Nieuwe bundel brieven van Reve; Vosch is de Weg, de Waarheid en het Leven

Gerard Reve: Brieven aan Matroos Vosch. 1975-1992. L.J. Veen, 366 blz. ƒ 39,90 /ƒ 55,- (geb).

In de vroege jaren zestig, tobbend over het probleem: Alleen of toch weer eens een Nieuwe Vriend, heeft Gerard Reve ooit zijn liefdeswensen opgesomd. 'Mijn eventuele Nieuwe Vriend moet in elk geval flink pervers zijn', heet het in de Brieven aan Wimie, 'en dronken kunnen worden alleen al van seksuele ideeën en voorstellingen, kunnen genieten van ontrouw en wreedheid, het genot van de partner, etc. (-) Hij moet iets van de kunstenaar, mysticus, overgevoelig esteet en lustmoordenaar in zich hebben, alles nog gestileerd door humor.'

Het was meer dan een verlanglijstje, het was een crisispakket. Al vijftien jaar mocht hij zich schrijver noemen, sinds De avonden, maar een boek dat zijn bestaan rechtvaardigde, had hij naar zijn gevoel nog altijd niet geschreven. Hij liep naar de veertig en liep vast. Hij werd gekweld door angsten, twijfels en gedachten aan de dood, en bij dat alles door de drank, die ondanks dagelijks grootgebruik het onbehagen niet wist weg te spoelen. Alles leek hem even leeg en zinloos, op z'n minst onpeilbaar, een mysterie, en in de diepten van de wanhoop zocht hij het ten slotte in den hoge. Er moest een God zijn die dit alles wilde. God had deze duisternis geschapen, maar Hij had er ook een licht in aangebracht. Hij had er een verborgen zin en samenhang aan meegegeven, in de vorm van de Liefde, en een schaduw van die Liefde vond men onder de mensen. Waar de Liefde woonde, week de chaos van de wereld, voor zolang het duurde, en het vinden van een Nieuwe Vriend was daarom hoogst spoedeisend. Een Vriend als afgezant van de Verlosser.

Maar kom daar maar eens om. In de loop van de jaren zestig bouwde hij zijn gedachten over God en Liefde uit en kreeg als schrijver weer de geest. Hij kwam met Op weg naar het einde, Nader tot u en De taal der liefde, en omschreef met groeiende precisie hoe en wat zijn Nieuwe Vriend zou moeten zijn. Maar de praktijk bleef nogal achter. Wimie, Tijger en Jakhals, al dan niet vergezeld van een Woelrat of een Loodgietend Prijsdier, ze kwamen en ze gingen weer, en in de jaren zeventig sloeg wederom de wanhoop toe. Alleen, nog steeds alleen. Zou hij zijn liefdesvriend ooit vinden?

Het is de moeite waard die jarenlange zoektocht in zijn treurnis tot je door te laten dringen voor je aan de nieuwe Brieven aan Matroos Vosch 1975-1992 begint, want dan pas krijg je oog voor het mirakel van dit boek. De Vosch die hier wordt aangeschreven, is niet de zoveelste liefde uit dat rijtje bijnamen, het is de liefde die gebleven is. Het is de eerste en de laatste, tot op de dag van vandaag, en het opmerkelijke is dat Reve vrijwel ogenblikkelijk beseft heeft dat hij dit keer beet had. 'We moeten maar bij elkaar blijven', zegt meteen de derde brief. 'We moeten allemaal sterven, en wij beiden moeten maar tot de dood bij elkaar blijven. Ik heb je nogal afgeweerd en op een afstand gehouden, in het begin, maar dat wil ik nu niet meer. Ik was toen erg moede van alles, en van het eindeloos herhaalde verdriet dat ik met Jongens had. Als jij mij wilt, dan zal ik voortaan de jouwe zijn: mijn huis, mijn bed, mijn bankrekening, alles voor Liefdesslaafje Vos.'

