Waar is het voor?

De ijzerhandel, schreef Montag niet lang geleden, heeft een ander aanzien gekregen: weinig echt gereedschap maar veel 'powertools'; geen spijkers meer per ons, maar alleen nog 'voorgebakken in een plastic doosje dat weer op een stuk karton gelast zit'.

Wat is de bron van de onlust die hierdoor wordt opgeroepen? Bij Montag is het beeld culinair, maar er zijn ook andere analogieën mogelijk. Niet aan een gerecht doen mij die spijkers in de eerste plaats denken, maar aan geneesmiddelen, of aan parfum, zijnde het meest extreme voorbeeld van een substantie in luxe verpakking die verkocht wordt voor een veelvoud van de prijs. Drieduizend procent winst is in die branche het minimum, zo las ik laatst, en derhalve bestaat de kunst niet alleen uit verpakken maar ook uit verhinderen dat iemand het goedkoper op de markt brengt. Een bergkristallen doosje, voor zeventien gulden vijftig, dat niet misstaan zou in een boudoir, met daarin zes spijkers. En dat is nog genereus, voor Christus was drie al voldoende.

Geen wonder dat de gereedschapswinkel, zoals Montag schrijft, 'een ander aanzien heeft gekregen'. Het hoogste ideaal is vermoedelijk de apotheek, zodat je ook nog een half uur moet wachten terwijl zo'n garnaaltje in een witte jas die spijkers weer uit de oorspronkelijke verpakking haalt en in een doosje doet, voorzien van een geduldig met één vinger getypt etiket.

Van ijzerhandel naar gereedschapsboetiek. 'Vroeger was zo'n winkel ogenschijnlijk een chaos die beheerd werd door een eenvoudiger soort dokters in een stofjas. Wilde je iets kopen dan leunden ze vertrouwelijk over de toonbank, vroegen waar je het voor nodig had - je moest als het ware A zeggen - en dan gaven ze je goede raad waardoor je met iets anders naar huis ging.'

Ook dat beeld is voor mij al niet opwekkend. Die vraag waar je het voor nodig had, dat was mij al vroeg een schrikbeeld. Al vanaf de tijd dat je nog voor een appel en een ei allerlei antieke machines kon kopen die nu een vermogen zouden kosten, van stoom-, schrijf- en naaimachines tot automobielen. Daar was dan wel vaak iets aan kapot, meestal een kleinigheid die met een beetje inventiviteit vervangen kon worden - bijvoorbeeld, ik noem maar wat, een vroege naaimachine, waarvan de naald gebroken was. Niet erg, er bestaan machinenaalden van zoveel verschillende vormen en afmetingen dat een vervanging geen problemen oplevert - op voorwaarde dat je in de laden mocht kijken en vergelijken.

Maar dat was het zwakke punt, die gelegenheid kreeg je niet. Je stond in de naaimachinewinkel en dan kwam die gevreesde vraag: waar is het voor? - C'est pour quoi faire? (dit speelde in Frankrijk), of in dit geval: C'est pour quelle machine, voor welk merk?' Als je daar op antwoordde: Voor een Thimmonier 1831, was je verloren. Het antwoord luidde dan: On n'a pas ça, en dan was je beurt voorbij. Ik herinner me een winkel in de rue de Rennes waar een meubel stond zo groot als een piano, helemaal bestaande uit kleine laadjes met machinenaalden van de meest uiteenlopende formaten - maar achter de toonbank en onbereikbaar. Welk merk? Een onbekend merk, mag ik niet zelf even kijken? Faut savoir ce qu'on veut! Maar ik weet heel goed wat ik wil, hier heb ik de maten. De maten? Nee, daar kunnen we niet aan beginnen.

Voor antieke auto's was het nog erger. Soms wist je, ik noem maar weer wat, dat de fuseepennen van een moderne Renault Juvaquatre pasten in de vooras van een Bugatti type 37 uit 1929; zulke inlichtingen circuleerden in de wereld van vintage-liefhebbers en waren goud waard, want op goed geluk vergelijken in de magazijnen, daar kreeg je de gelegenheid niet voor.

De ontwikkeling die Montag beschrijft heeft zich in de meeste andere winkels al eerder voorgedaan. In het kruidenierswezen, grondstoffen als meel, suiker, koffie, krenten: die lagen in vakjes waar ze met een halfcylindrische lepel uit werden geschept. In Frankrijk kon je tot in de jaren zestig bij de marchand de couleurs nog kleurstoffen kopen en zelf aanlengen met lijm. Van grondstof naar verpakt merkartikel. Schroefjes, tien in een plastic doosje. Batterijtjes in plastic verpakking (waarom?), altijd per twee of vier, zodat je gedwongen bent er een te veel te kopen als je er één of drie nodig hebt.

Er wordt vaak gezegd dat het in onze vrije economieën de vraag is die het aanbod bepaalt. Dat is het voordeel van ons systeem: is ergens behoefte aan, dan verschijnt het ook op de markt. In feite is het natuurlijk bijna omgekeerd, goed voor de fabrikant maar niet voor de gebruiker. Een van de factoren die deze situatie in stand helpt te houden is het bijna volledig ontbreken van middelen voor de consumenten om hun verlangens kenbaar te maken aan de producent. Een microscopisch maar evocatief voorbeeld is wat mij overkwam toen ik bij een paar bakkerijen informeerde naar beschuitbollen. Die hadden ze niet. Vreemd, zei de bakker in een van die winkels, U bent deze week al zeker de vijfde of zesde die daar naar vraagt. Maar beschuitbollen verkopen wij niet meer.

Waarom niet? zo wilde ik weten.

Ach meneer, zei de bakker, daar is totaal geen vraag naar.