Het succes van Australische aborigine schilders; Moderne oerkunst

Al bijna 200.000 jaar maken de oorspronkelijke bewoners van Australië, de aborigines, rituele zandmozaïeken. Sinds ze van hun stippel-tekeningen in de jaren zeventig schilderijen gingen maken, is er een grote aborigine-kunstindustrie ontstaan. Hele dorpen worden aan het stippelen gezet door handelaren.

In Nederland zijn twee galeries gespecialiseerd in Aborigine kunst: Galerie Songlines, Prinsengracht 570, tel. 020-4222212 en Galerie Boomerang, Boomstraat 12, tel. 020-4203516. Tentoonstelling Dreamings' - Aboriginal kunst uit Australië. Eusebius kerk, Arnhem. 22 juni t/m 17 sept.

Vorige week ontstond er grote opschudding onder de aborigines in Australië en onder verzamelaars van aborigine kunst. De aborigine kunstenaar Eddie Burrup bleek noch man, noch aborigine te zijn, maar een Ierse vrouw van 82 jaar. Zij maakte haar identiteit bekend, omdat het, zoals ze in een persverklaring zei 'een beetje uit de hand was gelopen'. Een van haar schilderijen dong namelijk mee naar de Australische Aboriginal Art Award.

Een paar dagen later ontstond er in Australië opnieuw commotie vanwege gegoochel met geslacht en etnische afkomst. Dit keer in literaire kring. De aborigine schrijfster Wanda Koolmatrie wier boek My Own Sweet Time in 1995 was bekroond met de Australische literatuurprijs voor beste roman van een vrouwelijke auteur, bleek noch vrouw, noch aborigine te zijn, maar een blanke Australiër. De man had het zekere voor het onzekere genomen en zich laten uitgeven als vrouw en als aborigine, omdat 'dit nu eenmaal goed in de markt lag'.

Het afgelopen decennium zijn de aborigines, de oorspronkelijke bewoners van Australië, plotseling en vogue geraakt. Althans, hun cultuuruitingen. Het is niet de eerste keer dat hun kunst wordt geïmiteerd of vervalst. Ook zal het niet de laatste keer zijn. Traditionele aborigine kunst is hot, de handel erin lucratief en door hun eenvoud zijn de schilderijen gemakkelijk te na te maken. Werd er vroeger jacht gemaakt op de makers, nu is hun kunst aan de beurt.

Wie begin jaren tachtig door de straten liep van Alice Springs, een stadje gelegen in het hart van de Australische woestijn, werd regelmatig aangesproken door een aborigine die zijn schilderij trachtte te verkopen. Dot-painting, m'am. Only sixty bucks'.

Tegenwoordig heeft Alice Springs zo'n dertig galeries die aborigine kunst verkopen. Het merendeel is niet meer dan een veredelde souvenirwinkel. Door heel Australie zijn in korte tijd honderden van dergelijke galeries geopend met exotisch klinkende namen als Gondwana Gallery, Dreamtime of Serpent Rainbow Gallery. Er is grote vraag naar beschilderde boomerangs en emu-eieren, besneden totempalen, mimi-geesten en boombastschilderingen. Jaarlijks nemen buitenlandse toeristen voor tientallen miljoenen dollars van deze populaire handelswaar mee naar huis.

Stippels

Bij de internationale kunsthandelaren is de dot-painting erg gewild: schilderingen die uit duizenden stippeltjes bestaan en doorgaans het scheppingsverhaal vertellen, uit wat de aborigines 'De Droomtijd' noemen. Al zo'n 200.000 jaar maakt dit (voormalig) nomadenvolk uit de woestijn zandmozaïeken over hun geloof. Pas in de jaren zeventig van deze eeuw schilderden leden van de Wailpri en Pintupi stammen deze rituele tekeningen voor het eerst op muren, houten planken en uiteindelijk op schilderslinnen. Daardoor werd hun werk verplaatsbaar en dus verkoopbaar.

