, rolden Tareq en zijn vriendjes een paar afgedankte banden naar het checkpoint. Ze staken de banden in brand. Maar de Palestijnse politie zag het, gooide er emmers water overheen en joeg de jongens weg. “Die rot-politie”, zegt Tareq. “Sjouw je die loodzware banden helemaal de heuvel op, is het voor niks geweest! Voor mij is de lol eraf. Ik ga niet meer.”

Hoe vaak Palestijnse leiders dezer dagen ook dreigen dat er een 'nieuwe intifadah' op uitbreken staat, het heeft er weinig van weg. In Betlehem slingeren vijftien, twintig jongeren met katapulten stenen naar Israelische soldaten die het graf van Rachel bewaken. Zo'n honderd anderen kijken toe. Een enkeling draagt een masker, uit de Golfoorlog nog, tegen het traangas. Zij doen niets, behalve broodjes felafel kopen. Alleen als de tv-camera's komen, schreeuwen ze islamitische slogans en springen ze onheilspellend op en neer. De Israeliërs roken sigaretten achter een muur, gooien bij toerbeurt een traangasgranaat terug en vuren rubberen kogels af. Sommigen maken obscene gebaren (armen met een ruk naar achteren, lijf naar voren), alsof ze evenveel plezier hebben als de Palestijnen aan de andere kant. Er staat een paard in de strook niemandsland die Israeliërs en Palestijnen scheidt, verdwaasd. Het wordt niet een keer geraakt.

De confrontatie begint na schooltijd, en eindigt een, twee uur later. Het heeft iets van een rite, elke dag, met vaste tijdslimieten. Zoals carnaval, maar dan gevaarlijker. Als het voorbij is, sloffen de Palestijnen naar huis alsof ze van kantoor komen na een lange, saaie dag. De thrill ontbreekt. Er is geen elektrische lading in de lucht, zoals vroeger.

Is de intifadah-mentaliteit onder de Palestijnen verdwenen? Ja en nee. Burgerlijke ongehoorzaamheid is nog steeds een belangrijk kenmerk van de Palestijnse samenleving. De nostalgie naar de opstandige dagen waarin bijna alles kon en mocht, neemt tijdens deze moeilijke fase van het vredesproces zelfs romantische vormen aan. Palestijnen dromen liever van het verleden dan van de toekomst.

De voorwaarde voor een explosie - frustratie - is zeker aanwezig. Maar de hysterie, de vlammende hartstocht die deze frustratie tijdens de intifadah zo vaak spontaan deed omslaan in gewelddadig, collectief verzet tegen Israelische burgers en soldaten, is zo goed als weg. Sinds Yasser Arafat zich in Gaza vestigde, zomer 1994, laten Palestijnen zich steeds minder door emotionele opwellingen leiden. Rationele afwegingen bepalen in toenemende mate hun gedrag. Tareq, de bandenplakker uit Ramallah, gaat uit angst voor een uitbrander van de Palestijnse politie elke dag naar de garage, niet naar het checkpoint.

Toch is Tareq een typisch produkt van de 'intifadah-generatie'. Hij groeide op met traangas en huiszoekingen. Hij maakte zijn eerste molotovcocktail toen hij zeven was. Op dezelfde dag rookte hij zijn eerste sigaret. Hij ging zelden naar school. Als zijn moeder hem aan z'n huiswerk wilde zetten, duwde hij haar opzij. Alles week voor de nationale plicht - met een sjaal om je hoofd stenen gooien of stiekem ergens de Palestijnse vlag hijsen. “Als de Israeliërs je oppakten”, zegt hij weemoedig, “was iedereen trots. Als de Palestijnse politie je pakt, is daar niets heroïsch aan. Daarbij is het niet goed voor de Palestijnse zaak. Israel is nog steeds vijand nummer één. En de vijand heeft er baat bij als Palestijnen zich tegen Palestijnen keren.”

Calculerende burgers

De komst van de Palestijnse Autoriteit (PA) heeft van veel Palestijnen misschien nog geen brave burgers gemaakt, maar wel calculerende burgers. Voor het eerst hebben zij een eigen, zelfgekozen bestuur. De 'ridders' van weleer, die bevelen opvolgden van allerlei autonome (splinter)facties en milities, moeten nu luisteren naar het centrale gezag dat zij met hun intifadah-rebellie zelf tot stand hebben gebracht. Velen begrijpen niet waarom Arafat doorgaat met het vredesproces dat in 1993 met het Oslo-akkoord begon. Het maandinkomen van de gemiddelde arbeider is in amper drie jaar van negen- naar vijfhonderd dollar gedaald, de afsluitingen van de bezette gebieden geven hun het gevoel dat ze in een gevangenis leven.

