Jean-Paul Kauffmann, gijzelaar en schrijver: 'De mens is zijn eigen beul'

De Fransman Jean-Paul Kauffmann werd 1178 dagen lang in Libanon gegijzeld. Alles in hem werd verwoest, sinsdien is hij die leegte weer aan het vullen. Verlaten en ledig reisde hij naar de Kerguelen-eilanden in het Antarctisch gebied, en naar het eiland Sint Helena. Daar werd Napoleon verslagen: door de tijd. 'Niets is veranderd, maar tegelijkertijd is alles anders.'

Boeken van Jean-Paul Kauffmann: 'Le Bordeaux retrouvé' (1989, niet in de handel verkrijgbaar); 'L'arche des Kerguelenz' (Flammarion, 1992); in 1994 bij Uitgeverij Atlas in het Nederlands verschenen onder de titel 'Kerguelen'; 'La chambre noire de Longwood' (La Table Ronde, 1997)

De dramatische wending in het leven van Jean-Paul Kauffmann zou waarschijnlijk nooit hebben plaats gehad als hij op 22 mei 1985 de bus niet had gemist. Op die bewuste woensdag arriveert hij als verslaggever van het Franse weekblad L'Événement du Jeudi op het vliegveld van Beiroet voor een reportage over een christelijke enclave in een door moslims beheerd gebied. Hij is van plan een week in Libanon te blijven en op tijd terug te zijn voor de verjaardag van zijn zoon.

De Parijse journalist wordt afgehaald door zijn vriend Michel Seurat, socioloog aan het Franse Instituut voor Hedendaagse Studies van het Midden-Oosten in Beiroet. In plaats van de bus nemen ze een taxi. Een paar minuten later blokkeert een witte Mercedes de weg. Kauffmann en Seurat worden gedwongen over te stappen, de ontvoerders schieten met hun kalasjnikovs in de lucht als ze wegrijden. De tocht eindigt in een ondergrondse parkeergarage. Het tweetal wordt geblinddoekt en vastgeketend aan de muur. Het is hun eerste dag als gijzelaar van de Islamitische Jihad, de militaire vleugel van de door Iran gesteunde Hezbollah. Michel Seurat zal in gevangenschap overlijden, Kauffmann zal pas 1178 dagen later weer op vrije voeten komen.

“Het was een tragedie, die mijn leven definitief gemarkeerd heeft”, zegt de 52-jarige Kauffmann anno 1997 in zijn Parijse woning. “Maar ik vind het moeilijk over mijn ervaringen te spreken. Het was zo zwaar, zo verschrikkelijk dat er geen woorden zijn om de werkelijke situatie te beschrijven. Je kan het natuurlijk proberen, maar er is een deel dat onbenoembaar is, niet-overdraagbaar. Slechts met de andere ex-gijzelaars kan ik erover praten. We zijn als inmates uit een werkkamp: zij zijn de enigen die weten wat ik weet; ik heb ze niet uitgekozen, maar ze zijn mijn bloedbroeders.”

Op twintig dagen na, zal Kauffmann drie jaar lang dag en nacht met één been en één arm vastgeketend blijven aan een hondenketting. In totaal wordt hij achttien keer overgeplaatst, waarbij zijn ontvoerders hem als een mummie in een stalen kist verpakken. Tijdens een van deze transporten is Kauffmanns lijkkist onder een auto bevestigd, zodat hij bijna stikt in de uitlaatgassen. Hij verblijft meestal in totaal geblindeerde of raamloze vertrekken, waar het in de Libanese zomers ondraaglijk heet is. Hij slaapt op een matras op de grond. Twee winters lang lijdt hij honger. De bewakers zitten altijd in een ander vertrek vlak in de buurt. Telkens als ze met hen in contact komen moeten de gijzelaars hun blinddoeken ombinden.

Soms beschikt Kauffmann over boeken. Hij leest 21 keer het tweede deel van Oorlog en Vrede en hij wordt naar eigen zeggen 'onverslaanbaar' in de bijbel. Maar het is de wijn die hem in leven houdt. Behalve journalist is hij in die tijd uitgever van het wijntijdschrift L'Amateur de Bordeaux. Terwijl zijn fundamentalistisch sj'itische bewakers hun gebeden prevelen, droomt Kauffmann van Bordeaux. Dagelijks repeteert hij de 'tabellen van de wet van Bordeaux', een uit 1885 daterende classificatie waarin de 61 chateaux in vijf groepen zijn verdeeld, gerangschikt naar prijs en kwaliteit. Kauffmann schrijft de namen op sigarettendoosjes, die hij iedere keer als hij wordt overgeplaatst, weer kwijtraakt. Uiteindelijk zal hem ook zijn potlood worden afgenomen. Eind 1986 begint hij enkele chateaux uit de vierde groep te vergeten, met name de Pouget en de Marquis-de-Terme. Later kan hij zich ook de vijfde groep niet meer exact voor de geest halen.