De moderne dot-beweging begon in Papunya, een zwarte leefgemeenschap ten noordwesten van Alice Springs, en groeide uit tot wat nu bekend staat als de Aboriginal Art movement. Voor de aborigines in de woestijn die van de regering een uitkerinkje kregen en de godganse dag weinig anders te doen hadden dan hun binnenplaats aanharken en zich bezatten, was schilderen een welkome afleiding. En het gaf hen de mogelijkheid om hun stem te laten horen.

Met de komst van de blanken in 1788 in Australië werden de aborigines massaal vervolgd, als slaven behandeld en in de woestijn bijeen gezet in nederzettingen die ook bekend stonden als 'concentratiekampen'. Zoals de zwarten in Amerika hun jazz hadden, zo kregen de zwarte Australiërs in de jaren zeventig hun dot. Op de nederzettingen werd massaal gewerkt aan de visualisering van de stamverhalen. Net als de jazz werd de dot een belangrijk exportprodukt. Wat er die eerste jaren verscheen, was indrukwekkend, zowel in kwantiteit als in kwaliteit.

Boven de gehate woestijn hing opeens de lucht van geld. Love Story, een schilderij van de beroemde Clifford Possum Tjapaltjarri, leverde bij een veiling van Sotheby's 68.000 gulden op. Vorig jaar werd A Cave Dreaming' van zijn collega Tjakamarra afgehamerd op ongeveer 100.000 gulden.

“Het record wordt elk jaar opnieuw gebroken”, zegt Tim Klingenden, hoofd van het Aboriginal Arts Department van Sotheby's in Melbourne, “de laatste jaren kregen wij zoveel verzoeken binnen, dat wij nu een aparte aborigine kunstdivisie hebben opgericht. De dot-schilderingen gemaakt tussen 1970 en 1973 zijn de echte collector-items. Maar ook de traditionele werken van de Papunya Tula kunstenaars uit het begin van de jaren tachtig zijn gewild bij Europese en Amerikaanse musea en kunstverzamelaars. Voortdurend speuren wij nu Australië af. Veel is destijds verkocht of geruild en die stukken moeten wij boven tafel zien te krijgen.”

Ook de boombast-schildering begint terrein te winnen. Vorig jaar veilde Sotheby's er een voor meer dan een ton. De plotseling wereldwijde belangstelling voor aborigine kunst heeft volgens Klingenden verschillende oorzaken. “Dit werk is om te beginnen esthetisch uniek”, zegt hij. “Daarnaast bezit het een grote spirituele kracht. Dot-schilderingen symboliseren de harmonie tussen mens en natuur. Precies wat in westerse samenlevingen verloren is gegaan, en daar is dus grote behoefte aan.”

Indertijd verkocht Possum zijn Love Story voor 150 gulden. “Als wij een werk veilen”, zegt Klingenden van Sotheby's, “krijgt de kunstenaar daar niets van. Wel stijgt zijn status, wat een positief effect kan hebben op de waarde van zijn huidige werk.” Als negatief effect noemt hij de cash crop: kunstenaars die snel een paar schilderijtjes maken en verkopen terwijl ze nog nat zijn. “Dat werk is doorgaans zielloos”, zegt hij, “het bezit geen enkele historische waarde en voor de kunstenaar betekent het een ongezonde tijd in de stad - if you know what I mean. Sommige mensen kunnen nu eenmaal niet goed omgaan met veel geld.”

Voor de komende veiling, in juni, stelt Klingenden een collectie samen die volgens hem miljoenen dollars zal opleveren. “Nu al kwam er op een klein schilderijtje van Johnny Warangkula een bod van meer dan 200.000 gulden binnen. “En”, fluistert hij, “we hebben ook enkele vroege Emilies.”

Emily-mania

Emily Kame Kngwarreye is een dusdanig begrip dat haar schilderijen Emilies worden genoemd. In 1988 begon Emily Kame Kngwarreye op 75-jarige leeftijd op doeken te schilderen en was de Emily-mania een feit. Haar werk werd vergeleken met dat van Matisse en gekocht door presidenten. Zij heet de grootste Australische kunstenaar te zijn en ze wordt geroemd als een van de belangrijkste abstracte schilders van deze eeuw.