Alles voor Matroosje Vosch, hij zegt het daarna keer op keer. Vosch is de Weg, de Waarheid en het Leven, en het is daarom een beetje sullig dat in de bundel nergens wordt uitlegd wie die man mag zijn. Wel 282 noten achterin over kleinigheden, als altijd van Nop Maas, maar niets van een verantwoording of inleiding. Waarom niet? Uit de brieven leer je weliswaar vanzelf wel dat Vosch voor anderen Joop Schafthuizen heet en een generatie jonger is dan de schrijver: zo'n vijfentwintig jaar. Je hoort dat hij moderne schilderkunst maakt, wat bij Reve op de een of andere manier nooit als een aanbeveling klinkt, en dat hij in de dagelijkse dingen energiek en praktisch is, wat wel weer als een aanbeveling klinkt. Maar echt verrast word je pas als je daarbij weet wat in de Brieven aan Josine M. staat: 'Hij heeft alleen lagere school en kan amper schrijven.' Of in de Brieven aan Simon C.: 'Hij is volstrekt ongeletterd, bijna een analfabeet.'

Een Volksschrijver die een liefde uit het volk vindt die niet blijkt te lezen. Wat is dit voor verhouding?

Misschien is dat geen vraag die je een literair boek hoort te stellen, maar misschien is dit boek ook wel niet zo literair. Reve past zich in zijn brieven altijd aan het niveau aan dat hij de adressant toedicht, en dat betekent hier dat hij vooral niet moeilijk doet. Hij worstelt niet met angsten, vraagt niet naar de Laatste Dingen en roept zelfs de Moeder Gods niet aan. Evenmin heeft hij het over kunst, al helemaal niet over die van zijn Matroos, en literatuur noemt hij alleen terloops. Een sneer naar Rudy Kousbroek of Renate Rubinstein, een boutade over de impasses in zijn eigen werk, en dat is dat. 'Ik ben van plan morgen maar weder eens de pen op papier te zetten', meldt hij op typerende toon. 'Wat heeft het anders voor nut, dat ik een genie ben?'

Die afwezigheid van overpeinzingen laat alle ruimte voor de Liefde in praktijk, zou je zeggen, en daar ziet het de eerste jaren ook naar uit. Vosch mag zich sieren met de mooiste eretitels, van 'lief zacht penseelkonijn' en 'fijn liefstaanbeden zeevaartdier' tot 'jongensbetoverende wentelvosch'. Hij wordt aangespoord tot overspeligheid met jongetjes in strakfluwelen broek, want alles voor Matroos, en tegelijk wordt hij gemaand tot onderwerping, want hij mag weer niet vergeten wie zijn Man intussen is. Hij wordt per post verafgood en vernederd, om en om, geheel in lijn met het revisme, en de schrijver laat niet onvermeld hoe hij daar boven het papier ontuchtig van geniet. 'Nu maar posten, deze brief, anders komen er vlekken op.'

Maar zelfs in die wittebroodstijd zie je de aandacht in de brieven langzaamaan al verschuiven naar keurig huiselijke bezigheden. Er worden boodschappen gedaan. Er worden wasjes in de week gezet. Er wordt gestoft, geboend, gekookt, en bovenal: er wordt gebouwd. Het jaar van de eerste brief, 1975, is ook het jaar van Reves verhuizing naar zijn Geheime Landgoed in het Franse zuiden, en het lijkt erop dat de verbouwing daar tot aan de laatste brief, 1992, heeft geduurd. Waarom is een raadsel, bij nader inzien gaat het hier om een eenvoudig hoekhuis aan een straat, voorheen een slagerswinkeltje, maar zeventien jaar lang kan er geen brief de deur uit zonder nieuws over de vorderingen. Hakken, breken, metselen en timmeren, dat is de kern der dingen hier, en op den duur ontkom je moeilijk aan de indruk dat dat ook de kern is van het leven dat de heren delen. Niet de Liefde, maar een huis.

Dat is geen razend spannende lectuur, over een lengte van zo'n driehonderdzestig bladzijden. Het is als met de Berichten voor Land- en Tuinbouw: boeiend, nuttig, maar dan toch voor mensen uit de land- en tuinbouw. Wat moet je met verbouwingsnieuws zolang je zelf geen plannen in die richting hebt? Het voegt geen letter toe aan Reves thematiek of wereldbeeld of wat dan ook, het laat voornamelijk zien dat de schrijver ook maar een mens is en dus ook ergens moet wonen.