“Ik die de subtiele schaduwen van de wijnkelders zo liefhad, het welriekende vanille-aroma van nieuwe eiken vaten, zou drie jaar doorbrengen in een labyrint van donkere cellen, een onderaardse wereld van pijn en lijden, een universum uit de schilderijen van Piranesi”, zou hij later schrijven in Le Bordeaux retrouvé, een speciaal voor zijn vrienden geschreven boekje dat hij bewust nooit in de handel heeft laten brengen. “Nooit vergat ik de smaak van wijn, hoewel die niet meer dan een herinnering was, een vergankelijke sensatie. Ik voelde me als Proust zonder madeleine; mijn madeleine wás mijn geheugen. Hoe vaak bewandelde ik de wegen van de Médoc? Vastgeketend als ik was, bleef ik zwerven door de heerlijke heuvels van Entre-Deux-Mers. In gedachten zag ik de rijen platanen die naar het Chateau Margaux leiden, de bloemen van Giscours.”

Na verloop van tijd ontdekken Kauffmann en Seurat dat ze in het gezelschap verkeren van andere gijzelaars. Iedere ochtend moeten ze met hun blindddoek om naar het toilet, waarbij ze elkaar bij de schouders vasthouden. Zo ontmoet Kauffmann de Franse diplomaat Marcel Fontaine. Later zullen Kauffmann en Seurat samen met Fontaine en de Franse diplomaat Marcel Carton in één ruimte worden vastgehouden in, zoals Kauffmann het omschrijft, “onze broederschap van ellende”.

Soms horen de gijzelaars onbestemde kreten in de stilte: het geluid van martelingen. De bewakers - steeds weer anderen - doen alles om hen te demoraliseren. Ze beloven een spoedige vrijlating om daar nooit meer op terug te komen, op een dag voeren ze nep-executies uit. Over ieder privilege moet voortdurend opnieuw worden onderhandeld. Drie keer per maand krijgt Kauffmann een flesje Pepsi Cola, een drank die hij zijn kinderen altijd had verboden, maar die hij nu beschouwt als een hemelse gift. De bewakers nemen de gijzelaars alles af, zelfs hun voornamen: Kauffmann heet voortaan Labib, Fontaine Najib en Carton Habib.

De gijzelaars op hun beurt proberen elkaar te ondersteunen door eindeloze gesprekken te voeren, waarbij ieder zijn kennis op de anderen overdraagt. Kauffmann heeft het voornamelijk over literatuur en wijn, Seurat over Kant en Hegel. “We waren hongerig en dorstig, we hadden het koud of warm, maar nooit hielden we op over wijn te spreken”, schrijft Kauffmann. “Het was onze laatste band met de wereld van de levenden.” Uiteindelijk is Seurat te zwak om nog iets te zeggen, maar hij luistert tot het laatst toe naar de conversaties van zijn lotgenoten. De joods-Libanese arts Elie Hallat, zelf ook een gevangene, constateert kanker bij Kauffmanns vriend. Als Seurat alleen nog maar kronkelend van de pijn over de grond kan kruipen, halen de bewakers hem weg. Vier dagen lang horen de gijzelaars hem nog hoesten, daarna is het stil. Seurat is overleden. Dokter Hallat, vertellen de bewakers later, hebben ze geëxecuteerd.

Jean-Paul Kauffmann heeft soms de beschikking over een radio. Zo hoort hij de stem van zijn vrouw en weet hij dat de Franse regering alles in het werk stelt om hem vrij te krijgen. Hij wanhoopt niet. Maar tijdens zijn zoveelste overplaatsing wordt het hem bijna te veel. Op een verlaten steengroeve zit hij twaalf uur lang vast in zijn stalen lijkkist. Zijn bewakers lijken gevlucht en Kauffmann denkt langzaam te zullen sterven. Hij belooft God nooit meer een druppel wijn te zullen drinken, als hij het overleeft. “Maar is een leven zonder Bordeaux nog wel iets waard?” vraagt hij zich af en hij besluit zijn boetedoening te zullen beperken tot een onthouding van drie maanden.