Vorig jaar overleed Emily, die haar hele leven in de woestijn heeft gewoond. Volgens sommigen was zij zozeer een melkkoe geworden 'that she painted herself to death'.

Handelaren vochten om haar werk, terwijl haar stam, de Kngwarreye, aasde op haar verdiensten om daarvan de zoveelste auto te kopen, of de zoveelste televisie. Schattingen over wat Emily jaarlijks verdiende, variëren van 60.000 tot een miljoen gulden.

“Alles wat hier van Emily binnenkwam, was twee minuten later weer weg”, zegt Hank Ebes, eigenaar van de Aboriginal Gallery of Dreamings in Melbourne, “uit Amerika kwamen de handelaren hals over kop aangevlogen. Die huurden een helikopter en probeerden Emily in de woestijn te traceren. Zij boden haar een eerste klas vliegticket naar New York, een suite in het Hilton en het mooiste atelier van Manhattan. Knettergek, die lui hebben werkelijk geen idee. Clifford Possum drukte de hand van koningin Elizabeth en logeerde in de duurste hotels. Die man heeft goud geld verdiend. Nu slaapt en schildert hij weer ergens in een droge rivierbedding. Westerse luxe zegt hen niets. Deze aborigines wonen en schilderen in de woestijn. Zij lopen over hun doeken, zitten erop, slapen erin, een kangoeroe schijt erop. Dat maakt hen allemaal niks uit. Dat is ook het mooie van deze kunst. Het is puur natuur.”

Ebes heeft veel puur natuur. Zijn galerie is de grootste van Australie en van heel de wereld. “Aborigine kunst is een verslaving”, zegt de in Nederland geboren galeriehouder. “Mensen kopen hier 's ochtends voor honderd dollar een schilderijtje. 's Middags komen ze terug om hun auto te ruilen voor een schilderij van Possum. Aboriginal junkies worden ze genoemd. Ik ben er zelf ook een.”

Vijf pepernoten

Ebes is ervan overtuigd dat de aanraking met de aborigine kunst en cultuur zijn bestaan heeft veranderd. “Ik leefde als een krankzinnige”, zegt hij, “tot ik een hartaanval kreeg en hun kunst ontdekte. Deze schilderijen hebben mij geleerd over het leven zelf, over voedsel, over loyaliteit en over harmonie. Als ik nu tot rust wil komen, stap ik in mijn eigen jet en vlieg de woestijn in. Dan ga ik walk-about, zoals de aborigines het noemen, wanneer zij zich terugtrekken. Hun kunst bevat een boodschap die ik wil uitdragen. Europeanen kicken op de term etnografische kunst. Wil je het aan Amerika verkopen dan noem je het conceptual minimalism. So what? Zolang het maar wordt verkocht.”

Het verwijt dat hij de aborigines zou exploiteren, werpt Ebes ver van zich: “Er wordt mij altijd gevraagd hoeveel ik hen betaal. Voor de grap zeg ik dan drie flessen whiskey en vijf pepernoten'. Zo'n vraag is kwetsend. Deze kunstenaars krijgen van mij kwasten, verf en een voorschot waarvan hun hele familie kan leven.”

De winkel van Gallery Coo-ee aan het mondaine Oxford Street in Sydney ligt vol beschilderde baobab-noten, speren, didgeridoo's en do-it-yourself-barkpainting-kits. Boven, in de galerie, hangt de echte kunst. Aan veel objecten hangen kaartjes met de tekst: this is a genuine Australian Aboriginal Artefact. Steeds vaker kom je deze tags tegen als bewijs van authenticiteit. Helemaal waterdicht is het nooit, want op de nederzettingen wordt soms ook door de aborigines gerommeld. Beroemde kunstenaars laten doeken of houtsnijwerken door anderen maken en zetten er vervolgens hun handtekening onder.

