Klonen van mensen heeft grote gevolgen

Een vaste interviewvraag, schrijft Rudy Kousbroek in zijn artikel 'Een halve ton' in het Cultureel Supplement van 28 maart, is of hij enig resultaat beoogt met wat hij schrijft, en zo ja wat dan. Vragen waarop hij het antwoord schuldig moet blijven. Hij schrijft zoals een drenkeling na een schipbreuk zwemt, zonder zich af te vragen waarom.

Op dezelfde manier trekt Kousbroek nu van leer tegen een advertentie van de dierenbescherming over de gevaren van het klonen: hoewel hij overtuigd is van de zinloosheid ervan.

Toch vroeg ik me na het lezen van zijn artikel hetzelfde af. Wat beoogt Kousbroek hiermee? 'Een halve ton' bevat zoveel onjuistheden dat het niet onweersproken mag blijven. Kousbroek herinnert aan een artikel dat hij enkele weken geleden over de varkenstragedie in ons land schreef. Hij zou, schrijft hij, verwachten dat de dierenbescherming daartegen in het geweer zou komen. Maar deze blijkt zich niet bezig te houden met de varkens maar met het klonen: “Een hysterische stormloop tegen een schijnprobleem.” Kousbroek citeert de advertentie in deze krant die begon met de zin “Hier droomde Hitler nou van” en eindigde met “Uiteindelijk zullen alle aapjes precies hetzelfde zijn. En alle schapen. Alle koeien. Alle varkens. En op een kwade dag alle mensen?”

Wie, zo vraagt Kousbroek zich af, kan deze “zelf-verzonnen ergheden om onnozele burgers de stuipen op het lijf te jagen” geschreven hebben? Hij vindt dat een kloon 'niet vreemder of griezeliger' dan een eeneiïge tweeling is: “Het weerzinwekkende is niet het klonen, maar het oeverloos domineesgeleuter waarmee het gepaard gaat.”

Zijn klonen gewoon eeneiïge tweelingen? In het verleden zijn eencellige meerlingen inderdaad wel eens als klonen aangeduid. Maar het grote nieuws over het Schotse schaap Dolly was niet dat het een eeneiïge tweeling was, maar een echte kloon: een wezen voortgekomen uit het lichaamsweefsel van een ander dier en hieraan genetisch identiek. Dolly was ook niet voortgekomen uit foetaal weefsel, zoals in een parallel experiment gebeurde, maar uit een cel van de uier van een zesjarige ooi. Het was deze veterinaire doorbraak, gepubliceerd in Nature van 27 februari, die in alle kranten voorpaginanieuws was.

Bij planten is klonen volkomen normaal. Een afgesneden tak van een populier in de grond gestoken wordt zelf weer een boom. Ook in de natuur komt deze wijze van vermeerderen veel voor. Sommige planten doen het met bovengrondse uitlopers (aardbeien), andere met ondergrondse uitlopers (zevenblad), en weer andere zelfs met onbevruchte zaden (paardebloem). In tegenstelling tot geslachtelijke voortplanting heeft bij klonen geen genetische recombinatie plaats - de dochterplant bij een kloon is genetisch identiek aan de moederplant. Naast deze vegetatieve voorplanting bestaat er bij natuurlijke soorten ook geslachtelijke voortplanting, want evolutionair gezien vormen klonen een doodlopende weg.

In de dierenwereld komt klonen ook wel voor, maar minder. Lagere dieren, zoals poliepen, snoeren wel knoppen af die voor zichzelf beginnen. Waterluizen kennen een stadium waarin ze zich snel vegetatief voortplanten. En van enkele soorten vissen en reptielen is bekend dat ze alleen uit vrouwtjes bestaan, die met mannetjes van een andere soort paren. Het sperma zet slechts de ei-initiatie in gang, het ei zelf blijft onbevrucht.

Maar klonen bij zoogdieren zijn in de natuur onbekend en voordat Dolly ter wereld kwam, was dat ook zo bij huisdieren.

