Onder Stekelenburg verving FNV ideologie door zakelijkheid

Van scheidend FNV-voorzitter Johan Stekelenburg en Alexander Rinnooy Kan (voorheen VNO) gaat het verhaal dat ze moeiteloos elkaars speeches konden houden. De Nederlandse overlegeconomie brengt met zich mee dat de voorzitter van de grootste werknemerscentrale en de voorzitter van het grootste werkgeversverbond elkaar talloze malen op verschillende plaatsen in het land en daarbuiten ontmoeten en elkaars speeches aanhoren.

Voor een goede 'performer' is een rolwisseling niet zo moeilijk. Zowel Rinnooy Kan als Stekelenburg verstonden de opdracht om hun organisatie 'over te brengen' uitstekend. Nu Stekelenburg heeft aangekondigd per eind mei zijn positie van voorzitter van de vakcentrale FNV op te geven is, na het vertrek vorig jaar van Rinnooy Kan, een periode in de Nederlandse arbeidsverhoudingen afgesloten. De arena is nu voor De Waal en Blankert. Dat Stekelenburg het spel goed beheerste, is al vele malen geconstateerd en dat is een belangrijk gegeven. Het krampachtige gezoek naar lijsttrekkers bij het CDA en D66 geeft al aan hoe belangrijk het is dat een beweging een 'trekker' heeft die weet hoe 'het' werkt.

Maar zoals bekend gaat het niet alleen om het spel, maar ook om de knikkers. Wie kijkt wat er is veranderd sinds 1988, het jaar waarin Stekelenburg aantrad als voorzitter van de FNV, ziet vandaag een in dat jaar nog voor ondenkbaar gehouden landschap van verlaten en verwoeste huizen van instituties binnen onze arbeidsverhoudingen. De Ziektewet is grotendeels afgeschaft en geprivatiseerd. De onlangs bekendgemaakte 'super'-winst van een verzekeringsmaatschappij als Aegon wordt voor een belangrijk deel verklaard uit de opbrengst van de geprivatiseerde Ziektewet en andere 'employee benefits'. Met het oorspronkelijk aan vakbondskapitaal gelieerde verzekeringsbedrijf Reaal gaat het, mede om die reden, ook goed. De WAO-toegang is beperkt (1992) en afgetopt (WAO-gat), en ligt nu voor ter verdere privatisering en differentiëring in de premiebetaling. De Weduwen- en wezenwet is afgetopt en vervangen door de ANW (met ANW-gat). De WW is moeilijker toegankelijk en de uitkeringsduur is voor velen korter geworden. De bedrijfsverenigingen als belangrijke instituten ter uitvoering van de sociale verzekering zijn afgeschaft (per 1 maart 1997). De Sociale Verzekeringsraad (SVR) is afgeschaft, een belangrijk advieslichaam van de regering inzake sociale verzekeringen en de top van de socia- le verzekeringsuitvoeringsinstellingen waarin de vakbeweging en dus ook de FNV een belangrijke rol speelde. De uitvoering van de sociale verzekeringen is binnenkort ter vrije concurrentie op de markt waar eenieder zich kan aanbieden om de uitvoeringsopdrachten van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (LISV) te verkrijgen. In de instituten die de bedrijfsvereniging en de SVR hebben opgevolgd, het LISV en het College van Toezicht Sociale Verzekeringen, is geen plaats voor de vakbeweging weggelegd (net zomin als voor de werkgeversorganisaties). De Emancipatieraad, een door de regering ingesteld advieslichaam dat moest adviseren over emancipatie van vrouwen, een belangrijk issue van de FNV, is per 1 april 1997 opgeheven. De plicht voor het kabinet om advies aan de SER te vragen over belangrijke sociaal-economische beleidsvoornemens of wetten is afgeschaft.

Wat is er gebleven? Allereerst de algemeen verbindendverklaring van bepalingen van CAO's, ondanks vehemente aanvallen daarop door onder meer de huidige minister van Financiën, Zalm. Ten tweede de ontslagvergunning, ondanks de bezwaren daartegen van de werkgeversorganisaties, die overigens bij het laatste Stichtingsakkoord over flexibiliteit en zekerheid weer zijn ingeslikt. Ten slotte het wettelijk minimumloon, maar als het aan minister Melkert ligt wel met een dispensatiemogelijkheid voor langdurig werklozen.

Er zijn mooie akkoorden gesloten in de Stichting van de Arbeid, onder pakkende titels als 'Een nieuwe koers', en 'Flexibiliteit en zekerheid', terwijl in de SER adviezen zijn uitgebracht over 'Convergentie en overlegeconomie' (1992), ook wel de 'moeder' van alle volgende adviezen genoemd. De SER zelf is in al het geweld in afgeslankte vorm overeind gebleven.

De politiek heeft heel wat knikkers uit het spel genomen, mag de conclusie zijn.

Wat is er verder veranderd? In de periode vanaf 1988 is Nederland wereldkampioen parttime-arbeid geworden. Ruim éénderde van onze totale beroepsbevolking werkt parttime en het is inmiddels gelukt om een verbod van ongelijke behandeling tussen fulltimers en parttimers in onze nationale wetgeving neergelegd te krijgen. Een belangrijk issue van de FNV en dus een mooie knikker in het zakje van 'Stekel'. Over de arbeidstijdverkorting en de 36 uur zijn mooie en lelijke dingen te zeggen. Bij AKZO is de 36 uur even in de ijskast gezet, bij de banken is er veel over geprocedeerd. In het bedrijfsleven lijkt het allemaal nog geen botertje bij de boom, laat staan dat een verdere teruggang van de arbeidsduur naar 32 uur, één van de hartenwensen van de (binnenkort oud-)vice-voorzitter van de FNV, Ella Vogelaar, in de komende jaren gerealiseerd zal kunnen worden. Bij de overheid is het een succes geworden in die zin dat de machtige FNV-bond AbvaKabo hierover afspraken heeft weten te maken in vrijwel alle sectoren waar ze onderhandelt.

