Moedwil en kwade trouw bij blanke schrijvers; Niemand heeft oog voor het vreemde

Het kan in een beschaafde samenleving niet de bedoeling zijn dat de zwarten uitsluitend schrijven over zwarten en de witten over witten. Dat riekt naar culturele apartheid. Het is een wanprestatie van de Nederlandse vertellers om niet te zien dat hun samenleving in de afgelopen twintig jaar drastisch van kleur en aard is veranderd, vindt Anil Ramdas. 'Als zo'n schrijver op straat tegen mij opbotst, grijp ik hem bij zijn revers.'

Ik heb de indruk dat men op straat vaker tegen mij opbotst dan tegen anderen en als ik in een goede bui ben wijt ik het aan mijn geringe lengte; ik ben iets meer dan 1,67 meter. Het patroniserende schouderklopje bij wijze van excuus accepteer ik gelaten, maar als ik een slecht humeur heb zie ik ook andere redenen waarom men mij over het hoofd ziet. Ik ben niet alleen klein, maar ook bruin. Ik moet opschuiven, plaatsmaken, voorrang verlenen aan de werkelijk rechthebbenden.

Op zulke momenten van verongelijktheid en zelfbeklag ben ik zelfs afgunstig op de naamloze neger in The Invisible Man van Ralph Ellison. Hij greep de lange blonde man die op de eerste bladzij tegen hem opbotste bij zijn revers en eiste een verontschuldiging. Omdat de man schaamteloos uit zijn blauwe ogen bleef kijken en ook nog verwensingen uitte, ramde de neger diens kin op zijn kruin en gaf hem kopstoot na kopstoot totdat het vlees van de opbotser scheurde en het bloed eruit gutste. Zo'n actie zou ik niet kunnen ondernemen. Ik zou niet eens de revers van de man bereiken, laat staan dat ik hem van de grond zou kunnen optillen en met mijn hoofd rammen.

Aan het racisme waar Ralph Ellison het over heeft, komt nauwelijks kwaadwilligheid te pas. Toen de onzichtbare man in zijn razernij een mes te voorschijn haalde om de strot van de blonde man te doorsnijden, realiseerde hij zich plotseling dat hij hem misschien ècht niet kon zien. De blonde man wist waarschijnlijk niet beter dan dat hij met open ogen een nachtmerrie beleefde. Hij had domweg niet het vermogen om meer waar te nemen dan zijn zelfbeeld. Hij kon zich alleen identificeren met degenen die op hem leken, zijn ontmoetingen waren altijd weerkaatsingen, projecties van hemzelf. Hij herkende alleen datgene wat hij van zichzelf kende. Het vreemde, het onbekende, het niet gelijkende werd door hem terzijde geschoven, naar de marges van zijn voorstellingsvermogen verbannen, naar de wereld van de geesten en spoken. Hij was bijna vermoord door een hersenschim.

Wat de onzichtbare man razend maakte, was dat het zo vanzelfsprekend was dat hij er niet toe deed. Het was een doodnormale, alledaagse realiteit dat men geen acht hoefde te slaan op zijn bestaan. Hij was een stoffelijk wezen van vlees en been en vezels en sappen en misschien zelfs ergens een brein, maar de slechtzienden om hem heen ontwaarden verder geen details, geen gezichtsuitdrukkingen, gemoedstoestanden, uitingen van gekwetsheid of trots. Aan hem hoefde geen aandacht te worden besteed en dit gebrek aan aandacht, deze onoplettendheid, deze vanzelfsprekende en algemeen geaccepteerde onverschilligheid is volgens Ellison in principe erger dan opzettelijke en bedoelde hatelijkheid. Bedoelde hatelijkheid is aan te wijzen, omdat het om een afwijkende situatie gaat en te bestrijden omdat de daders zich bewust zijn van het aangerichte kwaad. Maar wat als ze zich daarvan niet bewust zijn? Als ze het niet zien en als de slechtzienden bovendien getalsmatig in de meerderheid zijn? Dan wordt slechtziendheid de norm en ben jij het die kampt met bijziendheid.

De lange blonde man die in Ellisons roman wordt afgetuigd, had zijn straf niet verdiend, omdat er van kwade wil geen sprake was. Natuurlijk kunnen we zeggen dat oplettendheid een uiting van beschaving is, we kunnen stellen dat het schenken van aandacht aan iedere medemens een ethische plicht is en dat de ontkenning van iemands waardigheid een ontoelaatbare vernedering is, maar als de man het vermogen mist zich te identificeren met anderen dan degenen die op hem lijken, is er sprake van pure onmacht zijnerzijds. Hij kan het niet helpen dat hij dat vermogen niet heeft. Hij beschikt niet over de vaardigheid om zich de ander voor te stellen. Wat hij niet begrijpt bestaat niet, wat hij niet kent ziet hij niet.

