Je moet je hersens vrij houden; Filmpionier Loet C. Barnstijn

Loet C. Barnstijn introduceerde de geluidsfilm in Nederland en produceerde successen als 'De Jantjes'. Gerard Holthuis maakte een toneel- en filmvoorstelling over deze Nederlands filmtycoon. “De enige concurrent van Loet C. Barnstijn's kolossale Standaardfilms zijn Loet C. Barnstijn's kolossale Standaardfilms!”

Barnstijn, een Nederlandse filmtycoon: Nederlands Filmmuseum, Vondelpark 3, Amsterdam, 10 t/m 12, 17 t/m 19 en 24 t/m 26 april, 20.30u. Haags Filmhuis, Den Haag, 10 en 11 mei.

Loet C. Barnstijn bevindt zich aan boord van het Italiaanse stoomschip Rex, dat de haven van New York binnenvaart. Over een uur kan hij aan wal. Nu zit hij nog in de lounge, waar de barpianist in een dromerige bui een laatste wijsje speelt. Wat er op die dag - 10 mei 1940 - in Nederland gebeurt, kan de filmtycoon nog niet weten, maar vanzelfsprekend weet hij wel dat de spanningen aan de oostgrens hoog opliepen toen hij zich inscheepte voor deze reis. En dus zit hij zichzelf nu moed in te spreken: 'Ik zeg Lottie, zei ik, maak je geen zorgen, kind. Ik zeg, Lottie, elk jaar steek ik de oceaan over om in New York films in te kopen, en elk jaar ben ik er heelhuids aangekomen en telkens in goede gezondheid teruggekeerd, waarom zou dat deze keer anders gaan?'

Natuurlijk ging het anders. Barnstijn bleef vijf jaar als banneling in New York en keerde pas na de bevrijding terug naar Den Haag. Van het imperium dat hij daar had opgebouwd, was toen vrijwel niets meer over. Vóór de oorlog was hij de grootste filmdistributeur en -producent van Nederland geweest. Na de oorlog ontbrak het hem aan de energie en de jeugdige overmoed om het verloren gegane terrein weer te heroveren. De woorden die hem in de openingsscène van de komende Filmmuseum-voorstelling Barnstijn, een Nederlandse filmtycoon in de mond zijn gelegd, spreken daarom van een vergeefs vertrouwen op de goede afloop. Hij werd geheel vergeten.

Als 'directeur van verschillende ondernemingen op filmgebied' staat Lodewijk (alias Loet) Cohen Barnstijn vermeld in het naslagwerk Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld uit 1938, de trotse who's who van vooroorlogs Nederland. Hij was toen dan ook op het toppunt van zijn roem, niet alleen als filmproducent, maar ook als directeur en mede-eigenaar van een omvangrijk studio-complex op het terrein van het Wassenaarse landgoed Oosterbeek, een goed geoutilleerd filmlaboratorium, een aantal bioscopen en het lucratieve distributiebedrijf Standaardfilms, dat in advertenties in de vakpers zonder schromen de loftrompet stak over de eigen voortreffelijkheid: 'De enige concurrent van Loet C. Barnstijn's kolossale Standaardfilms zijn Loet C. Barnstijn's kolossale Standaardfilms!'

Japansche Bioscope

Hij kwam uit Enschede, waar hij in 1880 werd geboren, uit een joods geslacht van textielhandelaren, en begon ook zelf in de textiel. Maar omstreeks zijn dertigste raakte hij begeesterd door de opkomst van de film. 'Ik droomde mij gouden bergen', zei hij later. In juni 1913 opende hij zijn eerste filmtheater, de Japansche Bioscope in de Boekhorststraat in Den Haag. Snel volgden er meer. Snel ook besefte hij dat er ruimte ging ontstaan voor een professioneel filmdistributiebedrijf, nadat de films in de oertijd van de bioscoopbranche nog per meter aan de man waren gebracht en daarna per stuk werden verhandeld. Barnstijn was in Nederland één van de eersten die met de Hollywood-studio's exclusieve contracten sloten voor al hun films - en in elk geval werd hij de grootste.

Zo kwam het dat hij eens per jaar op zakenreis naar Amerika ging en daar, in mei 1928 in de studio van Warner Brothers, voor het eerst een film met geluid zag. Meteen wist hij dit als sound film gepresenteerde novum de toekomst was. Van degenen die er eerder een stap terug in zagen - het medium dat inmiddels zijn eigen beeldtaal had ontwikkeld, dreigde door het geluid immers terug te zakken naar het vroegere niveau van de onbeholpen verfilmde toneelstukken - trok hij zich niets aan. 'In tegenstelling met zovelen', zei hij in de jaren dertig, toen het pleit ook bij de eertijdse tegenstanders ruimschoots was gewonnen, 'heb ik de geluids- en sprekende films als een vervolmaking gezien van het bestaande.'