Langzaam wordt allen duidelijk dat ook het politieke 'gevecht' om de Westelijke Jordaanoever en Jeruzalem zal worden geslecht volgens het dictaat van de sterkste: Israel. Maar Arafats politiek ondermijnen, dat weten zelfs de hardnekkigste heethoofden van weleer, is Israel in de kaart spelen. Op eigen houtje met de hele buurt naar een checkpoint gaan en de woede op Israeliërs koelen, zoals vroeger, is geen optie meer. Arafats strijdkrachten hebben het geweldsmonopolie, of nagenoeg. Als zij willen dat er stenen gegooid worden om de politieke druk op Israel op te voeren, dan gebeurt het. Dan worden mensen met bussen naar de checkpoints gereden, zoals in september. En als zij willen dat het met mate gebeurt, zoals deze weken, dan gebeurt het met mate. Khader Shkiraat, voormalig intifadah-activist uit Jeruzalem, zegt: “Ik zou best bij Har Homa in een tent willen slapen. Maar ik weet zeker dat ik de volgende ochtend wakker word, de radio aanzet en hoor dat Arafat een akkoord met Netanyahu heeft gesloten. Daar zit je dan in je tent. Arafat beslist, wij hebben nergens meer invloed op.”

Het alternatief is voor velen: de frustratie verbijten en omhoog zien te komen in het centrale gezag. Topposities verwerven, macht. Zelfs leiders van Hamas en de marxistische oppositie worden nu minister of directeur-generaal. Iedereen vecht met iedereen om rangen en standen. Hoe meer ministeries en overheidsinstellingen Arafat opzet, hoe harder de Palestijnen om zijn gunsten vechten. Die gunst krijg je niet als je hem niet gehoorzaamt. Laat staan als je je concurrenten (zoals vroeger) gewelddadig te lijf gaat. Leven na de intifadah vergt geen spierballen meer, of een grote bek. Het vergt listigheid, tact, gevoel voor wie je wanneer om moet kopen. Ofwel, zelfbeheersing.

Aymen, een heethoofd tijdens de intifadah, zit tijdens een demonstratie op het naburige Har Homa gewoon in zijn toerismekantoortje in Betlehem. Faisal Husseini, het hoofd van Arafats semi-officiële vertegenwoordiging, geeft in zijn tent op de berg vraaggesprekken aan de internationale pers. Aymen, wiens familie land bezat op die berg, is niet één keer naar boven geklommen de afgelopen weken. “De vorige intifadah heeft ons deze ranzige vrede gebracht”, zegt hij. “Dus waarom zou ik nog een keer mijn nek uitsteken? Ik verdien liever geld dit keer.”

Hij heeft nog een motief: de Palestijnse Autoriteiten zijn bezig festiviteiten te organiseren voor de viering van Jezus' 2000ste verjaardag. Alleen 'loyale' touroperators pikken mee uit de ruif. Politieke opponenten wordt, net als in het Palestijnse zakenleven, van hogerhand de voet dwars gezet. Aangezien Arafat alles doet om de optochten naar Har Homa kleinschalig te houden (de PLO-leider weigerde zelfs het lokale actiecomité te ontmoeten toen hij laatst in Betlehem was), vindt Aymen het verstandiger om niet te gaan. Veel van Aymens vrienden, die net als hij jaren in de Israelische gevangenis hebben doorgebracht, werken nu bij de Palestijnse politie of een van de geheime diensten. Anderen zijn in dienst bij een Palestijns ministerie. Zij maken stratenplannen, onderhandelen met donoren of zijn bezig de Palestijnen aan burgerplichten als belastingbetalen te herinneren. Zij raken hun nieuwe prestige kwijt als het vredesproces door gewelddadigheden in duigen valt.

Erfenissen

Om politieke redenen heeft Arafat de afgelopen drie jaar alles gedaan om het gros van de 'ridders' van weleer onder controle te krijgen. Dát element van de intifadah heeft hij vooralsnog min of meer bezworen. Maar de ironie wil dat hij dat alleen kon doen door de andere erfenissen van de intifadah intact te laten, of te respecteren. Zo is een heldenrol in de intifadah nog steeds de beste binnenkomer bij een sollicitatie. Dat de meeste intifadah-activisten bij de politie zijn ingelijfd, heeft een professionele 'plus': zij beschikken over een schat aan informatie en hebben status in de samenleving. Maar er zijn ook ministers benoemd omdat ze acht of tien jaar in de Israelische gevangenis hebben gezeten. Dat ze tandarts zijn, of frisdrankfabrikant, en geen benul hadden van de taak die hun wachtte, was (en is) van secundair belang.