“Ik ga altijd zelf de woestijn in”, zegt eigenaar Adrian Newstead, die sinds 20 jaar in het vak zit. “Ik neem direct af van de kunstenaars en van de mensen die ik vertrouw. Zo voorkom je het risico een imitatie in bezit te krijgen. Honderden galeries in aborigine kunst zijn de laatste jaren geopend en net zo snel weer gesloten, want het blijft een moeilijke branche om je geld mee te verdienen. Economisch gezien zijn aborigines niet erg sophisticated. Ze leven zo ongeveer in het stenen tijdperk en hebben geen flauw benul van overheadkosten. Daardoor zijn ze snel geneigd te roepen dat je ze belazert. Als dat gebeurt, kun je het vergeten.”

Van de ongeveer 350.000 aborigines leven er zo'n vijfduizend van de opbrengsten van hun kunst. De meesten zouden niet meer verdienen dan 20.000 dollar per jaar. Niet bepaald riant in het licht van de 150 à 200 miljoen gulden die er jaarlijks in deze kunst- en nijverheidshandel omgaat.

“Hoe kom je erbij?”, zegt Newstead. “Die mensen zitten onder een boom en als zij er zin in hebben, maken ze een schilderijtje, waar zij een gegarandeerd afzetgebied voor hebben. Een zwarte kunstenaar kan tegenwoordig verdomme alles verkopen wat hij maakt. Dat is een belacheljke ontwikkeling. Deze black-art dreigt een cargo-cult te worden.”

Het heeft veel weg van de Mondriaan-cultus. Ook de handel in Aborigine T-shirts, theemutsen, tafelkleden, zijden dassen, serviesgoed en bankstellen is enorm.

Alleen het copyright is niet altijd even goed geregeld.

Zo kwam Wandjuk Marika in een souvenirwinkel opeens allemaal theedoeken tegen waarop reproducties van zijn werk, en dat van zijn vader. Bronwyn Bancroft zag een jurk over straat gaan waarop fragmenten van haar schilderij Eternal Eclipse' en John Bulun Bulun ontwaarde op duizenden T-shirts zijn beroemde At the waterhole'. Het meest geruchtmakend werd The case of the carpetbeggar', waarbij motieven van aborigine schilderijen zonder toestemming op tapijten waren gedrukt. Toen dit aan het licht kwam, bood de fabrikant de kunstenaars als schadevergoeding veertien dollar per tapijt, terwijl de tapijten voor zo'n 4000 dollar van de hand waren gegaan. Er volgde een drie jaar durend proces, dat door de kunstenaars werd gewonnen. De tapijten zijn uit de handel genomen, maar op de dor de rechter vastgestelde schadeloosstelling van 180.000 dollar wordt nog altijd gewacht.

Droomtijd

Toch is er sprake van vooruitgang. De eerste zaak waarbij schending van het copyright aan het licht kwam, speelde in 1966. Het betrof de reproduktie van een werk van Malangi op het Australische een dollar biljet. Het kwam tot een schikking: Malangi kreeg duizend dollar, een medaille en een visuitrusting.

“Dat er zo met onze kunst wordt omgesprongen, bewijst dat wij nog altijd als minderwaardig worden beschouwd.” zegt Tess Mclennan, curator van Boomalli, een kunstenaarscoöperatief in Sydney, dat bij uitzondering ook wordt geleid door aborigines. “Gisteren werden wij gebeld door een slaapzak-firma”, zegt Mclennan, “die mooie patronen voor de binnenvoering zocht. Als zij een selectie hebben gemaakt, reken ik af met de kunstenaars. Zij delen het geld weer uit onder hun familie en vrienden. Alles wat wij verkopen, vloeit terug in onze eigen gemeenschap. Daarvan wordt de huur betaald, of het schoolgeld van onze kinderen. Hier komt geen blanke tussenhandel meer aan te pas.”