Wat Barnstijn in Los Angeles in actie had gezien, was een systeem van filmprojectie met synchroon draaiende grammofoonplaten. Zo moest het dus. Terug in Nederland praatte Barnstijn in op de Philips-directie en wist die voor zijn kar te spannen. Zelf was hij alleen de ideeënman, voor de uitwerking schakelde hij anderen in. 'Je moet je hersens vrij houden voor waar ze goed in zijn', hield hij jaren later zijn secretaresse voor. 'Ik ben er altijd van uit gegaan, dat je alleen maar hoeft te weten waar je iets kunt opzoeken of navragen, en dat je voor je plannen de juiste mensen moet kunnen aantrekken en motiveren.'

Philips-technicus Frits Prinsen ontwikkelde, naar het Amerikaanse voorbeeld, de Loetafoon, en Barnstijn maakte zich daarvan tot de vurige propagandist. Zijn gevoel voor publiciteit en zijn uitstekende contacten met het bioscoopbedrijf deden de rest. 'Wij hebben de voldoening!' riep hij in 1929 in een advertentie in het Nieuw Weekblad voor de Cinematografie. 'Toen wij meer dan een jaar geleden het bedrijf hebben wakker geschud: Sound komt, de stomme films hebben afgedaan, hebben anderen getracht u te overtuigen van het tegenovergestelde. (-) Wij hebben goed gezien. Wij hebben de voldoening!' Eind 1930 was de Loetafoon al in de helft van alle Nederlandse bioscopen geïnstalleerd.

Maar het ding was kwetsbaar; de beeldprojectie hoefde maar één keer te haperen of het grammofoongeluid liep niet meer synchroon. En bovendien hadden ze in Amerika intussen een beter systeem uitgevonden: het geluid als een optische strook naast het filmbeeld. Moeiteloos schakelde Barnstijn daarop over; niet voor niets had hij ervoor gezorgd dat Philips de financiële risico's van de Loetafoon droeg. Nu ontbrak het alleen nog aan Nederlandse films.

Het toeval hielp. In de pas geopende Cinetone-studio's in Duivendrecht, onder de rook van Amsterdam, waren de opnamen begonnen voor een verfilming van het populaire volkstoneelstuk De Jantjes van Herman Bouber, met de liedjes van Louis Davids en Margie Morris. Bijkans alle toenmalige sterren van toneel en revue deden eraan mee. Het bioscoopbedrijf had er 40.000 gulden voor op tafel gelegd. Maar alles was nog nieuw en onwennig; en halverwege de opnamen was het geld op. Loet C. Barnstijn kwam de beelden bekijken, raakte enthousiast en wierp zich, voor de somma van 30.000 gulden, op als co-producent.

'Kunnen we filmen of kunnen we het niet?' riep Louis Davids triomfantelijk op de première-avond in het Tuschinski-theater in Amsterdam, op 9 februari 1934. 'We kunnen het!' jubelde de zaal. De Jantjes groeide uit tot het eerste kassucces van de Nederlandse geluidsfilm. Barnstijn hield er niet minder dan twee ton pure winst aan over.

Aangestoken door het succes produceerde hij nog twee kluchtige films: Malle gevallen (1934) en De familie van mijn vrouw (1935). De eerste kwam uit de kosten, de tweede niet. Zelfs in het doorgaans zo vriendelijke blad Cinema & Theater mopperde een anonieme recensent dat het allemaal 'knudde met de klep toe' was. Maar voor Barnstijn waren die producties nog maar vingeroefeningen; hij had veel grotere plannen. Hij wilde, net als in Amerika, een filmbedrijf oprichten dat alles in één hand had: zelf films maken in een eigen studio, en die zelf distribueren.

Wilhelmina

Samen met de Amsterdamse bankier Huib Mähler, die als stille vennoot zou fungeren, bouwde Barnstijn in 1935 op het landgoed Oosterbeek zijn eigen Filmstad. De drie studio's kregen, als gebaar van vaderlandsliefde, de namen Emma, Wilhelmina en Juliana. Bij de opening bevonden zich maar liefst twee ministers onder de eregasten. Ieder keek zich de ogen uit. 'Het brengen van goede ontspanning aan de massa is een volksbelang', zei Barnstijn in zijn openingstoespraak, 'en speciaal de Nederlandse film heeft hier nog een belangrijke taal te verrichten.'

