Eeuwig kind; Over de historische kindercultuur bestaat een zwarte en een witte legende

Kinderen van alle tijden. Kindercultuur in de Nederlanden vanaf de middeleeuwen tot heden. Noordbrabants Museum, Verwersstraat 41 's-Hertogenbosch. Tot en met 6 juli. Openingstijden: di.t / m vrij.: 10.00-17.00, za. en zo.: 12.00-17.00. Toegang: ƒ 10,- (diverse kortingen). Catalogus ƒ 49,50. Speciale kindermiddagen, inl. 073-687.7800

Wezen en boefjes. Kinderhuizen in terugblik. Museum voor Moderne Kunst, Utrechtseweg 87 Arnhem. Tot en met 4 mei. Openingstijden: di.t / m za: 10.00-17.00, zon- en feestdagen: 11.00-17.00. Toegang: ƒ 5,- (diverse kortingen)

PRIMA JOJOOTJE, zo te zien, al is hij zes eeuwen oud. Vlakbij het speeldingetje uit de veertiende eeuw ligt een vrijwel identiek modern exemplaar in de vitrine. Verder zijn gelijkwaardige tollen uit vele eeuwen bijeengebracht. Ook daarin is niet veel veranderd. De boodschap van de tentoonstelling 'Kinderen van alle tijden' in het Noordbrabants Museum is duidelijk: kinderen zijn altijd kind geweest. Alles ligt door elkaar. Een leren kindermaskertje uit de veertiende eeuw vlakbij een moderne doos met overigens al weer wat roestig geworden meccano. Het meest universele kindergebaar 'van alle tijden' is wel het lelijke gezicht dat kinderen trekken door met de wijsvingers hun mond breed te trekken en hun tong uit te steken. Dit nog altijd gangbare sliepuit-gebaar was al gebruikelijk in de zestiende eeuw, zo blijkt uit een paar prenten en een schilderij.

Grootouders wijzen hun kleinkinderen aan wat zij zich nog uit hun eigen jeugd herinneren. Vrouwen met kinderen kijken naar levensechte schilderijen van liefhebbende moeders uit de Gouden Eeuw. Maar de meeste kinderen zijn niet weg te slaan van de aanwezige computers, vol spelletjes en educatieve software. Terwijl er toch genoeg te zien is: rammelaars in soorten en maten, leesplankjes, een diabolo, leesboekjes, een monopoliespel voor kinderen, een fluitje van een cent, een Vliegende Hollander, bolderkarren, wiegen, zuigflessen, prik- en zweeptollen, een toverlantaarn, kinderservies, een doosje om het helmvlies van een pasgeborene te bewaren, kindermodeprenten, poppenhuizen, looprekjes, schilderijen, prenten, schoentjes, kleren, een schoolbankje - en zelfs een dertiende-eeuwse baksteen met een toevallige afdruk van een kindervoet. En in een brief aan Sinterklaas uit 1773 valt te lezen dat een meisje deze 'Hoog eerwaarde heer' belooft om voortaan vroeger op te staan.

Kinderen waren in alle tijden zo ongeveer de zelfde kinderen als we nu kennen, suggereert de uitstalling. In de catalogus wordt echter met recht twijfel gezaaid over dit geruststellende gevoel van continuïteit. In de geschiedschrijving woedt sinds jaren een harde strijd tussen wat de Rotterdamse maatschappijhistoricus Rudolf Dekker, die ook een belangrijke bijdrage leverde aan de catalogus, een paar jaar geleden noemde de zwarte en de witte legende van het kind in het verleden.

Historisch onderzoek naar de kinderen in vroeger tijden wordt nog niet zo heel lang gedaan. Maar de eerste, sombere conclusies uit het eind van de jaren vijftig werden al snel gemeengoed: de kindertijd bestond niet vóór de achttiende eeuw. Zonen en dochters werden daarvóór schromelijk verwaarloosd. Seksueel misbruik, geweld, onverschilligheid en sterfte bepaalden eeuwenlang het lot van jonge mensen. En moederliefde is een uitvinding van de late achttiende eeuw, aldus een beroemde theorie van Franse sociologe Elisabeth Badinter uit 1980 - om over vaderliefde maar te zwijgen.