Toch ontdek je hier wel degelijk iets intrigerends, als je reviaan genoeg bent om te zoeken. Je ziet Reve eindelijk de jongen vinden die bij zijn verlangens past, en prompt verdwijnen die verlangens uit zijn woorden. Wat voor de Liefde overblijft zijn terugkerende formuleringen, vaste frasen over misdienaartjes, liefdeskooien en zo verder. Opgebruikte fantasieën zijn het, met bekende grapjes, en je kunt daarin herkennen wat een paar jaar later ook in Reves fictie gaat opvallen. De vormen blijven, maar de geest vervliegt. Je komt met andere woorden bij de bron van een centraal probleem in Reves werk: wat ging er in de late jaren zeventig mis?

Om te beginnen zou je oneerbiedig kunnen denken dat de meester in die tijd een beetje oud begon te worden. Te oud wellicht voor een vernieuwing in zijn werk, na produktieve jaren, en misschien ook wel wat oud voor zijn soort Liefde. Hij was in de vijftig, en al vuurde hij zijn liefdeswapen nog een keer of acht per dag 'naar de eeuwigheid' af, de hartstocht laaide toch wat minder hoog dan vroeger. Maar het zou ook zo kunnen zijn dat de Liefde, eindelijk eens goed in praktijk gebracht, een tekortkoming liet zien die er in theorie van meet af aan in verborgen had gezeten. Een weeffout, als het ware, in de opzet.

'Ik kan ten opzichte van jou alleen de gevoelens en de voorstellingen hebben die ik heb, en geen andere', zo heet het al in 1963 in een brief aan Wimie. 'Mijn aantrekking tot jou berust op die gevoelens en die voorstellingen, waarbij het volstrekt irrelevant is of ze betrekking hebben op een tastbare, objectieve, bewijsbare feitelijkheid, of niet. Ze zijn re-eel, die voorstellingen, voor zover ze in mij bestaan.'

Dat is nogal een ketterse gedachte in de liefde, want ze impliceert dat de geliefde niet veel meer is dan een aanleiding, een stimulans voor de verbeelding. De geliefde moet aanvaarden dat hij wordt getransformeerd tot een figuur waar hij zichzelf misschien totaal niet meer in herkent. Hij moet dus eigenlijk bereid zijn zich niet te veel te laten zien, want anders staat hij toch maar in de weg. Maar waartoe dan nog een verhouding? Wimie tekende protest aan, getuige Reves brieven, en het is geen wonder dat het ook met andere Jongens tobben bleef. De Liefde sluit de werkelijkheid uit.

Tenminste, tot de komst van Vosch, want dan voltrekt zich het mirakel. In de Brieven aan Matroos Vosch merk je dat ook hij zo nu en dan in opstand komt tegen het beeld dat Reve van hem ophangt. Hij krijgt last van schuldgevoel bij overspelige scènes, zelfs als Reve hem daar juist toe aanzet, en ook verder heeft hij moeite met de fantasieën van zijn wederhelft. Maar die zet door. 'Je moet mij geloof ik nemen zoals ik ben', zo klinkt het tautologisch, en al zijn er hooglopende schreeuwruzies, je merkt dat Vosch zich in het onvermijdelijke leert te schikken. Hij strubbelt, maar hij blijft, en Reve vindt misschien wel voor het eerst in zijn leven het beste uit twee werelden. Een liefde in de werkelijkheid die tegelijk een Liefde is in de verbeelding. Er moet een God zijn.

Maar als je nog eens goed kijkt, valt er wel wat af te dingen op die glorie. Min of meer in ruil voor Vosch' inschikkelijkheid, schikt Reve zich op andere terreinen. Vosch krijgt net als hij zijn eigen territorium, zijn eigen jurisdictie, en de grenzen worden op den duur nauwkeurig afgebakend. 'Gelijk heb ik altijd in zaken van Godsdienst, Wijsgeerde en Troep', stelt Reve met een drieslag die iets als Geestelijk Leven betekent, 'maar in meer ook niet. Jij hebt altijd gelijk in zaken van Volksgezondheid, Branderig en Niet Branderig Voedsel, Geld, Kleding, Beeldende Kunst, Beroepsamusement, Woninginrichting, het Juiste Soort Dranken, en welke boeken wel of niet geschikt voor mij zijn om te lezen.'