Als een Palestijn zich aan een vreemdeling voorstelt begint hij, hoe groot zijn burgerlijk prestige nu ook is, vaak met zijn vorige functie: “Ik was een held tijdens de intifadah. Ik was een van de leiders van het Verenigde Commando.” Een anti-Israelische opstelling weet nog steeds mismanagement te vergoelijken. Zo kon de vorige minister van Telecommunicatie, een arts, de rekening aan de Israelische telefoonmaatschappij herhaaldelijk niet betalen. Daarop sloten de Israeliërs alle buitenlandlijnen uit Gaza af, en weigerden onderhoud te verrichten aan schakelkasten of kabels totdat de rekening (vele miljoenen shekels) was voldaan. Maar de minister zei dat hij de rekening niet betaalde omdat Israel geen onderhoud meer wilde verrichten. Het was een omdraaiing van zaken, maar zelfs de Palestijnen die hun rekening keurig hadden betaald, accepteerden dat excuus. Er was niemand die zei dat hij weigerde voor service te betalen die hij niet kreeg door een fout van de minister.

Uit recent onderzoek van de Mental Health Clinic in Gaza blijkt dat getraumatiseerde Palestijnse tieners die actief waren tijdens de intifadah, minder neuroses en andere stoornissen hebben dan getraumatiseerde tieners die zich afzijdig hielden. De psychiater die het onderzoek deed, verklaart dat uit het feit dat zij jaren 'voor de vlag' vochten, en dat die vlag naderhand ook gehesen werd. Ze fietsten ermee rond, marcheerden ermee op straat. Zij waren degenen die tien keer per dag het volkslied zongen toen het Oslo-akkoord getekend was. Deze Palestijnen, zegt hij, hebben het gevoel dat ze iets hebben bereikt. Die tieners zijn nu twintigers. Dat hun status nog steeds onaantastbaar is, zegt veel over de collectieve Palestijnse psyche.

Collaborateurs

Een ander residu in die psyche is dat veel Palestijnen niet willen dat de Palestijnse politie dieven arresteert, of islamitische activisten die zeggen dat ze joden willen doden. “Die mensen pakten de Israeliërs immers ook op”, zegt Khaled Abdel Hadi, winkelier in Nablus. Khaled is een fel tegenstander van Palestijnen die zichzelf in Israel opblazen. “Maar we hebben onze politie toch niet gekregen om ze hetzelfde te laten doen als de Israeliërs?” Khaled vindt dat de politie maar één ding moet doen: collaborateurs oppakken. Dat zijn mensen die met Israel samenwerken, die destijds zoveel intifadah-jongeren hebben verraden. Toen Khaled deze week hoorde dat het Israelische leger bij Hebron een Palestijn had doodgeschoten, werd hij woedend. Maar toen hij later vernam dat de vader van de dode een collaborateur is, haalde hij opgelucht adem. “Heel goed”, roept hij, “weer eentje minder!”

Volgens hem zijn er dertigduizend collaborateurs in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Dat stond onlangs in de krant Al-Quds ('Jeruzalem'). In de categorie 'collaborateurs' vallen volgens Khaled ook Palestijnse activisten voor de rechten van de mens die de martelingen in Arafats gevangenissen aan de kaak stellen. Tijdens de rellen in Betlehem, eerste paasdag, stond een 24-jarige veiligheidsagent een sigaret te roken. In de traangaswalm hield hij, met prikkende ogen, het groepje stenengooiers in de gaten. “Anders dan voorgaande dagen”, zei hij, “hebben wij geen orders vandaag om demonstranten te stoppen. Er is hier gisteren namelijk een dode gevallen. Doodgeschoten door de Israeliërs. Als we nu tegen Palestijnen optreden, keren zij zich tegen ons. Dan zijn wij weer gedwongen om ons tegen de Israeliërs te keren, om ons geweten te zuiveren tegenover het volk.”