Het kunnen zien van het onbekende, het willen begrijpen van het vreemde, is een vaardigheid die oefening vergt. Verwondering over wat ongewoon is, is dan ook een vak, fascinatie voor wat anders is vereist talent. Niet iedereen beschikt daarover en dat hoeft gelukkig ook niet. Eenvoudige burgers kunnen niet aldoor avontuurlijk zijn, ze moeten wel leven volgens hun routine, hun alledaagse gewoonten en regelmatigheden. Anderen moeten het vreemde maar proberen te doorgronden en het aan hen uitleggen. Mensen van de wetenschap bijvoorbeeld, of journalisten en belangrijker nog: romanschrijvers. Van hen moet je verwachten dat ze over het talent beschikken om zich met meer te identificeren dan met variaties op zichzelf. Het is hun beroep om zich te verplaatsen in het leven van anderen, onbekenden, vreemdelingen, buitenlanders. Het is hun ambacht zichtbaar te maken wat voor eenvoudige blonde mannen onzichtbaar blijft.

Stel dat die lange blonde man van Ralph Ellison een Nederlander was. En stel dat hij het voorgaande erkende en vertrouwde op het ambacht van Nederlandse auteurs en daarom hedendaagse Nederlandse romans las. Zou hij mij als Surinamer van 1,67 meter dan toch over het hoofd zien? Stel dat hij Zionoco van Leon de Winter zou aanschaffen en in één ruk uitlezen. Want het is met vaart geschreven, die kunst is Leon de Winter toevertrouwd. Het gaat over een Nederlandse rabbijn die Sol heet en getrouwd is met een rijke Amerikaanse in New York. Hij bedriegt haar, wordt betrapt en uit New York verbannen en dan beland je automatisch in Paramaribo - misschien een referentie aan het feit dat de Nederlanders ooit de onbegrijpelijke stommiteit begingen New York met de Engelsen te ruilen voor Suriname.

Sols vader was ooit ook betrapt op overspel waarna hij naar de rimboe van Suriname vluchtte en van een tocht over de rivier nooit meer terug kwam. Zoon volgt vader tegen wil en dank, dat is een aardig gegeven.

Maar we zien de zoon rondhangen bij het zwembad van hotel Torarica, zowat de enige plek in het 180.000 km grote land waar blanken zich een beetje op hun gemak voelen. Hij drinkt er marguérita's die worden gemixed door de barman Stanley. Stanley is toevallig ook de bootsman die zowel de vader als later de zoon over de rivier naar de duistere bronnen leidt, een associatie met Joseph Conrads Hearth of Darkness waar de auteur zich van bewust is. Want Sols vader blijkt een Kurtz-achtige figuur te zijn die in het oerwoud naakte kannibalen bekeerde tot het jodendom en zelf op zoek ging naar de berg die Zionoco heet, de ware tempelberg in de jungles van de Amazone.

Mooie, romantische associaties liggen voor het grijpen, met Joseph Conrad niet alleen, maar ook met Paul Theroux' The Mosquito Coast waarin de hoofdfiguur de ongerepte hof van Eden in de wildernis zoekt en zijn innerlijke wildernis daarbij verdringt, en met Malcolm Lowry's Under the Vulcano over de eeuwig dronken Britse consul in de verzengende hitte van Mexico.

Deze meesterwerken blijven helaas verre echo's, want als Sol zich bedrinkt is hij niet de ironische consul die tragisch ten onder gaat, maar een knorrige Nederlander die even zijn afkeer laat blijken van 'de houten bouwvallen met afgebladderde gevels die worden weggevreten door de tropische regens en de moordende zon, de stank van de rottende vruchten, de kale etalages, het vale drukwerk, de lethargische mannen op de straathoeken, de achterlijkheid en de naïeve opgewektheid waarmee iedereen de ellende wegwuift.'

Het verre land is niet meer dan een akelig decor waartegen de Nederlander zijn verloren liefdes beweent. Maar wat zijn de tropen zonder sensualiteit, wat heb je aan zwarten zonder erotiek? Dus is er een nieuwe liefde, de lyceum-lerares Sandra, die haar grote lippen accentueert met felrode lipstick, om haar parmantige kont altijd tanga-slipjes draagt en 'als een poema gromt als ze klaarkomt'. Ze is 'fel, sierlijk en katachtig'. Sol vrijt met haar, maar minacht haar tegelijk: 'Het maakte eigenlijk niet uit wat ze tegen hem zei. Als ze straks maar lachend en heupwiegend op hem kroop.'

