Literatuur als inloopcentrum

Twee weken geleden bond Anil Ramdas in de Boekenbijlage de kat de bel aan. Een miljoen Nederlanders, de migranten die 'allochtonen' zijn gaan heten, komen vogens hem nauwelijks in de eigentijdse literatuur voor. En als ze figureren, dan toch vooral als cliché. 'Zo langzamerhand moeten we dat gaan wijten aan moedwil en kwade trouw', aldus Ramdas. Een repliek van Joost Zwagerman, een van de Nederlandse schrijvers die door Ramdas werden aangesproken.

Anil Ramdas vindt het een 'formidabele wanprestatie' dat blanke Nederlandse schrijvers vrijwel uitsluitend blanke personages in hun romans opvoeren. De afgelopen twintig jaar is de samenleving ingrijpend van kleur veranderd, maar wie de recente Nederlandse romans openslaat, zal er niet aan aflezen dat deze zijn geschreven en gepubliceerd in een land waar inmiddels een miljoen Surinamers, Antillianen, Turken en Marokkanen wonen, aldus Ramdas, die vervolgens de blanke Nederlandse schrijvers 'onoplettendheid en onverschilligheid' aanwrijft.

In zijn precisering van het vermeende gebrek aan 'oog voor het vreemde' onder blanke schrijvers verwijt Anil Ramdas hun 'moedwil en kwade trouw'. Dat is een ferme beschuldiging, die de discussie buiten het domein van de literatuur plaatst. Met opzet weren de witten in hun boeken de zwarten. Zij zijn dus geen slechte schrijvers maar slechte mensen. Ramdas koppelt een in zijn ogen literaire wanprestatie aan morele tekortkomingen. 'Terwijl een miljoen burgers (Antillianen, Surinamers, Turken, Marokkanen, JZ) hun dagelijkse vernederingen verbijten, kijken de Nederlandse schrijvers een andere kant op.' Afgezien van de akelige retorische galm die hier klinkt, wordt duidelijk dat het Ramdas niet is te doen om een interessantere literatuur maar om een substantiële erkenning van en aandacht voor de kennelijke ongenoegens van een miljoen allochtonen.

Ramdas heeft mijn sympathie in zijn betrokkenheid bij het welbevinden van honderdduizenden burgers. Ik begrijp minder goed waarom hij in dit verband alle schrijvers opzadelt met de morele plicht om in hun werk blijk te geven van een soortgelijke betrokkenheid. Iedere schrijver kiest een eigen vorm, een eigen stijl, en volgt vanzelfsprekend de eigen obsessies en preoccupaties, of hij nu de voorkeur geeft aan 'straatrumoer' en tijdsbeeld of aan literatuur als autonoom taalbouwsel en een verschansing in de aloude ivoren toren. Sociaal realisme of l'art pour l'art: de ene schrijver kan zich met polemische middelen teweerstellen tegen de praktische positionering van de ander, maar nóóit zal men elkaar het vanzelfsprekende recht ontzeggen om de plaats te kiezen die hem goeddunkt. Dát fundamentele 'schrijversrecht' wordt weggewuifd door Anil Ramdas. Door de aard en inzet van een eventueel engagement op voorhand te dicteren, degradeert hij iedere romanschrijver tot een op afroep beschikbare vertolker van maatschappelijke ongenoegens en sociale vraagstukken.

En was het nu maar zo dat Ramdas zich had beperkt tot dit algemene verwijt. Maar het miljoen burgers moet ook nog eens in romans worden opgevoerd op een manier zoals hij het wil. Hiertoe werpt hij zich onder meer op mijn roman De buitenvrouw.

Het is niet mijn gewoonte om verhaal te halen bij iedereen die iets op mijn boeken heeft aan te merken. Maar er zijn uitzonderingen. Anil Ramdas gaat verder dan het leveren van literaire kritiek en heeft het over 'bedenkelijke onevenwichtigheden'. Het gaat mij om dat woord 'bedenkelijk' in combinatie met,verderop in het artikel, 'culturele apartheid' en 'kwade trouw'. Hier raken literaire en morele verwijten met elkaar verstrikt.

Het eerste dat opvalt in Ramdas' impressie van De buitenvrouw is dat hij voor de gelegenheid is vergeten wat een 'onbetrouwbare verteller' is, anders zou hij er wel voor hebben gewaakt om gedrag, gevoelens en gedachten van de hoofdfiguur in die roman moeiteloos door te sluizen naar de schrijver. Het is een één op één afrekening die zelfs een eerstejaars student Nederlands wel uit zijn hoofd zal laten.

De hoofdfiguur in De buitenvrouw is een blanke leraar die nooit viel te betrappen op enige betrokkenheid bij de turbulenties van de multiculturele samenleving, totdat hij overspel pleegt met een Surinaamse collega. Hij versluiert - voor anderen én zichzelf - zijn gelegenheids-engagement door zich te fixeren op vermeende tekenen van racisme in zijn directe omgeving. Intussen is hij niet gerust op de aard van zijn esthetische bekoring voor zijn zwarte minnares, en op een zeker moment overdenkt hij dat 'zijn aanbidding van haar kleur misschien wel een vorm van omgekeerde discriminatie is waar bij nader inzien niets omgekeerds aan is'.