De eerste Filmstad-productie was Het mysterie van de Mondschein-sonate (1935), naar een detective-verhaal van Willy Corsari - gracieus in beeld gebracht door de uit Duitsland gevluchte regisseur Kurt Gerron, maar dermate onbeholpen verteld dat er in de kritieken geen spaan van heel bleef. Veel beter verging het de tweede film van Barnstijn en Gerron: Merijntje Gijzen's jeugd (1936), naar de gelijknamige schepping van A.M. de Jong. Wie er nu naar kijkt, stoort zich aan de toneelmatig geacteerde binnenkamertafereeltjes en de roomse braafheid, maar de toenmalige toeschouwer verlustigde zich aan hetgeen de NRC-criticus 'het schilderachtige element' noemde: de gezonde buitenlucht en de pittoreske landschappen onder de Brabantse hemel, overigens goeddeels gefilmd op het Wassenaarse landgoed. Zo vaak kwam de Nederlandse film toen nog niet buiten.

Dat de producent hart voor de film had, blijkt uit wat A.M. de Jong over hem schreef: 'L.C.B.'s koorts bestond daarin, dat hij het niet meer over zijn hart kon verkrijgen te knibbelen en te foeteren over te grote uitgaven. Achter zijn koel masker van zakenman verborg hij zijn groeiend enthousiasme en lachte spottend om het onze. Maar hij gaf aanwijzingen die geld kostten en dat was het beste bewijs, dat hij ook begon te behoren tot de lauter Verrückte, die alleen een goede film kunnen maken.'

Na de gunstige kritieken zette Barnstijn alles op alles om zijn nieuwe film aan de man te brengen. 'Deze week spreekt iedereen over de verloving van prinses Juliana en Merijntje Gijzen's jeugd', luidde de advertentietekst, want de filmindustrie was ook toen al een opscheppersvak - en dat beheerste Loet C. Barnstijn als geen ander. Uiteindelijk werd de film een bescheiden succes. In een brochure over Filmstad sloeg de producent voor het eerst een ietwat klaaglijke toon aan: 'Ons publiek krijgt het crême de la crême van de wereld-filmmarkt te aanschouwen en het is daarmee verwend. Tot nadeel van de Nederlandse film. Want men verlangt van een land, waar nu enkele jaren lang, onder betrekkelijk moeilijke omstandigheden films worden geproduceerd, dezelfde resultaten, die bereikt kunnen worden in landen met enorme afzetgebieden, langdurige ervaring en grote, financiële organisaties. (-) Hierin ligt een onredelijkheid.'

Op aandringen van zijn mede-financier Mähler moest Barnstijn zijn trotse Filmstad vervolgens verhuren aan andere producenten. Zelf maakte hij geen films meer. Na zijn vertrek naar New York, in 1940, diende Filmstad eerst als opvangplaats voor daklozen uit het gebombardeerde Rotterdam en daarna voor de inkwartiering van Duitse soldaten. In maart 1943 verkocht Mähler het complex aan de Duitse filmstudio UFA. Nadat er anderhalf jaar later V1-raketten werden gestationeerd, vormde het een doelwit voor geallieerde bombardementen. Toen Barnstijn in 1945 terugkeerde, was Filmstad verwoest. Nog een paar jaar zette hij zijn distributiebedrijf Standaardfilms voort, maar na zes jaar keerde hij terug naar New York, waar hij eind 1953 overleed.

Barnstijn, een Nederlandse filmtycoon, vanaf volgende week in het Filmmuseum, is een initiatief van Gerard Holthuis, die eigenlijk een documentaire over Barnstijn had willen maken, maar er naar zijn zeggen niet in slaagde filmisch vat te krijgen op 's mans levensverhaal. Daarop ontstond het plan er, op basis van de naspeuringen van filmhistoricus Marcel Linnemann, een voorstelling van te maken - een combinatie van door de acteur Porgy Franssen gespeelde monologen, filmfragmenten, muziek en een virtuele reconstructie van de Filmstad-studio's op basis van de bouwtekeningen.

“Ongetwijfeld is Barnstijn een geslepen zakenman geweest”, zegt Holthuis, “maar het ging hem niet alleen om geld. Hij was iemand met visie, een soort Joop van den Ende, ja, een man met daad- en overtuigingskracht om te verwezenlijken wat hem voor ogen stond. Hij deed de dingen om er beter van te worden, maar tegelijk moet er toch óók een soort hartstocht in hem hebben gezeten.”