Er is de afgelopen maand heel wat over Dolly geschreven. En dat was lang niet allemaal 'domineesgeleuter' over een 'schijnprobleem'. Ian Wilmut, een van de onderzoekers van het Schotse Roslin-instituut waar Dolly ter wereld kwam, heeft toegegeven dat zijn techniek in principe ook voor mensen bruikbaar is. En men hoeft daar, zoals de dierenbescherming deed, niet Hitler bij aan te roepen om duidelijk te maken dat dit vergaande gevolgen heeft.

In de discussie werden onmiddellijk allerlei gruwelijkheden genoemd zoals dictators die replica's van zichzelf nalaten, en het fokken van vechtmachines of juist van genieën, en wat de science-fictionliteratuur al niet verder aan fantasie heeft nagelaten.

Maar wat zeker geen bizarre toekomstfantasie is, is het kweken van klonen voor orgaantransplantatie. Wie nog slechts één gebrekkige nier heeft, kan binnenkort overwegen van zichzelf een jong broertje te laten kloneren, zodat deze hem te zijnertijd een nier kan geven die niet zal worden afgestoten. Of neem de leukemiepatiënt die weet dat hij voor zijn voortbestaan afhankelijk is van een beenmergplantatie - het liefst van identiek beenmerg.

Medisch gezien is dit kloneren voor orgaantransplantaties een solide oplossing. De vraag is of je de kloon niet gewoon als een deel van de patiënt kunt beschouwen, waar deze zelf de beschikking over heeft. Is de kloon iets wezenlijk anders dan de paar liter bloed die een Afrika-reiziger van tevoren bij zichzelf laat afnemen om mee te nemen als hij naar het door aids geplaagde continent vertrekt?

Iedereen voelt aan dat hier ethisch iets wringt. Een kloon is, anders dan de paar liter bloed, óók een mens die je niet zomaar van zijn organen kunt beroven. En wat te denken van het oudere echtpaar dat hun enige, geliefde kindje dreigt te verliezen na een auto-ongeluk? Waarom niet gauw nog wat lichaamscellen gekloond en opnieuw begonnen? Kan iemand daar tegen zijn?

In de meeste beschaafde landen heeft men zich inmiddels uitgesproken tegen het klonen van mensen. Dieren daarentegen mogen waarschijnlijk wel gekloond worden. Het meest voor de hand liggen de dure transgene dieren waarbij een gen voor een geneesmiddel of iets dergelijks is ingebouwd. Later wordt de techniek misschien ook voor het kweken van proefdieren gebruikt, omdat proefdieren genetisch zoveel mogelijk identiek moeten zijn. En nog weer later volgen wellicht renpaarden of prijsstieren. Zodat de woorden van George Orwell onverwachts letterlijk zullen opgaan: “All animals are equal, but some animals are more equal than others”.

Wordt de boerderij van de toekomst bevolkt door klonen? Kousbroek vindt deze ethische vragen 'schijnproblemen' en 'domineesgeleuter'. Misschien heeft hij gelijk, en bestaan er helemaal geen zoogdierklonen. Misschien blijkt Dolly een onherhaalbare toevalstreffer of, erger nog, een administratieve fout van een wat slordig uitgevoerd parallelonderzoek. In hetzelfde experiment werd immers ook foetaal weefsel gekloond. In dat geval is er geen kloon en er komt er voorlopig ook geen meer. De dierenbescherming kan zich dan beter op wat reëlers richten.

Maar of dat de massale varkens-executies zijn?

Helaas, voor Kousbroek, dat zit er niet in. Want het grote probleem bij de varkenspest is niet dat er zoveel varkens worden gedood, maar dat er door het vervoersverbod niet geslacht kan worden. De boeren rond de pestbedrijven zijn de wanhoop nabij, omdat hun biggen de stal uitgroeien. Bij alle noodslachtingen van de afgelopen maanden zijn dan ook minder varkens gedood dan er normaal in een week worden geslacht.

Maar die vreselijke grijper dan, die de lillende biggen in de destructiecontainer werpt?

Dat is voor de dierenbescherming een godsgeschenk. Het is een beeld dat geen reclameman verzinnen kon, een dagelijkse pijniging voor het Produktschap voor Vee en Vlees. De dierenbescherming hoeft daar niets meer aan toe te voegen. Waarom zou ze er dan tegen ten strijde trekken?