“Khalas. Finished”, zegt een van de bewakers op woensdagochtend 4 mei 1988 tegen Kauffmann. “Wat bedoelt u?” vraagt hij. “Vrijheid”, luidt het antwoord. Kauffmann wordt in een auto kriskras door Beiroet gereden, waarbij de chauffeurs steeds wisselen. Uiteindelijk stopt de auto voor het Summerland Hotel in Beiroet. “Franse geheime dienst”, hoort Kauffmann iemand schreeuwen. “In Godsnaam, stap uit!!” Twee dagen later is Kauffmann terug in Frankrijk, vermagerd, getraumatiseerd en verblind door de zon. Sinds juli van het jaar ervoor had hij geen daglicht meer gezien.

Kauffmann houdt woord. Precies drie maanden na zijn vrijlating drinkt hij zijn eerste glas alcohol, geen wijn maar champagne: een Cristal Roederer 1977. Maar zijn smaakpapillen laten hem in de steek, hij proeft bijna niets. “Heb ik wijn te hoog ingeschat?” vraagt hij zich in Le Bordeaux retrouvé af. Wijn is wellicht niet meer dan “een ornament van de vrijheid”, constateert hij. Alleen, wat die vrijheid inhoudt, kan hij niet goed omschrijven.

Hij realiseert zich dat hij op alle vragen over zijn gijzeling “een soort minimum-programma” afdraait, waarbij hij steeds dezelfde antwoorden geeft. “De toekomst is het verleden”, schrijft hij. “Tenminste voor een ex-gijzelaar die denkt zijn manier van doen en zijn gewoontes van vroeger weer te kunnen hervatten.” Hij verwijst naar de Spaanse geleerde Luis de Léon die na een gevangenschap van tien jaar tijdens de Inquisitie, zijn colleges aan de Universiteit van Salamanca hervatte met de woorden: “Zoals ik gisteren zei...”. Niets is veranderd, stelt Kauffmann, maar tegelijkertijd is alles anders. Dat is de paradox waarmee een ex-gijzelaar moet leren leven.

Kauffmann heeft inmiddels zijn baan als verslaggever opgezegd. Hij is tegenwoordig directeur van het blad L'Amateur de cigare en auteur. “Vroeger was ik al aan boeken begonnen”, zegt hij, “maar dat was allemaal op niets uitgelopen. Nu realiseer ik me dat het merendeel van bestaande problemen in feite verzonnen is. De mens is zijn eigen beul.

“Door mijn ervaringen ben ik een overlevende geworden, iemand die aan een groot gevaar is ontsnapt. Daarom is iedere dag die verstrijkt een privilege, iets dat ik ergens heb gestolen, omdat ik eigenlijk moest sterven. Dat geeft een speciale waarde aan het leven. Wat eerst een beproeving was, beschouw ik nu als een hindernis die ik heb weten te nemen. Maar zonder twijfel had ik veel liever dit alles nooit meegemaakt en dan maar nooit boeken geschreven. Want de littekens van mijn gijzeling zijn gebleven. Niet alleen bij mij, maar ook bij mijn vrouw en twee zonen.”

Doelbewust heeft hij ervoor gekozen zijn ervaringen in Libanon slechts op indirecte wijze te beschrijven. Via de metafoor van de wijn in Le Bordeaux retrouvé, daarna in het verslag van zijn reis naar de in het zuidelijk deel van de Indische Oceaan op de drempel van Antarctica gelegen, totaal geïsoleerde Kerguelen-archipel. Kauffmann: “De Kerguelen bevinden zich in een extreem vijandige omgeving, het zijn de eilanden van de eenzaamheid. En dat zijn precies de begrippen die op mijn eigen situatie als gijzelaar betrekking hadden.”

Deze reis hielp hem, zoals hij schrijft, “de verwoesting die ik in mij draag te omsingelen”. Die verwoesting zegt hij nog steeds te ervaren. “Maar er is ook een aspect van onschuld. Het is als een schilderij van Giotto di Bondone, waarbij alles is afgestroopt tot een soort elementair blauw. Zo voelde ik me ook na mijn vrijlating: alles in mij was verwoest, maar dat was ook een voorrecht. Want er ontstond ruimte om wat vernietigd was weer aan te vullen.” Hij reisde naar de Kerguelen, zegt Kauffmann, om zich “verlaten en ledig” te voelen. “Ik wilde de eenzaamheid die ik als gevangene heb ondergaan opnieuw ervaren, maar dan op een andere wijze, als om er voor altijd mee af te rekenen. Psycho-analytisch gezien was het een symbolische en bijna rituele beproeving. Maar ik heb mijn reis onder de best denkbare omstandigheden gemaakt: ik ben er goed ontvangen en er was wijn.”