Hoewel Sandra een ontwikkelde vrouw is, wordt ze toch als een hoer behandeld en als ze zegt dat ze zwanger is van Sol gelooft hij daar niks van. Negerinnen zijn niet te vertrouwen en ach, als hij haar in de steek laat, is het zo erg niet, want 'het hele land wordt bevolkt door kinderen die hun vaders niet kennen.'

Na het lezen van dit voor de Ako-literatuurprijs genomineerde boek heb ik wel drie keer gekeken naar het jaar van uitgave, en het was tot mijn schrik niet 1895 maar 1995. Misschien zou je Zionoco nog kunnen verdedigen als een bizar sprookje, een hallucinatie van een dronken rabbijn met een zonnesteek. Maar dan blijft de vraag waarom Sandra nodig is geweest als ze toch geen karakter wordt, geen verleden krijgt en nauwelijks de loop van het verhaal beïnvloedt. Leon de Winter staat hulpeloos tegenover de ranzige vooroordelen van blanke mannen over zwarte vrouwen, hij heeft zich niet kunnen verplaatsen in het leven van deze ene zwarte vrouw. Ze blijft daarom een schim, tegen wie je kan opbotsen zonder te beseffen dat je met een mens van doen hebt. Ook Stanley, de barman en gids, blijft trouwens onzichtbaar. Als hij Sol met zijn mes bijna vermoordt, denk ik: dat is Ralph Ellison, maar dan vanuit het standpunt van de blonde man.

Stel dat men het na Zionoco niet opgeeft en De Buitenvrouw van Joost Zwagerman ter hand neemt. In Zwagermans werk klinken minder echo's uit de wereldliteratuur, maar hij doet een duidelijker poging de buitenlander in Nederland zichtbaar te maken. Het is zelfs wat de hoofdpersoon Theo Altena het prettigste vindt: lekker kijken naar zijn zwarte buitenvrouw. En wat ziet hij? Hij ziet haar handpalmen die de kleur hebben van sigarettenfilters, haar huid die in kunstlicht glimt als suikerstroop, de groeven in haar knieholten die bij een bepaalde stand van de zon vaag herinneren aan het mauve van rozijnen. 'Schilde hij een kiwi, at hij gestoofd rundvlees met jus, kocht hij blokken hout voor in de open haard of dronk hij thee die lang had getrokken, dan dacht hij aan mogelijke overeenkomsten met haar huidkleur.'

De zwarte buitenvrouw heet Iris en we komen iets meer over haar te weten dan over Sandra in Zionoco: ze is gymnastieklerares op de middelbare school waar Theo Nederlands geeft, ze is geboren in Paramaribo en sinds haar tiende opgegroeid in de Bijlmer. Haar twee broertjes hebben hun school niet afgemaakt en dreigen 'wakamans', straatjongens te worden, haar vader trekt WW, haar grootmoeder woont zonder geldige verblijfspapieren bij hen in en Sandra's echtgenoot Sidney houdt er zelf ook buitenvrouwen op na.

Maar heeft Iris behalve deze vlakke en afgezaagde achtergrond nog bijzondere kenmerken? Wat voelt zij, wat streeft zij na, wat wil zij van haar leven maken, heeft zij een doel? We weten wel hoe ze ruikt (naar notenolie en bedauwde bosgrond) maar niet wat ze denkt. Heeft ze opvallende gedragingen, behalve dat ze haar slipje aantrekt zonder van de bank op te staan? Heeft ze nare ervaringen behalve dat taxichauffeurs het portier niet voor haar openen? Ze heeft een slechte smaak voor meubelen, maar hoe komt ze daaraan? Welke nachtmerries en obsessies heeft ze en welke vooroordelen?

De schrijver heeft een excuus: 'De tussenuren op de dinsdag waren toereikend om te neuken, maar zelden kwam het zover dat zij elkaar vertelden over hun dagelijkse gewoonten of intieme herinneringen.'

Dat is erg jammer, maar goed, ook in het geslachtsverkeer leer je iemand kennen en zo komen we te weten dat Iris geen orale seks wil, omdat ze gelooft in 'kroi', waarbij de vrouw met behulp van haar afscheiding een magische invloed op de 'kra', de geest van de man verwerft. Het merkwaardige is alleen dat dit door antropologen uitgebreid beschreven element uit het winti-geloof in de dagelijkse praktijk vrijwel alleen voorkomt bij arme, ongeletterde volkscreolen, met name bij het mannelijke deel daarvan, en nauwelijks bij mensen met een middenklasse achtergrond zoals Iris. Sowieso heeft Iris een raar taalgebruik en ook haar familieleden bezigen Surinaamse woorden die niet overeenstemmen met hun culturele achtergrond.