Wat je hier ziet, is een werkelijkheid die niet zozeer gedeeld wordt, alswel opgedeeld. ('We zullen nooit meer ruzie maken', oppert Reve op een keer. 'Als jij iets zegt en ik ben het niet met je eens, dan mag je natuurlijk ruzie maken, maar als jij iets zegt en ik ben het geheel met je eens, dan moet je geen ruzie met me maken.') Je ziet mannen die agree to disagree en minder en minder met elkaar te maken krijgen, maar blijkbaar toch niet willen scheiden. Met elkaar of zonder, het is allebei ondoenlijk, en de tussenweg is dat ze proberen elkaar vrij te laten en toch aan te vullen. Ze verlenen elkaar diensten, als een wederzijds facilitair bedrijf.

Dat betekent een ingrijpende verandering in Reves leven, blijkt gaandeweg. Vosch valt hem niet meer lastig over zijn verhitte fantasie en ook de buitenwereld valt hem niet meer lastig, want die wordt zo'n beetje het terrein van Vosch. Financiën, contracten, uitgevers en publiciteit, hij heeft er geen omkijken meer naar. De werkelijkheid mag zinloos en onpeilbaar zijn, een wanorde, het is zijn afdeling niet meer. De spanning die hij met de wereld voelt, zakt weg en eindelijk kan hij het leven aanzien met een zekere rust. Hij kan zich terugtrekken in zijn huis en in zijn hoofd, hij kan zich uitleven op zijn hersenspinsels. Hij kan aan het werk, kortom.

Maar daar zit hem vervolgens net de kneep. Die spanning met de wereld, dat is wat zijn werk tot dan toe juist zo aangrijpend maakte. In Nader tot U en Op weg naar het einde zie je een man die uit alle macht een orde op de chaos van de werkelijkheid bevecht, een orde in het leven, in de liefde, in de kunst, in alles, om vervolgens te ontdekken dat de wereld zich niet aan die orde houdt. Het lot blijft onverschillig, God laat zich niet zien, geliefden stappen op. De orde brokkelt bij het opbouwen al af, de wanorde dringt zich weer op, en er rest weinig anders dan de hoop dat er intussen toch iets is gewonnen. 'Ik geloof dat in datgene wat ontbindt, wat instort, de waarheid eigenlijk pas geopenbaard wordt.'

Het is die glorieuze radeloze waarheid, die hem in de late jaren zeventig ontvallen is. Zijn leven dreigde niet meer zomaar te ontbinden of in te storten. Voor het eerst misschien wel sinds hij schreef, kreeg hij zijn zaken min of meer op orde. De demonen van de angst had hij voor zijn doen aardig in de hand en zelfs de drankzucht hield hij met behulp van refusal-pillen onder de duim. Voor het eerst misschien wel, leefde hij in gunstige omstandigheden om zijn waarheid op te schrijven. Alleen, door die omstandigheden verviel die waarheid.

Vandaar de combinatie van stilistische brille en leegte in de boeken die hij sinds die late jaren zeventig geschreven heeft. De geest was terug in de fles, de wanhoop was onschadelijk gemaakt. Er bleef hem weinig anders over dan vermaak te bieden, bijgestaan door een gevoel voor humor dat hem zelden in de steek laat. Het zou onterecht zijn om zijn boeken op één lijn te stellen met de harlekijn die hij in zijn publieke optreden werd, maar zelfs de romans wekken soms de indruk dat er een cabaretier aan het werk is die de zaal bespeelt.

Ook de brieven aan zijn landmatroos getuigen daar weer overvloedig van. 'Je kunt beter een opgewekte brief krijgen met goed nieuws', weet hij uit ervaring, 'dan een sombere brief met slecht nieuws - zo is het toch, dames en heren?' Als het even kan, gooit hij er een ontspannende vrolijke noot tegenaan, terloops en moeiteloos, alsof het zijn tweede natuur geworden is. Hier spreekt een man die het niet kan laten zijn lezer in te palmen en een lach te oogsten, zoveel is wel duidelijk. Een onverbeterlijk charmeur.

