Blaxploitation rammelt aan de poort van het filmhuis; Wreekster op wijde pijpen

Blaxploitation! 17 actiefilms van en voor zwarte Amerikanen uit de jaren zeventig. Amsterdam, De Melkweg, (tot en met 23 april); Groningen, Vera Zienema (15 en 18 april).

Over twee weken verschijnt ook in de Nederlandse bioscopen de onlangs met een Oscar onderscheiden documentaire When We Were Kings van Leon Gast over het in 1974 in Zaïre gehouden titelgevecht tussen George Foreman en Muhammad Ali. Het historische belang van die gebeurtenis schuilt vooral in de locatie; het was de eerste grootscheepse manifestatie van Afrikaans-Amerikaans bewustzijn, begeleid door verschillende culturele manifestaties.

Onbedoeld biedt een retrospectief in De Melkweg op de zogenaamde blaxploitation-films uit dezelfde periode de ideale achtergrond bij deze pas na ruim twintig jaar voltooide documentaire. Onder blaxploitation, de als geuzennaam gevoerde samentrekking van 'black exploitation film', wordt een zeer specifiek genre verstaan, waar de filmkritiek aan het begin van de jaren zeventig slecht raad mee wist. Net als alle 'exploitation movies', goedkoop gemaakte actiefilms met veel seks en geweld, was ook dit subgenre een speeltuin voor beginnende getalenteerde filmmakers. In dit speciale geval waren de meeste acteurs èn regisseurs zwart, hetgeen tot dan toe nauwelijks voorgekomen was. Maar wat moest de verlichte blanke intelligentsia denken van de nauwelijks politiek-correcte strekking van films als Shaft (Gordon Parks sr., 1971), Superfly (Gordon Parks jr., 1972) of Cleopatra Jones and the Casino of Gold (Chuck Bail, 1975)? Het waren immers nauw verhulde wraakfantasieën gericht tegen de dominante cultuur, met heldenrollen voor in luidruchtige, kleurrijke kleding gestoken zwarte souteneurs, gangsters en drugdealers. Slechts Coffy (Jack Hill, 1973), met de formidabele Pam Grier in de hoofdrol als een gedecolleteerde wreekster van de verslaving van haar elfjarige zusje, droeg een anti-drugsboodschap uit.

Via de omweg van de 'cult' begint de waardering van de 'brothers' met wijde pijpen en zonnebrillen nu pas goed op gang te komen. In Reservoir Dogs (1991) laat Quentin Tarantino zijn personages de lof zingen van Grier en in From Dusk Till Dawn gunt hij Fred Williamson, bijgenaamd ' Hammer' en held van Boss Nigger (Jack Arnold, 1975), een cruciale bijrol. Tim Burton liet zelfs in Mars Attacks! Williamson en Grier samen met Tom Jones de wereld redden.

Tot de zeventien films in het Melkweg-programma behoort een aanzienlijk deel van de harde kern van de 'blaxploitation'-rage, maar het grootste deel van de geselecteerde films heeft een blanke regisseur en verplichte nummers als Sweet Sweetback's Badaasssss Song en Cotton Comes to Harlem ontbreken. De grabbelton van verwante titels geeft wel een aardig tijdsbeeld, door de toevoeging van bijvoorbeeld twee muziekdocumentaires (het in Ghana opgenomen Soul to Soul van Denis Sanders uit 1971 en Wattstaxx van Mel Stuart uit 1973) en enkele op de Zuidelijke plantages gesitueerde sadomasochistische cultmelodrama's als Mandingo (Richard Fleischer, 1975) en Drum (Steve Carver, 1976). Let voorts op de rolletjes van Richard Pryor in The Mack (Michael Campus, 1973) en van Grace Jones in Gordon's War (Ossie Davis, 1973).

Het leegschudden van een vaag thematisch geordende stoffige plank in de videotheek voor een filmretrospectief blijkt een verrassende programmering op te kunnen leveren: onbevooroordeeld en rijk aan toevallige vondsten. De cultbeweging rammelt aan de poorten van de filmhuizen en dreigt daar grote schoonmaak te houden onder het purisme van ouderwetse cinefielen.