Het collectief vertegenwoordigt hoofdzakelijk aborigines die in de stad zijn opgegroeid. Hun ervaringen zijn anders dan die van de stammen in de woestijn of het hoge noorden. “Ook wij hebben onze Droomtijd”, zegt Mclennan, “onze dansen, muziek en schilderingen, maar daarin worden aktuele onderwerpen verbeeld: het drugsgebruik in onze woonwijk, het racisme of de naderende Olympische Spelen. Daar heeft de internationale kunsthandel totaal geen zin in. Dat ontkracht de mystiek, het romantische idee van de nobele wilde die zulke mooie kunst maakt. ”

“Het is absurd. Eerst moeten wij uit alle macht assimileren. Dan raakt de wereld plotseling geobsedeerd door onze traditionele kunst en halen zij onze schilderijen uit de woestijn naar London en New York om ze daar voor gigantische bedragen te veilen.”

In de opslagplaats van Walonia Aboriginal Art Import in Tilburg staan en hangen zo'n tweeduizend werken van aborigines. Overwegend dot-en boombastschilderingen, maar totempalen, beschilderde boomerangs en muziekstokjes zijn ook in ruime mate vertegenwoordigd. Walonia, de enige Europese groothandel in aborigine kunst, werd twee jaar geleden opgezet. “Van het begin af aan proberen wij zo koosjer mogelijk in te kopen”, zegt mede-eigenaar Meeuwsen. “Wij hebben toestemming om de nederzettingen in de woestijn te bezoeken. Daar onderhandelen we met de kunst-coördinator, wij nemen groot af en betalen ter plekke. Alleen al om die reden zijn wij gewilde klanten.”

Bij het koosjer inkopen hoort ook een foto van de kunstenaar samen met zijn werk dit als bewijs van de authenticiteit, want er zijn vervalsingen in omloop. “De dot is gemakkelijk te imiteren”, zegt Meeuwsen. “Een dag erop studeren en je kunt het. Zo'n geval als met die Burrup bewijst weer eens dat je direct moet onderhandelen met de kunst-coördinator op de nederzettingen. De werken van Burrup werden blind gekocht. Niemand had die man, een vrouw dus, ooit gezien.”

“Bovendien is de kunst-coördinator blank en kan rekenen”, zegt haar zakenpartner De Waal, “de meeste aborigines in de woestijn kunnen namelijk niet tellen. Rover Thomas, een beroemdheid, telt niet verder dan 999. Daarboven wordt alles abstract. Duizend dollar is voor hem hetzelfde als vijftienduizend dollar, namelijk a lot of money'. De gedachte hoeveel handelaren van die man rijk zijn geworden, is beangstigend.”

Een aantal nederzettingen heeft echter geen kunst-coördinator, waardoor de hawker weer vrij spel heeft: blanke handelaren die met een jeep en een picknick mand de gemeenschap binnenrijden.

“Aangekomen roepen zij de vrouwen bij elkaar”, zegt De Waal, “dan delen ze kwasten en verf uit en gaan zij gezellig een lang weekeinde dotten. Die vrouwen stippelen zich een ongeluk en geven de doeken terug in ruil voor wat kledingstukken of zo. Op deze nederzettingen kopen wij dus niet.”

De groothandelaren zijn ervan overtuigd dat de belangstelling voor Aborigine kunst in Europa nog in de beginfase verkeert. “De hype moet nog komen,' zegt Meeuwsen, “de interesse in oude natuurvolken zal alleen maar toenemen, en niet altijd om even gezonde redenen. De reacties zijn soms erg overdreven. In de trant van die aborigines staan nog in contact met de oertijd, met de aarde, en bezitten nog wat wij hebben verloren' en meer van dat soort blabla. Puur, hoor, al die oogzweren die je in de woestijn tegenkomt, de diabetes, het alcoholisme, de honderden bakken wittebrood en televisies.”

“Wij hebben meegemaakt dat mensen bij een tentoonstelling in tranen uitbarstten,' zegt De Waal, “zo mooi, zo bijzonder vonden zij deze kunst. Dat is niet onze markt. Dat zijn de types die het jaar daarvoor aan aardstralen deden en dit jaar aan aborigine kunst.”

Met dank aan Susan McCulloch