Hij voelde zich in zijn hemd staan - een gezagsdrager die niet mag optreden, is toch een beetje een clown. Maar toen zei hij: “Die jongens verzetten zich tegen Israels bouwplannen op Har Homa. Ze hebben gelijk. De boosdoeners zijn ook niet de Israeliërs. Het zijn de collaborateurs. Palestijnen, die hun land aan joden hebben verkocht. Dat is verraad. Zij hebben het mogelijk gemaakt dat de joden op Har Homa gaan bouwen. Ik ben ervoor dat dat soort mensen vanaf nu keihard gestraft wordt.”

“Ophangen, dat tuig”, mompelde een collega naast hem.

“Rustig”, sprak een oudere agent, “laten we de Palestijnse eenheid bewaren. Liever een kameel in de tent die naar buiten piest, dan een kameel buiten die naar binnen piest.”

“Hou je mond”, zei nummer twee scherp. “Jij zat in Tunis de kogels te tellen die wij tijdens de intifadah in onze buik kregen. Je hebt geen idee hoe wij die verraders haten.”

“Heehee”, zegt de agent die uit Tunis was teruggekomen. “Jij was al die jaren in het moederland. Hoe lang duurde de intifadah? Vier, vijf jaar, habibi, schatje? Ik heb 27 jaar in ballingschap aan de Revolutie gewerkt.”

Een ander overblijfsel van de intifadah is de onwil om belasting te betalen. “Tien jaar heeft Arafat ons vanuit Tunis verteld dat we geen belasting aan de bezetter moeten betalen”, zegt een vermogende zakenman in Gaza, “en nu stuurt hij zelf inspecteurs op ons af. Net als de Israeliërs!” Hoewel Arafat zijn minister van Financiën heeft opgedragen om een systeem te ontwerpen dat zo min mogelijk op het Israelische lijkt, wordt inspecteurs vaak resoluut de deur gewezen. Spotjes op radio en tv, dat belasting betalen een nationale plicht is voor iedereen die een 'soeverein Palestijns Bestuur' wil, halen weinig uit. Toen de veiligheidsdienst enkele wanbetalers oppakte, ontstond er zoveel commotie, dat er van enige follow-up sindsdien geen sprake is. Zo'n 23 procent van het bruto nationaal produkt (BNP) wordt nu aan belasting opgehaald. Dat klinkt keurig. Maar doordat veel Palestijnen clandestien handel drijven en weigeren hun boeken te openen, is het echte BNP volgens ingewijden zeker twee keer zo hoog als het officiële BNP (3,5 miljard dollar over 1995). Dat de lijst van zwarthandelaars wordt aangevoerd door ministers, directeuren-generaal en goede vrienden van Arafat - die daar vaak geen geheim van maken - maakt andere Palestijnen extra onwillig om belasting te betalen.

Vuilniszakken

Wie deze verschijnselen met Palestijnse academici bespreekt, stuit op een barrage aan politieke verklaringen. “De bezetting is niet voorbij”, zegt Jamil Hilal, socioloog in Ramallah. “Israel bouwt nederzettingen, wurgt onze economie, judaïseert Jeruzalem, en dicteert welke Palestijn mag reizen en welke niet. Onder zoveel druk mag niemand van ons verwachten dat we van de ene dag op de andere onze houding veranderen.”

Op scholen krijgen probleemjongeren nu psychiatrische begeleiding. Nu de Europese Unie een huisvuilophaaldienst heeft opgezet, gooien mensen minder vuilniszakken over de muur. Maar dat misschien wel eenderde van de Palestijnen in gestolen auto's uit Israel rondrijdt, vinden velen normaal. Tot voor kort registreerden de Palestijnse autoriteiten die auto's officieel. Er is zelfs een apart, herkenbaar nummerbord voor: wit, met paarse cijfers. “Israel steelt ons land, wij stelen hun auto's”, zegt een hoge ambtenaar in Ramallah bij zijn Toyota Landcruiser met paars nummerbord. Nu geeft Israel de Palestijnse politie een bonus voor elke gestolen auto die zij terugbezorgt. De registratie is gestopt. Het aantal diefstallen daalt echter niet dramatisch. Dieven, voormalige intifadah-activisten, rijden de auto's nu regelrecht naar een Palestijnse sloper in Hebron of Kalkylia. Die verkoopt de onderdelen voor een habbekrats. Palestijnen, en ook Israeliërs, nemen die onderdelen tegenwoordig op bestelling af. Een vrouw in Hebron zegt: “Ik zei tegen de sloper: de motorkap van mijn Fiat 127 is verroest en ik heb een nieuwe versnellingspook nodig. Hij zei: ik kan een hele nieuwe motor voor je regelen. Twee dagen later belde hij: ik heb een rode Fiat 127. Kom kijken, en zeg wat je ervan nodig hebt.”

