Rembrandts beerput

Ternauwernood is het rumoer verstomd om het 'kasteel van de heren van Amstel', dat geen kasteel bleek, of er is opnieuw opwinding over een Amsterdamse bodemvondst. Dit keer zijn er stenen knikkers opgegraven, scherven van een kinderserviesje, een kinderzoutpotje, een schotel en nog wat resten van huisraad - en weer dreigt de emotie het van de rede te winnen.

Want de knikkers en de potten kwamen niet zomaar uit de grond, maar uit de voormalige beerput achter het Rembrandthuis. De beerput van Rembrandt! Dan moeten de in de zeventiende eeuw gedateerde scherven wel haast van onze nationale trots zijn geweest, die er van 1639 tot 1658 woonde. Nog voor het onderzoek is afgerond lijkt de mythe al geboren. 'Vondsten werpen licht op dagelijks leven Rembrandt' valt er te lezen, en: 'Kroon op 25-jarige carrière van de stadsarcheoloog'.

Wie na lezing van de berichten wegmijmert, ziet de kleine Cornelia van Rijn spelen met haar serviesje en zoutpotje. Daar komt Titus met z'n ellendige stenen knikkers: geluid van brekend aardewerk en kindergeschrei. Moeder (en Titus' stiefmoeder) Hendrickje komt naar buiten gestormd en smijt de scherven in de beerput, knikkers erachteraan. Achter het raam kijkt de grote meester verstoord naar het rumoer, met in de hand de pot met lijm en krijt die 340 jaar later samen met de scherven en de knikkers de kroon op het levenswerk van stadsarcheoloog Jan Baart zal vormen.

De vondst is ongetwijfeld belangwekkend. Maar of de gevonden voorwerpen echt van de familie Van Rijn zijn geweest, is nog niet bewezen. Rembrandt (1606-1669) woonde van 1639 tot 1658 in het huis aan de Jodenbreestraat. Zijn zoon Titus werd in 1641 geboren uit zijn huwelijk met Saskia van Uylenburch. Cornelia werd in 1654 geboren, en was de dochter van Hendrickje Stoffels, met wie Rembrandt toen samenleefde. Het valt aan te nemen dat ook voor en na de familie Van Rijn mensen in het huis hebben geleefd. Die hebben mogelijk ook kinderen gehad die met knikkers speelden en serviesjes kapot maakten. Serviesjes gaan bovendien vaak generaties mee.

Volgens Baart bevatte de afvalput verschillende lagen, waaronder een laag met vondsten die zouden dateren uit ongeveer het midden van der zeventiende eeuw, de tijd dus waarin ook Rembrandt er woonde. Baart houdt deze keer overigens een slag om de arm, anders dan bij de vondst van het 'kasteel' waarbij hij meteen maar de Amsterdamse historie met honderd jaar verlengde. Later moest hij toegeven dat hij voorbarig was geweest. Nu is hij voorzichtiger, maar zijn dienst weet al wel in een persbericht met stelligheid te beweren dat een uit de beerput opgedoken bierkan uit Duitsland 'zijn (Rembrandts, red.) interieur heeft gesierd, zoals dat gebruikelijk was bij de meer welgestelden'. De toon is dus gezet en het is geen wonder als de media op hol slaan.

Voor de stadsarcheoloog is dat waarschijnlijk een niet onplezierige bijkomstigheid. De gemeentelijke archeologische afdeling moet het doen met slechts drie vaste medewerkers. Weinig voor een grote stad als Amsterdam, waar nog veel belangwekkends onder de grond moet liggen. Waarschijnlijk mede door tijdsdruk en personeelsgebrek komt de stadsarcheoloog, tot verdriet van geïnteresseerde wetenschappers, achteraf dan ook zelden tot uitgebreide publicaties over zijn vondsten. Het graafwerk is bovendien vaak afhankelijk van de bereidwilligheid van ambtenaren, of van lokale politici die tijd en geld ter beschikking moeten stellen. Een steuntje in de rug in de vorm van wat opgeklopte publiciteit in de media kan in zo'n geval geen kwaad, dat is ook gebleken bij 'het kasteel'. Zo helpt, kun je zeggen, de blinde de lamme.