BIODIVERSITEIT (2)

Columniste mevrouw Louise Fresco schreef op 15 maart in de bijlage W&O onder de kop 'Biodiversiteit als religie' dat “de verscheidenheid aan plantensoorten in de loop van de geschiedenis voortdurend veranderd is”.

Dat is onjuist. Juist is dat onze kennis van die verscheidenheid is veranderd. Zij schrijft ten onrechte dat sinds 1920 in Nederland 150 nieuwe soorten zijn beschreven. Juist is dat er sindsdien 150 soorten zijn aangetroffen die voordien niet van Nederlandse bodem bekend waren. Zij las dat de KNAW in een rapport over het Nederlands beleid inzake biologische verzamelingen, schreef over het behoud van biologische diversiteit en suggereert dat dat zou gaan over aantallen (soorten). Dat is onjuist. Iedere bioloog, iedere natuurbeschermer, bijna iedere leek weet dat de natuur veranderlijk is. Elke goede omschrijving van het begrip biologische diversiteit noemt, naast de ruimtelijke dimensie van genen, soorten en ecosystemen, de tijdsdimensie van ontwikkeling, of evolutie. Het element stabiliteit, dat mevrouw Fresco verder nog noemt, komt er niet in voor. Verder vraagt zij zich af hoe het komt “dat Nederlanders er een zo geëxalteerd, ik zou bijna zeggen religieus beeld van biodiversiteit op nahouden”, daarmee de indruk wekkend dat de zorg om het behoud van biologische diversiteit in Nederland haar overdreven voorkomt. In oktober vorig jaar vergaderde de Species Survival Commission van de World Conservation Union (IUCN) in Montreal en presenteerde de nieuwe Rode Lijst van bedreigde soorten. Wereldwijd wordt 25 procent van alle zoogdiersoorten nu als bedreigd beschouwd, en 11 procent van alle vogelsoorten. Bepaald geen exclusief Nederlandse preoccupaties. Wie zou vinden dat het typisch Nederlands is om ethische overwegingen in het geding te brengen als het gaat om (het behoud van) natuur en biologische diversiteit, zou het Wereldhandvest voor de Natuur (Verenigde Naties, 1982) eens moeten opslaan, of het Verdrag inzake biologische diversiteit (1992). Mevrouw Fresco noemt de oude eilandtheorie van MacArthur & Wilson (1967) over het verband tussen verlies aan habitat en verlies aan soorten (90 procent habitatverlies geeft 50 procent soortenverlies). Er is intussen over deze theorie veel gediscussieerd, ook in de literatuur. Dezelfde Edward O. Wilson betoogde in 1984 overigens dat 'onze natuurlijke affiniteit met het leven juist de essentie is van ons menszijn en ons met alle andere levende soorten verbindt” en redigeerde in 1988 het spraakmakende boek 'Biodiversity'. Intussen suggereert mevrouw Fresco dat natuurbeschermers 'intuïtief' een evenredige verhouding veronderstellen: 50 procent habitatverlies geeft 50 procent soortenverlies. Voorzover ik natuurbeschermers ken, is die suggestie onjuist. En voor wat er verdwijnt, aldus mevrouw Fresco, komen oude en nieuwe flora (en fauna, neem ik aan) of, “nieuwe en bestaande soorten”, in de plaats. Als ze daarmee doelt op onder meer de introductie van exotische soorten, is dat juist: na de vernietiging van leefgebieden wordt die - bijna ongebreidelde - introductie wereldwijd gezien als de ernstigste bedreiging van soorten. De mens hoeft niet die nieuwe ramp te zijn waar mevrouw Fresco het over heeft. De mens beschikt over de rede. Hij kan de boel kapot maken (en zal nooit meemaken dat de biologische diversiteit weer snel toeneemt), maar hij kan ook tijdens zijn bestaan zijn best doen respect te hebben voor de natuur. De drijvende kracht in onze maatschappij is 'de economie', het kortetermijndenken is troef. De natuur kan zich niet verweren, de natuur kan niet lobbyen. Het voortbestaan van een gevarieerde natuur is in het belang van zeer veel, zo niet alle mensen, ook al beseffen zij dat niet allemaal. Als er de laatste honderd jaar niet mensen waren geweest die voor de natuur opkwamen, was Nederland al veel meer kaalgeslagen dan het nu is.