Kauffmann bezocht in zijn leven tientallen eilanden over de hele wereld. “Ik houd van eilanden omdat ze je toestaan afstand te nemen van de buitenwereld”, zegt hij. “Een eiland is ook het nergens. De nostalgie van het eiland is een illusie. Niet voor niets is Utopia van Thomas Moore een eiland! Uiteindelijk rest altijd slechts de teleurstelling: geen eiland ontkomt aan invloed van elders.”

Toch bestaan er volgens Kauffmann 'absolute eilanden', zoals de Kerguelen. “Die zijn zo woest, zo ver van alles verwijderd. Ik kreeg het gevoel de vijfde dag van de Schepping mee te maken en tegelijkertijd het einde van de wereld. Alsof er een nucleaire uitbarsting was geweest die alles had verwoest en waarna alleen de Kerguelen waren achtergebleven, woest, eenzaam en naakt. Nooit heb ik ergens het eilandgevoel zo sterk ondergaan als daar. Geen mens is ooit in staat geweest de Kerguelen te temmen. Nergens ter wereld stormt het harder.”

Dit jaar verscheen La chambre noire de Longwood, een reisbeschrijving over het eiland Sint Helena, maar vooral een indringende reconstructie van de vijfeneenhalf jaar die Napoleon Bonaparte er als gevangene tot zijn dood in 1821 doorbracht. “Wat mij interesseerde over zijn einde is de naakte man, de overwonnen man, de ontwapende man”, zegt Kauffmann. In niets heeft de gijzeling van Napoleon te maken met die van hemzelf, benadrukt hij. Zelfs hun wijnvoorkeur verschilt: Bourgogne tegenover Bordeaux.

Wel geeft Kauffmann toe dat hij zonder zijn eigen ervaringen in Libanon de gemoedstoestand van de verslagen keizer nooit zó had kunnen beschrijven. Achter het relaas van de ene gevangene schuilt het trauma van de ander. “Ik herken de stem die altijd huilt”, schrijft hij over Longwood, het complex in het midden van Sint Helena, waar Napoleon met zijn metgezellen en bediendes werd vastgehouden. Het is er permanent vochtig en het waait altijd. “Alleen gevangenen kunnen deze klaagzang herkennen. Het is de oneindige herhaling die door de kelderramen blaast en die huilt door de geblindeerde cel. Het is als het monotone gezang dat je hoort, geneuried in verlaten loodsen waarbij de weerklank van het plaatijzer de harmonie van het trieste recitatief vervormt.”

In de Parijse eetkamer van Jean-Paul Kauffmann hangt een portret van Napoleon die met zijn rechterhand in de verte wijst en daarnaast een foto van de schrijver zelf in precies dezelfde pose, met op de achtergrond een desolaat landschap. Op Sint Helena komen Kauffmanns behoefte aan afzondering en zijn pogingen zijn gijzeling te verwerken op een wonderlijke manier samen. Het in de Atlantische Oceaan tussen Angola en Brazilië verdwaalde Sint Helena is nauwelijks te bereiken - er is geen vliegveld en met de enige boot die het eiland enkele keren per jaar aandoet is het twee weken varen vanaf Cardiff - en het eiland heeft een traditie als gevangenis.

“Het geografische isolement accentueert de onbeweeglijkheid van de tijd”, stelt Kauffmann. “Er is iets dat Sint Helena onophoudelijk heeft afgeremd. De inwoners leven er met het gevoel gevangen te zijn op hun eigen eiland.” De eerste bewoner van Sint Helena was een gevangene van wie de vingers waren afgehakt en die op het afgelegen eiland door de Britten werd gedumpt. “Ik geloof dat de oorsprong van de stichting heel belangrijk is, omdat die alles bepaalt wat volgt.”

Het kenmerk van de gijzeling is het vermijden van het heden en het eindeloos herbeleven van het verleden, schrijft Kauffmann. Op Sint Helena deed Napoleon de slag bij Waterloo honderden keren over. “Hij vroeg zich steeds af: welke fout heb ik begaan? Waarom ben ik nu hier? In het begin dacht hij ook na of hij in staat zou zijn te ontsnappen. Op een bepaald moment raakt hij ervan overtuigd Sint Helena nooit meer levend te zullen verlaten. En de hoop is alles wat de gevangene rest. Als je die niet meer hebt, ben je eigenlijk al dood.”

