Ambities van de Taalunie zijn ongegrond

Wie ooit een week op een internationale camping in Zuid-Frankrijk heeft gestaan weet precies wat Nederlanders zijn, en wie ooit in de brandende zon door de Pleistos-vallei naar Delphi liep weet ook welke nationaliteit degenen hebben die hij daar tegenkwam. Maar als een gestudeerde Amerikaan je vraagt wat Nederland is of wat Nederlanders zijn, geef je een antwoord dat past bij de wereld van je gespreksgenoot: Rembrandt, Spinoza, Rob van Gennep Kamerlingh Onnes, Piet Zwart of Rudi Fuchs - al dragen tulpen, kaas, abortus, drugs en euthanasie ook bij aan het beeld, zoals wij ons beeld van hem aanvullen met Hollywood, seriemoordenaars, getto's en Coca Cola.

Deze relativerende benadering kan natuurlijk worden opgevat als een ontkenning van de eigen identiteit. Maar die eigen identiteit is ook eerder een optelsom dan een wortel, om in rekenkundige termen te spreken. Een optelsom die nog steeds groter en gecompliceerder wordt, omdat er uit het buitenland afkomstige mensen als Nelli Cooman, Hafid Bouazza en Elisabeth Augustin in kunnen worden opgenomen.

Laat ik maar eerlijk zeggen dat ik trots ben op zo'n niet-essentialistische identiteit. Aan het individu laat deze de ruimte het zijne eruit te halen. Al is Nederland, als ik de begrotingscijfers van de laatste jaren van het ministerie van OCW bekijk, ook wel trots op zijn erfgoed. Er wordt een serieus bedrag uitgegeven aan achterstallig onderhoud in musea en archieven. En als tot het erfgoed ook de levende cultuur mag worden gerekend, zijn we vermoedelijk het enige land ter wereld dat een verhoging van het kunstbudget laat zien.

Sinds een paar maanden leef ik, namens u allen, in een van de wonderbaarlijkste landen van de wereld, de Verenigde Staten van Amerika. Het is wonderbaarlijk voor een Nederlander, omdat hier in tegenstelling tot bij ons geen buitenland bestaat. Ja, op pagnia 3 en 4 van The New York Times - naast en op de achterkant van de dagelijkse Tiffany advertentie dus - staan elke dag een paar stukken en stukjes over een of ander land, maar verder moeten de gebeurtenissen het politieke formaat van de oorlog in Rwanda hebben of moeten ze het hoge curiositeitsgehalte halen als dat van de elfstedentocht, voor ze op de andere redactionele pagina's, laat staan op de voorpagina, van de krant komen.

Die nadruk op Amerika vindt men in het dagelijkse leven terug: de vlag wappert overal en wordt op alles en nog wat afgedrukt, produkten zijn 'proudly' in Amerika gemaakt, en er zijn nogal wat specifieke Amerikaanse deugden en karaktertrekken, zoals vrijheidszin, vaderlandsliefde, moed en trouw.

Ik wil niks lelijks over de Verenigde Staten zeggen, want ik houd inmiddels van het land als een tweede vaderland, maar dit 'amerikanisme' ervaar ik als uiterst provinciaal. Ik begrijp het wel. Men hoeft geen socioloog te zijn om te zien dat deze houding meer gebaseerd is op een mythe dan op een werkelijkheid, een mythe die nodig is om een bevolking samen te binden die uit buitenlanders bestaat en Afrikaans is en Spaans, Engels, Duits, Italiaans, joods, katholiek, protestants, mormoons, islamitisch en wat niet meer.

Gelukkig bepaalt de mythe nauwelijks het beeld dat Nederlanders van de Verenigde Staten hebben. Dat creëren wij zelf, al naar gelang van de omgeving waarin we ons bevinden. Voor mij bepalen uitgeverij Farrar, Strauss en Giroux, Ru Paul, de Brooklyn Academie of Music, John Adams, Gladys Knight en Robert Mapplethorpe dat beeld meer dan het Vrijheidsbeeld, de NASA, Disneyworld, Microsoft en de Olympische Spelen in Atlanta. Maar het omgekeerde komt ook voor.

Toch vinden veel Nederlanders dat hun eigen land in het buitenland te weinig als 'culturele gemeenschap' herkenbaar is. De Nederlandse culturele identiteit zou vooral bestaan uit de ontkenning van een eigen identiteit en Nederland zou niet trots genoeg zijn op het eigen erfgoed. Dat vindt bijvoorbeeld iemand als Ludo Beheydt in zijn stuk in deze krant over internationaal cultuurbeleid (NRC Handelsblad, 8 februari 1997).