Badinters belangrijkste argument was dat voor circa 1800 moeders hun zuigelingen zo veel mogelijk uitbesteedden aan voedsters, met een hoge kans op sterfte en verwaarlozing. Het gebrek aan ouderliefde was op die manier volgens haar en vele anderen niet het gevolg, maar de óórzaak van de grote kindersterfte. Kleine kinderen werden vroeger eenvoudig als een soort lastig kleinvee beschouwd, aldus de Zwarte Legende, totdat ze een jaar of zeven waren, en als (zwakkere) volwassenen in het gewone leven mochten meedraaien.

Tegen deze voorstelling van zaken is een jaar of tien geleden een tegenbeweging ontstaan, van historici die juist de liefde van ouders voor hun kinderen in alle eeuwen benadrukken. Het negatieve beeld is nog steeds gangbaar in de sociale wetenschappen, maar de meeste vakhistorici zijn inmiddels aanhangers van de Witte Legende van de 'eeuwigdurende ouderliefde', zo constateert Dekker in zijn boek Uit de schaduw in 't grote licht. Kinderen in egodocumenten van de Gouden Eeuw tot de Romantiek (Wereldbibliotheek 1995).

Terwijl de opstelling van de tentoonstelling suggereert dat ook vroeger kinderen naar hartelust met knikkers en tollen speelden, schrijft Dekker in de catalagus dat er voor de achttiende eeuw nog geen scherpe scheiding bestond tussen kinderspelen en bezigheden voor volwassenen: 'er was één ongedeelde spelcultuur'. Misschien is die oude jojo dus wel nooit in kinderhanden geweest. Pas geleidelijk ontstond een scheidslijn tussen verschillende spelletjes, het eerst in de hogere klassen. In 1732 vertelt de letterkundige Justus van Effen in zijn Hollandsche Spectator dat hij en een paar vrienden tijdens een reisje boeren zagen knikkeren. Van Effen beschouwt het knikkeren al wel als een typisch kinderspel, maar hij en zijn vrienden wagen niettemin óók een spelletje.

Dekker wijst zowel de Witte als de Zwarte legende over het vroegere lot der kinderen af als ahistorisch en als te ideologisch bepaald. Hij bekent zich tot een soort genuanceerde zwarte legende: wel een grote verandering in culturele vormgeving van de ouderliefde achttiende eeuw, maar geen boosaardige verwaarlozing in de tijd daarvoor.

Omdat het inhuren van een voedster veel geld kostte is het juist eerder te beschouwen als een belangrijke investering in een zo onzeker bezit als een zuigeling, dan als een bewijs van verwaarlozing, aldus Dekker. De uitbesteding raakte in de achttiende eeuw in diskrediet door de groeiende nadruk op het intieme privé-leven en allerlei medische bezwaren.

Het christendom droeg er voor de achttiende eeuw sterk toe bij dat het verdriet om de dood van kinderen werd onderdrukt, want bij God in de hemel is het heel wat beter af dan op aarde. 'Wie jong stierf had minder gelegenheid tot zondigen', typeert Dekker de onverbiddelijke logica uit die tijd. Er zijn echter genoeg aanwijzingen dat ouders wel degelijk gehecht waren aan hun gestorven kinderen, alleen al de vele familieschilderijen waarbij ook de portretten van overleden kinderen zijn afgebeeld - meestal tegen een behoorlijke meerprijs. En bijvoorbeeld in 1664 dicteerde een analfabete vrouw uit Amsterdam een briefje aan haar man die matroos was waarin ze meldde dat hun zoon gestorven was, 'want zo ik nog aan hem gedenk, zo is of mijn hart in mijn lijf kapot [is]'. Bij de streng calvinistische synode van Dordrecht in 1618-1619 werd op het allerlaatste moment nog een passage aan de besluiten toegevoegd dat ouders ondanks het leerstuk van de erfzonde niet hoefden te twijfelen of hun jong overleden kinderen wel in de hemel zouden komen 'want hun ende kinderen is de belofte gedaan'.

