In Liefde Bloeyende

P.C. Hooft (1581-1647)

Sang

Het liedt dat ick te claeghe laet gaen

En met geneuchte queel,

Dat hiev' ick al in den daegeraet aen

Met wel soo schellen keel

Dat om te luisteren nae mij, nae mij,

Den Aemstel oorend leend' en ooren 't IJ.

En van mijn jeuchd, men vallen siet nu

Den laeten avondtstondt;

Noch wordt mijn stem haer schallen niet schuw

Of singens moe mijn mondt,

Des swemmen strandewaert, en neurien mee,

De Meereminnen van de Zuijder Zee.

Vraecht iemandt wie datme soo stijve stem geeft,

'T is, sonder wiens genae

Geen lust in mijnen lijve clem heeft,

Om wien ick singen gae

Dat vlacke stranden ende stroomen blanck

En heuvels galmen van de wederclanck.

Maer vraechtmen wat het singen beduit

Op dese wijs beswaert,

'T is om met sonderlingen geluit

Te troonen t'mijnewaert,

De geene die mij t murruw hartjen heet

Wanneerse comt, met wassen handen kneedt.

Doch of u quam ter ooren mijn bee,

O hartenkneedster, niet,

Die ghij wel soudt om hooren sijn ree

Oft het het Luck toeliet;

Soo sal het singen noch, want sang heeft cracht,

U levren levendich in mijn gedacht.

Er zijn melodietjes die niet uit je hoofd willen. Dan gaat het niet zozeer om de inhoud als wel om de klank van de woorden, om de regelval, het ritme. Melodietjes die je voor je uit neuriet als je even niet oplet. P.C. Hooft is daar een voorbeeldig leverancier van. Klaere, wat heeft er uw hartjen verlept. Galathea, siet den dach comt aen.

Als het door-het-hoofd-spoken-gehalte van bepaalde regels een eigenschap is van goede poëzie, dan is Hooft een groot dichter. Alles bij hem komt neer op dans en licht: Hooft is niet de zeventiende-eeuwse Gorter, Gorter is onze moderne Hooft. Amaryl, de deken sacht van de nacht, het heeft niets verstikkends, het is geen natte, Hollandse deken, het gaat hier om een warme, zuidelijke nacht, het kán op de maat van z'n muziek niet anders. Hooft is nooit bedompt: hij zingt niet in een kerk, maar onder de hemelkoepel. Tegenover een stoet binnenhuisdichters staan Hooft en Gorter als de twee grote mannen van de openluchtpoëzie.

Zelfs als Hooft het heeft over een deken van de nacht blijft de indruk van licht en ruimte overheersend. Er is altijd die stuwing, die beweging die duizeling soms. Een jagen van sterren en wind en maan. Woorden die zich zelf achterna dansen, als de echo.

Obsederend zijn in deze Sang de drie beginregels van zowel de eerste als de tweede strofe, met hun driedubbel rijm dat meer van een wapperend lint heeft dan van een keurslijf. Zelfs de fabeldieren van de zee neuriën uiteindelijk mee met de dichter die al in zijn eerste jeugd - al in den dageraet - zo helder zong dat om te luisteren nae mij, nae mij de Amstel en het IJ hun oren spitsten. Sommige tekstbezorgers vervingen het eerste nae mij door alsdoen (toentertijd), omdat Hooft dat in de marge had gekrabbeld. Zulke tekstbezorgers zijn knap in het herkennen van herhalingen, maar hebben geen verstand van poëzie. De herhaling heeft hier zelfs een meervoudige functie. Ze dient om de echo te suggereren waarvan de Amstel en het IJ weergalmen, dezelfde Echo ook van het liefdesverdriet, én ze benadrukt de trots van de dichter de wateren luisterden naar mij, jawel naar mij.

De dichter zendt een klaaglied uit (regel 1) en zingt 't niettemin met veel genoegen (regel 2). Hij is zich bewust van eigen sterkte. De dichter bezweert, de dichter roept op. Hij gelooft in de mogelijkheid van zijn bezwering. Want sang heeft cracht.

Hooft constateert dat hij al in zijn jeugd, in Amsterdam, de kwaliteiten van een Orfeus bezat. Hij doet dat met een ruimtelijk gebaar, uitwaaierend tot over het wijder wordende water (eerste strofe). Nu heeft hij de late avondstond van zijn jeugd bereikt (het gedicht is van 1612, dus Hooft is 31) en woont hij aan de Zuiderzee, op het Muiderslot. Nog steeds mag zijn heldere geschal er wezen - daarom zwemmen de meerminnen strandwaarts (tweede strofe). Wie schenkt hem die krachtige stem? Zij, zonder wier gunst elke lust in zijn lijf betekenisloos is. Om haar vult hij met zijn echo (wederclanck) de ruimte van stranden, stromen en heuvels (derde strofe). Maar wat beoogt hij met dat zingen op zo'n klaaglijke wijze? Hij wil haar met 't ongewone geluid - zowel elegisch als uitgelaten - tot zich lokken. Alleen zij weet zijn murw en gloeiend hart te kneden (vierde strofe). De vijfde strofe is voor de moderne lezer misschien het moeilijkst. Er staat ongeveer: “Ook al zou mijn lokroep u niet ter ore komen, o hartenkneedster (een roep die u zeker bereid zou zijn aan te horen, indien het lot het toestond), dan nóg zal het feit dat ik zing - zo sterk is de poëzie - u op levendige wijze in mijn geheugen neerzetten.”

Sang is een ode aan het (eigen) dichterlijk vermogen. Door de liefde behoudt de poëzie haar prille kracht, vertelt de dichter ons, maar ook zonder object blijft hij de dichter die hij is. De geliefde is maar een aanleiding om te gaan kwelen, het doet er niet toe of ze aanwezig is of niet. Is ze niet aanwezig, welnu, dan zingt hij over een gemis dat eigenlijk vervulling moest zijn. Zo kan hij alle kanten op. Het bezweren van een aanwezigheid is voor een dichter minstens zo waardevol als de aanwezigheid zelf. Of - om terug te keren naar de eerste regels - zijn klagen is zijn genot.