De organisatiegraad bij de overheid is hoog, AbvaKabo is de grootste bond binnen de vakcentrale FNV, althans in de situatie dat de marktbonden Vervoersbond, Voedingsbond, Dienstenbond en Industriebond nog niet zijn gefuseerd. De fusie van deze belangrijkste marktbonden is een hoogtepunt in het voorzittersleven van Stekelenburg geweest, al is de verwerkelijking van de fusie nog even uitgesteld omdat het personeel van de bonden het er erg moeilijk mee heeft.

Het poldermodel geldt op dit moment als een exportartikel van de voorzitter van de Europese Unie. De voorzitters van de vakcentrales en van de werkgeversorganisaties worden gek gebeld door media en ministersvakgenoten uit Europese landen om te komen uitleggen hoe het Nederlanse wonder in zijn werk gaat. Belangrijkste ingrediënten van het wonder zijn parttime arbeid, loonmatiging, privatisering van de sociale zekerheid, waardoor in de collectieve lastencijfers een grote vermindering is bereikt, en een platte samenlevingsstructuur, in die zin dat de inkomensverschillen niet al te groot zijn. Daar komt dan natuurlijk nog bij het sinds 1945 gekoesterde consensusmodel in de arbeidsverhoudingen, met van oudsher belangrijke maar de afgelopen acht jaar in belang afnemende centrale afspraken tussen Stichting van de Arbeid en de regering.

Het akkoord tussen werkgevers- en werknemersorganisaties over 'flexicurity' van april 1996 is een treffend voorbeeld van hoe in Nederland de problemen worden aangepakt. Het is een uitruil tussen wensen van werkgevers en werknemers. Werkgevers hadden jarenlang hard gestreden tegen bijvoorbeeld het bestaan van de ontslagvergunning maar waren bereid om de eis van afschaffing te laten smelten als sneeuw voor de zon, in ruil voor het in ontvangst nemen van een makkelijker mogelijkheid om contracten voor bepaalde tijd te verlengen. Bovendien is inmiddels in de praktijk zonder een letter aan de wet te wijzigen een soepeler weg voor ontslag langs de kantonrechter ontwikkeld, zodat er minder problemen ontstaan om de ontslagvergunning in naam te behouden, maar in feite niet deze methode te hanteren. De FNV kreeg voor elkaar om de uitzendkracht als een echte werknemer beschouwd te krijgen, tenminste als het wetsvoorstel dat daar nu pas over is ingediend doorgaat, maar daar staat tegenover dat gedurende het eerste jaar van de uitzendperiode veel van de geneugten van het werknemerschap per CAO kunnen worden uitgesloten. De discussies over dit soort zaken duren in ons land lang, maar als de sociale partners het erover eens zijn, dan zijn ze er trots op. De politiek mag er wat hen betreft dan niet meer aan komen. We zullen moeten afwachten hoe het nu met het onderwerp 'flexicurity' wat dit betreft afloopt.

Ten slotte één van de moeilijkere punten in het bestaan van Johan Stekelenburg: de representativiteit van de vakbeweging en de FNV. Toen hij aantrad was er een dieptepunt in het aantal leden. Dat is thans overwonnen en er heeft een hele kleine groei plaatsgehad. De FNV heeft weer meer dan 1 miljoen leden. De gemiddelde organisatiegraad in Nederland (1970 nog circa 40 procent) steeg van 23 procent in 1988 naar 29 procent thans.

De groei houdt geen gelijke tred met de groei van de afhankelijke beroepsbevolking. Bovendien moet bij de cijfers bedacht worden, dat een groot gedeelte van de gemiddelde organisatiegraad wordt bepaald door de overheidsbonden, met name de AbvaKabo én dat de leden sterk aan het vergrijzen zijn. In 1996 was de gemiddelde leeftijd van het FNV-lid 44 jaar (Industriebond 46; Bouwbond 45; AbvaKabo 45). Bovendien is een belangrijk deel van de leden van bij de FNV aangesloten bonden niet meer actief, omdat het in de WAO zit, de VUT of op een andere niet actief participerende plaats zit. Het aanspreken van de jongeren is één van de hardnekkigste problemen van de FNV. Ook het wekken van de interesse van de vele parttimers (voor 70 procent vrouwen) kost veel moeite.

In de metafoor van het knikkerspel kan, alles overziende, worden gezegd dat Stekelenburg quitte gespeeld heeft. Hij is aangetreden in een periode van sterke afkalving van de vakbeweging en een overheersing van het neoliberale gedachtegoed. In zijn tijd vond een paradigmawisseling plaats van ongelijkheidscompensatie, emancipatie en strijd naar individualisering, flexibilisering, privatisering en verzakelijking. De FNV is niet meer een ideologische organisatie, maar een zakelijke dienstverlener voor werknemers. Veel knikkers zijn kwijtgeraakt, nieuwe gewonnen. Zijn ze net zo mooi? Het spel gaat, als altijd, door.