De laatste levensjaren van Napoleon zijn nauwkeurig vastgelegd door zijn metgezellen - onder wie de generaals Bertrand, Montholon en Gourgaud - aan wie de keizer dagelijks zijn mémoires dicteerde. Kauffmann: “Caesar werd vermoord, Alexander de grote bezweek in een paar dagen aan de koorts, maar Napoleon moest eerst vijfeneenhalf jaar ballingschap doorstaan. Hij is de enige van dergelijke grote figuren uit de geschiedenis die de gelegenheid had zijn leven te reconstrueren, tot een geheel te maken, aan te passen aan de legende.” En dat resulteerde in een eindeloze reeks monologen over veldslagen die Napoleon tot vervelens toe herhaalt. “Waar het hem tijdens zijn gloriejaren aan ontbrak, zal hij tijdens zijn detentie in overvloed hebben: tijd. Napoleon is verslagen door de tijd.”

Kauffmann meent dat “het ontwijken van de kracht van de mateloze, grenzeloze tijd de ultieme beproeving voor iedere gevangene” vormt. “Lijden houdt je slechts bezig, maar de tijd onthult de waarheid in zijn meest pure staat. De eeuwigheid van het ogenblik, deze somberheid, dit soort herhaling geeft de gevangene het gevoel zich midden in een oceaan te bevinden en nooit vooruit te komen, onbeweeglijk te zijn. Dat is een kwelling.”

Kauffmann is gefascineerd door Longwood. “Ik zocht er het spoor, de afdruk. Longwood is voor mij een spookhuis. Plaatsen waar zich hele dramatische gebeurtenissen hebben afgespeeld, bewaren golven, er is iets met de luchtcirculatie. In Frankrijk zou Longwood al lang zijn verworden tot een door toeristen geruïneerd museum, maar door de geïsoleerde ligging van Sint Helena is het een roerloze ruimte gebleven, compleet intact. Je krijgt de indruk dat Napoleon even in de tuin is gaan wandelen en elk moment kan terugkeren.”

Kauffmann schrijft naar Sint Helena te zijn gereisd om “te voelen, op te snuiven, af te tasten”. Hij is een ruiker. “Voor mij is identificatie van geuren heel belangrijk”, zegt hij. “Reuk is het enige zintuig dat niet op school wordt onderwezen. Geur is taboe, het laatste spoor van onze dierlijkheid.” Om zich zo goed mogelijk in Napoleon te kunnen verplaatsen, laat Kauffmann op basis van het 180 jaar oude recept de uit citroen, cederappel, bergamot-olie en rozemarijn samengestelde eau de cologne van de keizer namaken om die in Napoleons badkamer uit te sprenkelen en langdurig op te snuiven. “Gevangenschap is allereerst een geur”, schrijft hij. Maar de meest bedwelmende lucht van Longwood is die van de verveling. “De wierookgeur van de melancholie, de muskusreuk van het pessimisme hebben zich in het interieur van het huis vastgezet.”

“Alle gevangenissen lijken op elkaar”, schrijft Kauffmann. “Ze zijn doordrenkt met een merkwaardige mengeling van bedomptheid, ranzigheid en uitzweten.” De geur tijdens zijn eigen gijzeling in Libanon omschrijft hij desgevraagd als “die van een ruimte waar de lucht zich nooit ververst, de stank van eenzame opsluiting”.

Sommigen beweren dat Napoleon is gedood door vergiftiging. Maar Kauffmann gelooft daar niets van. “Onvrijwillige ballingschap betekent afgesneden te zijn van de plaats waar je vandaan komt, van de lucht die je vertrouwd was. Balling zijn en tegelijkertijd gevangene is het ergste wat er is. Want het leidt tot melancholie en somberheid, tot gebrek aan zuurstof. Daaraan is Napoleon bezweken.”

Nooit zal Kauffmann terugkeren naar Sint Helena, de Kerguelen-eilanden of naar Libanon. “In de antieke mythologie, maar ook in de bijbel keert onophoudelijk de les terug om nooit hetzelfde te herhalen. Je moet de bladzijde omdraaien.” Maar, geeft hij toe, de sporen van zijn gijzeling zullen nooit geheel verdwijnen, niet bij hemzelf of zijn familie, ook niet bij de buitenwereld. “Drie jaar lang is mijn foto twee keer per dag op de tv getoond, voorafgaande aan het journaal. Ik heb nog altijd een groot stempel op mijn voorhoofd: 'ex-gijzelaar uit Libanon'. En dat zal ik altijd blijven.”