Geen wet voor vervolging van ambtenaren

DEN HAAG, 5 APRIL. Overheden die een strafbaar feit hebben begaan, zoals het storten van vervuild slib, moeten in de eerste plaats door de hen controlerende organen (gemeenteraad, provinciale staten) ter verantwoording worden geroepen. Pas als dit aantoonbaar gebrekkig gebeurt, kunnen zij strafrechtelijk worden vervolgd.

Dat standpunt neemt het kabinet in naar aanleiding van het Volkel-arrest (1994) en het Pikmeer-arrest (1996). De Hoge Raad bepaalde in deze arresten dat een overheid en haar dienaren bij het uitoefenen van hun taak niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd; zij handelen in het belang van de gemeenschap, aldus het hoogste rechtscollege.

De arresten brachten het kabinet in verlegenheid, omdat hierdoor de overheid anders wordt behandeld dan burgers en bedrijfsleven. Immers, die zouden worden beboet of gevangenisstraf krijgen, indien zij hetzelfde zouden doen als de ambtenaar die namens het Friese Boarnsterhiem vervuild slib in het Pikmeer liet storten. Volgens de Hoge Raad deed de ambtenaar dat ter vervulling van een overheidstaak.

Hoewel het kabinet onderkent dat dit rechtsongelijkheid impliceert, heeft het besloten te kiezen voor een prominente rol voor de politieke controle die “naar het oordeel van het kabinet in een democratische rechtsstaat de ruggengraat van het staatkundig systeem vormt”. Om gemeenteraden en provinciale staten daarbij te helpen, zal het openbaar ministerie in voorkomende gevallen informatie geven over opsporingsonderzoek tegen een overheid. Ook zal worden bekeken hoe het bestuurlijk toezicht kan worden verbeterd.

Tegelijk zal er wel degelijk strafrechtelijke vervolging moeten zijn “als het handelen van overheidsorganen redelijkerwijs niet meer tot de uitvoering van hun taken kan worden gerekend”. Bedoeling is dat door meer gerechtelijke uitspraken op dit gebied de grenzen van het strafrecht worden afgetast. Minister Sorgdrager (Justitie) heeft daarom het college van procureurs-generaal gevraagd met voorstellen voor mogelijke rechtzaken te komen. Pas als ook die geen zoden aan de dijk blijken te zetten, “zal wetswijziging worden overwogen”.

Het kabinet sprak gisteren in een verklaring van “een dilemma” waarvoor het zich geplaatst had gezien. “Aan de ene kant staan de gebondenheid van de overheid aan het recht en het gelijkheidsbeginsel [...]. Aan de andere kant staan de publieke taak en het daarmee verbonden vertrouwen, die in ons staatsbestel aan overheidsorganen zijn toegekend [...].”