Maar de culturele identiteit die dit soort mensen zoekt is ook een mythe, vergelijkbaar met de Amerikaanse mythe. En net als de Amerikaanse heeft de mythe van de culturele identiteit de neiging zich op zichzelf te richten. Zo schrijft Beheyt in zijn eerder geciteerde stuk: “Eerst zal men binnenslands moeten werken aan zijn cultuurbeleid”. En: “de andere culturen in Nederland hebben er alle belang bij dat Nederland een herkenbaar beeld geeft van de eigen cultuur”.

Vaak vindt de mythe van de culturele identiteit zijn grondslag in de taal, het Nederlands. Beheydt wil bijvoorbeeld onder 'eng nationalisme' uitkomen door naar buiten te treden met Nederlandse literatuur, Nederlands toneel, Nederlandse dans en Nederlandse kunst. Het is voor hem voldoende daartoe de term Nederlands in zijn taalkundige interpretatie te hanteren en samen met Vlaanderen de Cultuur der Nederlanden als een 'beeldmerk' te promoten. De taal, schrijft Beheydt, is immers 'het zingevingssysteem van de cultuur bij uitstek'.

Het klinkt geweldig, maar is het ook waar?

Iedereen die ooit in Antwerpen of Gent of Brussel is geweest, weet dat hij daar in een andere cultuur komt waarin anders gegeten en anders geschreven wordt, waarin op een andere manier politiek wordt bedreven, waarin identiteit geassocieerd wordt met positionering en strijd, een cultuur waarin de taal - ten slotte - op grond van de geschiedenis een andere rol speelt en vermoedelijk ook een andere zin aan de cultuur geeft dan de taal in het Noorden. Er bestaat geen 'beeldmerk' van de cultuur van Nederland en Vlaanderen dat te promoten valt, omdat twee culturen niet samen één beeldmerk, zo dat al bestaat, kunnen hebben.

Samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen moet niet op mythes worden gebaseerd. De Nederlandse Taalunie, het samenwerkingsverband van Nederland en Vlaanderen op het gebied van de taal, heeft enige tijd geleden laten weten via haar netwerk van de Neerlandistiek in het buitenland bij te willen dragen aan de promotie van de Nederlandse en Vlaamse cultuur. Die ambitie was zelfs aanleiding voor een door de Taalunie georganiseerd congres in december vorig jaar, waar ook ik was uitgenodigd om te spreken.

Ik heb bij die gelegenheid naar voren gebracht dat internationale cultuurpromotie een vak was en een taak zou moeten blijven voor medewerkers van de Nederlandse en Vlaamse kunstinstellingen en culturele medewerkers die functioneren binnen de structuur van Buitenlandse Zaken, onder de hoede van zowel Buitenlandse Zaken als het ministerie van Cultuur. Cultuurpromotie is naar mijn idee en mijn ervaring, niet alleen een vak, maar ook een meer dan volledige dagtaak, die niet kan worden uitgevoerd door een neerlandicus die ook nog binnen een universiteit werkt.

Hoewel ook de discussie na afloop ertoe neigde de neerlandici in het buitenland niet te belasten met een taak, waarvoor zij niet geoutilleerd zijn, niet in de materiële zin van computers, naslagwerken, en kranten en tijdschriften en niet in geestelijke zin, omdat hun taak ligt op het terrein van onderwijs en onderzoek, heeft de Nederlandse Taalunie, zo blijkt nu uit haar Actieplan 1997, deze stellingname niet overgenomen.

Dat is natuurlijk haar goed recht, en getuigt van een vrolijke Unverfrorenheit. Het is alleen een tikje flauw dat de conferentie nu volledig ter ondersteuning van de eigen ambities wordt ingezet. Het actieplan stelt laconiek: “De Taalunieconferentie van 1996 was aan dit onderwerp [de rol van de buitenlandse docentschappen in het buitenlands cultuurbeleid] gewijd en heeft een raamwerk opgeleverd voor de mogelijke culturele taken en activiteiten”.

Ik herhaal daarom nog maar eens wat ik op de conferentie heb gezegd. Er is noch een ideologische of filosofische grondslag, noch een professionele basis voor de ambities van de Nederlandse Taalunie. Internationaal cultuurbeleid moet een taak blijven van de kunst- en cultuurinstellingen, samen met de ministeries van Buitenlandse Zaken en Cultuur. Daarbij moet het wellicht niet om twee, maar om vier ministeries gaan: de Nederlandse en Vlaamse.