Als de huidkleur van de zwarte vrouw wordt beschreven, zoals in de fragmenten die Ramdas citeerde, dan gebeurt dit dus vanuit het perspectief van deze witte man, die als gevolg van zijn seksuele begeerte wordt geconfronteerd met andermans èn eigen dubbele moraal. Dàt lees je niet terug bij Ramdas, en hoe misleidend het beeld is dat hij schetst, blijkt bijvoorbeeld uit de column van Beatrijs Ritsema die, nogal komisch, naar aanleiding van Ramdas' impressie klakkeloos aannam dat De buitenvrouw is geschreven vanuit 'een allochtoon perspectief'.

Het bevalt Ramdas niet dat de lezer er niet achter komt wat Iris, de zwarte vrouw in De buitenvrouw, voelt, nastreeft, verlangt en denkt. Dat is hetzelfde als de schrijver van De avonden verwijten dat hij niet laat weten wat bijvoorbeeld de vader van Frits van Egters voelt, nastreeft, verlangt en denkt.Daar was een andere roman voor nodig geweest, met een ander vertelperspectief en dus een andere vorm.

Het liefst plaatst Anil Ramdas de enkele schrijvers die wèl zwarte personages in een roman opvoeren onder curatele. Zo staat er zelfs een gebruiksverbod op locaties. Ik laat Iris' familie in de Bijlmer wonen. Dat noemt Ramdas 'afgezaagd'. Hier spreekt hij zichzelf tegen. Want hoe kan het afgezaagd zijn als hij tegelijkertijd beweert dat er nóóit een zwarte familie in door witten geschreven romans zijn te vinden? En waarom mag een zwart ouderpaar niet in de Bijlmer wonen als in hetzelfde boek de ouders van de witte vrouw woonachtig zijn in een bedompt rijtjeshuis in een nieuwbouwwijk?Iedereen in De buitenvrouw behoort in grote lijnen tot dezelfde sociale klasse. Had ik, omwille van het morele keurmerk van Ramdas, de zwarte familie in plaats van in de Bijlmer misschien in Bloemendaal of Loenen aan de Vecht moeten laten wonen?

Ook beweert Ramdas dat Iris een 'raar taalgebruik' heeft. Naar zijn stellige overtuiging kan dit alleen maar uit verouderde woordenboekjes zijn geplukt. Ik kan hem geruststellen; je moet wel stokdoof zijn als je na tien jaar wonen en werken in de Amsterdamse wijk De Pijp niet een aanzienlijk aantal 'Surinamismen' hebt kunnen verzamelen. Maar wie weet hebben mijn Surinaamse buurtgenoten, op de hoogte van mijn 'moedwil en kwade trouw', van de weeromstuit gedateerde en gekunstelde woorden en uitdrukkingen gebruikt zo gauw ze zich vergewisten van mijn aanwezigheid. Overigens doet deze klacht van Ramdas denken aan de verontwaardiging van de inwoner van Appelscha die 'zijn' dorp beschreven ziet in een roman en zich erover opwindt dat er in het boek wèl en 'in het echt' géén stoplicht op het dorpsplein staat.

Ramdas besluit zijn requisitoir tegen 'de' blanke Nederlandse schrijvers met de aankondiging hen voortaan direct op hun 'onoplettendheid en onverschilligheid' te attenderen. Onder verwijzing naar een passage in Ralph Ellisons Invisible Man zal hij hen daartoe zelfs bij de revers grijpen. Als Ramdas consequent is, zal hij moeten erkennen dat vervolgens iederéén wel aan het jasje van de schrijver kan gaan hengelen. Er zijn tenslotte wel meer bevolkingsgroepen die in de honderdduizenden lopen en wier bestaan, in het licht van Ramdas' maatstaven, eveneens door schrijvers wordt veronachtzaamd.

Kinderen met een ernstige ziekte, om maar iets te noemen. Deze maand werd bekend dat het aantal chronisch zieke kinderen in Nederland meer dan vijfhonderdduizend bedraagt. Bij mijn weten zie je daar zelden een exempel van terug in een actuele Nederlandse roman. Zou dat óók een kwestie zijn van 'moedwil en kwade trouw' onder Nederlandse auteurs? Terwijl honderdduizenden kinderen dagelijks hun pijn verbijten, kijken de schrijvers de andere kant op.

De voorbeelden van 'literair veronachtzaamden' zijn talrijk. Wat te denken van het toenemend aantal evangelische christenen? De grote kerken lopen leeg, maar de EO groeit en groeit, en toch zie je vrijwel nooit zo'n nieuw, blij christenmens figureren in de romans van niet-christelijke Nederlandse schrijvers. Dit soort personages vind je grosso modo slechts terug bij schrijvers die zelf óók door de Heer zijn aangeraakt. Ook zij, de nieuwe lichting gelovigen, mogen aanspraak maken op een partij revers-tje trekken - want ook zíj zullen in het ontkerkelijkte Nederland ongetwijfeld hun frustraties hebben.

Ramdas zal het ongetwijfeld niet zo hebben bedoeld, maar een dergelijke opeenstapeling van morele en sociale voorschriften is wèl het directe en onvermijdelijke gevolg van zijn appèl. In zo'n klimaat van dictaat en decreet zal geen schrijver het nog aandurven zijn particuliere preoccupaties te volgen. Het resultaat zal een verschraling betekenen van de literatuur tot een soort papieren 'inloopcentrum' met de schrijver als Nationale Ombudsman.