Buitenlandse en lokale consultants waarschuwen Arafats ministers dat dit laissez faire funest kan zijn voor de burgermaatschappij die hij wil vestigen. Het is aan dovemansoren gericht. “De ministers antwoorden in typisch Palestijnse stijl: een probleem in de toekomst is nu nog geen probleem”, zegt een consultant. “Arafat kent het groeiende ongenoegen van zijn volk. Hij is bang voor oppositie. Hij koopt zijn interne vijanden af met zakengunsten en hoge posities, en laat ze vervolgens hun gang gaan. Met bakshish (smeergeld), met donorgelden. Of door andere Palestijnen importlicenties af te pakken en zich die zelf toe te eigenen. De lagere echelons volgen het voorbeeld van de hooggeplaatsten.” Burgerlijke ongehoorzaamheid wordt dus meer dan ooit: aanbidding van de dollar. Cynisme viert hoogtij.

Nevel van hartstocht

Voor het oog van de wereld is het Midden-Oosten niet minder roerig dan anders. Bommen ontploffen, de ene politieke crisis volgt de andere op. De tv-camera's zoemen zo kundig op de rellen in, dat het lijkt alsof de massale revolte is uitgebroken. Maar vraag Palestijnen hoe het met ze gaat en ze zeggen: “Het leven is saai.” Zij missen de opwinding, de nevel van hartstocht die tijdens de intifadah om hun hoofden woei. Net als de Joegoslaven na de oorlog, zijn ze lusteloos geworden, letterlijk. Het leven is minder gewelddadig.

Tegelijkertijd is de intensiteit waarmee ze ook andere emoties en driften beleefden, op alle fronten gedempt. Ze lezen er nu over - in romans, poëzie, want non-fictie of kranten verdraagt haast niemand meer. De feesten die de elite in Gaza, bij gebrek aan publiek vertier, de afgelopen jaren thuis organiseerde, worden schaars. Er zijn altijd dezelfde mensen. Ze komen om te vergeten. Als ze drinken, hebben ze een sombere dronk.

“Iedereen is teruggeworpen op zichzelf”, zegt Ameni, een jonge vrouw in Hebron. “We zitten weer thuis naar elkaar te koekeloeren. God, wat mis ik de dagen waarin ik vier flessen parfum van mijn moeder stal en het vocht vanaf ons platte dak naar beneden goot, samen met uienschillen, om de shebab, de 'intifadah-jeugd', beneden tegen traangas te helpen beschermen.” Toen de rellen bij het checkpoint in Hebron twee weken geleden begonnen, rende Ameni in een reflex het huis uit, met een ui in haar tas. Ze ging niet naar haar werk. Ze belde haar baas niet - hij zou het immers begrijpen. “Het is net de intifadah”, riep ze, toen ze na afloop met de anderen zat te lunchen. Ze lachten, haalden alle grappen uit die dagen weer op. Grappen vol levenslust - niet de wrange grappen over Arafats impotentie die men elkaar de laatste tijd vertelde. Hamas, PFLP, Fatah, de ongebondenen - iedereen was weer één. Er zaten zelfs twee neven aan tafel wier vaders elkaar alleen nog in de rechtbank spreken, wegens een erfeniskwestie. De vader van de een was na vijftien jaar teruggekeerd uit Zuid-Amerika. Hij wilde een huis bouwen op zijn stuk van de grond die ze met zjn tweeën geërfd hadden. Maar de broer had beide delen voor zichzelf bebouwd. Ook in Hebron hebben advocaten hun handen vol aan landdisputen tussen mensen die terugkeren en de achtergebleven familie. Nu zaten de zoons van de twee kemphanen aan weerszijden van Ameni vrolijk kebab te eten.

Maar de clashes bleven kleinschalig. De politie hield mensen weg. Ameni ging na twee dagen weer aan het werk. In het weekeinde gaat ze nog weleens. Maar de spanning die ze zoekt, de romantiek, die ontbreekt. Als ze 's avonds naar de lokale televisie kijkt en zichzelf ziet - lachend tegenover de Israelische overmacht, de zwarte haren wild om haar hoofd dansend - krijgt ze dat oude gevoel van macht niet meer over zich. Het is weg, het gevoel dat je de wereld kon veranderen. Dat het uitmaakte wat je deed. Ze wordt er somber van. “Het lijkt wel alsof het strijdtoneel in ons hoofd is gaan zitten.”