Maar anders dan met de romans begin je uit de brieven gaandeweg ook te begrijpen wat er onder die charme schuilgaat, wat die charme zo noodzakelijk maakt. Je ziet hem zitten, Reve, in die uithoek van het Franse platteland, in een bouwvallige slagerswinkel, in een slecht verwarmde kamer, aan een kale houten tafel. In zijn eentje. Hij zoekt geen vertier en gaat niet naar de stad, hij heeft zelfs met de buren nauwelijks contact. Zijn leven speelt zich aan die ene tafel af, tussen vier muren, en hij weet dat het zo blijven zal. 'Het kunstenaarschap als gevangenis', schrijft hij, 'zo ziet het er voor mij vaak uit.'

Die positie van gevangenschap beheerst zijn houding tegenover de wereld en zelfs tegenover zijn Matroos. Wanneer hij in een brief iets wil vertellen over dingen die ze delen, komt hij nooit veel verder dan een exposé over hun eeuwig onvoltooide huis: de muren, letterlijk, van zijn gevang. Wat zich daarbinnen afspeelt, vertelt hij niet. Vosch is in zijn visie meer iemand voor buiten. Vosch loopt in en uit, behartigt zijn belangen in de wereld en is daarmee zijn connectie met die wereld. Vosch krijgt iets van een bewaker, een verzorger, die zo nu en dan een bord warm eten door het luikje van de kerkerdeur schuift, en je ziet dat Reve zich gaat afvragen of er een toekomst is voor zo'n verhouding. Hij heeft veel aan Vosch, maar heeft Vosch iets aan hem? Wat heeft hij de Matroos te bieden?

Geld in elk geval, aldus een brief, dat wel. 'Groot materieel gewin' zelfs, dat Vosch aanwendt voor het kopen van antiek en ander fraais, waaraan de schrijver zelf niet hecht. Maar 'niet veel meer', vervolgt de brief, want Reve is naar eigen zeggen niet de makkelijkste. De gevangene blijkt dagenlang te kunnen zwijgen, onaanspreekbaar, en je krijgt de indruk dat hij Vosch uiteindelijk niet bar veel meer te bieden heeft, los van zijn geld, dan zijn schriftelijke zelf. De charme van zijn brieven, het vermaak van zijn woorden, dat is alles wat hij in de strijd kan werpen. Alles - voor Matroosje Vosch.

Charme op papier als overlevingsstrategie, daar komt het in de Brieven aan Matroos Vosch op neer, en daar komt het ook in zijn fictiewerk sinds die beslissende late jaren zeventig op neer. Hij neemt bezit van het podium, vanuit zijn cel, hij dwingt tot aandacht. Maar hoe dun die charme is, hoe uitzichtloos die strategie en hoe triest die overleving, moet hij zelf begrepen hebben, want hij laat het in een brief aan Vosch met een onthutsende precisie zien. Wat Vosch met een kluizenaar als hij aan moet, is de vraag, en Reve is zich blijkbaar scherp bewust hoe ingewikkeld het antwoord ligt. Hij legt het Vosch zelf maar in de mond.

“Je zoude tegen jezelf moeten zeggen: 'Ik houd van die man. Die man heeft meer voor mij over dan wie dan ook. Hij zit opgesloten in een mij vreemde wereld van mystiek, verering van de Natuur, van God, van Diens Moeder, en er zijn heel diep in hem dingen waarover hij misschien nooit met mij zal praten. Maar in zoverre hij zich kàn geven, geeft hij zich aan mij. Zijn seksuele roes is gekoppeld aan buitensporige voorstellingen, maar ik behoef slechts een paar sleutelwoorden uit te spreken en een paar knoppen van dat register in te drukken en hij behoort mij toe: ik behoef hem nooit te verliezen, tenzij ik dat zelf verkies.”

Het zijn zinnen om te lezen en nog eens te lezen, en nog eens, want pas dan begint het tot je door te dringen dat hier iemand aan het woord is die zichzelf terloops failliet verklaart. Hij vraagt niet meer om iets als zielsverwantschap, eensgezindheid of zelfs maar begrip, hij vraagt niet meer om iets met hem te delen, hij hoopt alleen nog op een oor dat hem hoort, een oog dat hem ziet. Hij wil een teken dat hij niet alleen is, dat is alles, dat er buiten zijn gevang nog iemand is die weet van zijn bestaan. Hij wil dat iemand zegt dat hij nog leeft.