De aandacht voor de eigenheid van de kindertijd nam tweehonderd jaar geleden toe doordat het mensbeeld als geheel veranderde, zo is de conclusie van Dekker. Voordien overheerste de gedachte dat de jeugdjaren slechts in geringe mate bepalend waren voor het karakter van de volwassene: de inborst ligt al bij de geboorte vast. Biografieën begonnen hun verhaal meestal rond het twintigste levensjaar. Volwassenen vergaten ook gemakkelijk belevenissen uit hun kindertijd, want “wie geen belang stelt in zijn jeugdjaren - en geen publiek vindt om verhalen daarover aan te horen - zal de details daarvan niet lang onthouden”, aldus Dekker.

Pas toen in de loop van de negentiende eeuw door industrialisatie en verstedelijking de wereld binnen een mensenleven duidelijk veranderde, groeide onder volwassenen de nostalgie naar de jeugdjaren. Daarmee nam ook de aandacht voor de eigenheid van het kind toe. De groei van het onderwijs en het verbod op kinderarbeid brachten kinderen - meestal gesorteerd op leeftijd - steeds meer bij elkaar, afgezonderd van de wereld der volwassenen. En voilà: het moderne kind als symbool van spontaniteit en natuurlijkheid is geboren.

Zoals de Britse sociaalhistoricus Hugh Cunningham schrijft in zijn onlangs in het Nederlands verschenen boek uit 1995 (Het kind in het westen. Vijf eeuwen geschiedenis, Van Gennep 1997): “De romantische opvatting over de kindertijd als een bijzondere periode in het leven is diep doorgedrongen in westerse maatschappijen.” Cunningham signaleert al weer een nieuwe omslag, doordat in de moderne onderhandelingssamenleving de mening van kinderen al vroeg serieus wordt genomen. Thuis en op school zijn kinderen daardoor onafhankelijker geworden en dus minder kind - hetgeen in strijd is met het circa 1800 ontstane ideaal van een aparte 'kinderwereld'. De kinderwereld en de volwassenenwereld overlappen steeds meer, maar een enorm verschil met vroeger tijden is natuurlijk wel dat de aandacht voor kinderen nu oneindig veel groter is - al was het wegens de grote koopkrachtige vraag die de jeugd tegenwoordig vormt.

In Den Bosch wordt in feite de Witte Legende over het kinderverleden uitgebeeld, zeker voor bezoekers die de catalogus niet lezen. De enig echt gruwelijke platen zijn foto's van kinderarbeid rond 1900. In de gelijktijdige tentoonstelling over kinderen in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem wordt vooral de Zwarte Legende uiteengezet. Maar het onderwerp van Wezen en boefjes. Kinderhuizen in terugblik leent zich er dan ook uitstekend voor. In een opengeslagen strafregister van een van de vele weeshuizen die Nederland vroeger kende, staat bijvoorbeeld te lezen dat in 1820 een jongen wegens mishandeling van een andere wees dertien weken 'aan het blok' werd gelegd. De blokken liggen er naast: zware metalen gewichten, waarmee een volwassen man zich al amper zal hebben kunnen voortbewegen. Een ander ging wegens dronkenschap twee maanden aan het blok, meldt het ordelijke register. Even verderop is het harde gezicht te zien van Evert Zoudenbalch, stichter van het Utrechtse weeshuis. Bij dit portret uit 1491 hebben de wezen eeuwenlang moeten bidden voor zijn zieleheil.

Veel kinderen in de weeshuizen waren vondelingen. Een mooi bewijs van vroegere harteloosheid van ouders, zou je dus zeggen. Maar in Arnhem zijn ook vondelingbriefjes te zien, uit de zestiende eeuw en later, met daarop de naam van de vondeling en soms andere mededelingen, waardoor de moeder haar kind eventueel later juist weer kon terugvinden. “Verzoeke dit kind Luthers te laten dopen met den naam van Gerrit, geboren den 18 july 1828 en dit papier te bewaren”, aldus een vondelingbriefje voorzien van een davidsster, die waarschijnlijk bedoeld is als geheim herkenningsteken. Op de tentoonstelling in Den Bosch waart de kindervriendelijke geest van Theo Thijssen rond, in Arnhem heerst de grauwe tragiek van Charles Dickens.