Dat is trouwens een opvallende overeenkomst tussen Leon de Winter en Joost Zwagerman: de behoefte om de grondigheid van hun research te demonstreren met behulp van woordjes uit het Sranang Tongo, zonder te beseffen hoe sterk deze verbonden zijn met klassecategorieën. Het is ongeveer als de echtgenote van de Nederlandse notaris die aan tafel tegen haar zoon 'krijg de klere' zou roepen. Nog lachwekkender wordt het als die woorden lijken te zijn overgeschreven uit een verouderd woordenboekje. Leon de Winter spreekt bijvoorbeeld van een 'droenkoeman', een zuiplap, maar zo werd dat woord alleen in 1895 uitgesproken.

Het pijnlijke is dat Leon de Winter en Joost Zwagerman zich in hun begaan zijn met het lot van migranten juist positief onderscheiden van hun collega's. Joost Zwagerman wond zich er terecht over op dat een recensent van zijn boek hem uitmaakte voor een 'linkse racist' en Leon de Winter schreef samen met Chris van der Heijden een pamflet getiteld Handleiding ter bestrijding van extreem rechts. Maar deze goedwillendheid kan niet compenseren dat hun zwarte personages elke overtuigingskracht missen. Om ze overtuigend te maken, is meer nodig dan een antropologische inleiding of een vakantie in het verre land. Men moet in staat zijn naar die mensen te luisteren, hun innerlijke motieven bloot te leggen, hun kijk op het leven na te voelen en om hun gekten te lachen. Betrokkenheid hoeft geen politiek-correcte saaiheid te betekenen. Het kost inspanning en wilskracht, maar het voorkomt bedenkelijke onevenwichtigheden als in het boek van Zwagerman voorkomen. Zijn blanke personages, Theo en diens vrouw Sylvia, krijgen genoeg diepte, maar de donkere Iris? Ik ben bang dat onze blonde man haar zo omver zou lopen.

Hoe is het toch mogelijk dat de hedendaagse Nederlandse romanciers een miljoen mensen over het hoofd kunnen zien? Juist degenen van wie men mag eisen dat zij over de vaardigheid en het talent beschikken om de onzichtbaren zichtbaar te maken, blijken niet meer te kunnen zien dan wat variaties op hun zelfbeeld. Ze herkennen uitsluitend wat ze al kennen en verbannen het vreemde en het onbekende naar de oorden van vage schimmen of exotische objecten van de lust. Dat was niet erg zolang de Nederlandse samenleving nog spierwit was, maar zelfs toen al waren er schrijvers die oog probeerden te hebben voor de enkele vreemdeling die hier rondliep. Jan Wolkers bijvoorbeeld, die vertelt over de Indische meisjes, schoon en rank als kantjils, van wie hij vlak na de oorlog zijn eerste natte dromen kreeg. En nog veel eerder Simon Vestdijk, die in De Bruine Vriend met een broeierige hartstocht vertelt over de verliefdheid van Henk op een manke jongen met een rosbruine gloed over zijn koperachtige huid. Ook Vestdijk excuseert zich door te zeggen dat niemand wist waar deze prins met zijn smalende gezicht en de flauw geringschattende lach vandaan kwam, maar zijn fascinatie is zo intens en tegelijk ook zo onschuldig dat je het onmiddellijk accepteert.

Het was ook de tijd van de onschuld, maar die is zachtjes vermoord sinds de vreemdelingen 'allochtonen' zijn gaan heten. Louter fascinatie volstaat niet meer. Er zijn nu een miljoen levens, persoonlijkheden, achtergronden, geschiedenissen, ambities en verlangens die onzichtbaar blijven. Als ze al zichtbaar worden, is dat door toedoen van de enkele allochtone schrijvers. Maar het kan in een beschaafde samenleving niet de bedoeling zijn dat de zwarten uitsluitend schrijven over zwarten en de witten over witten. Niet alleen omdat dit naar culturele apartheid riekt, maar ook omdat de suggestie ontstaat dat een ieder in z'n eigen wereldje tevreden kan zijn. Die werelden zijn niet gescheiden en ze zijn bovendien niet gelijkwaardig. De ene groep loopt de andere systematisch omver.

Dat de lange blonde mannen dat doen wil ik hen best vergeven. Ze zijn zich waarschijnlijk van geen kwaad bewust, omdat ze het vermogen missen om meer te zien dan hun eigen weerkaatsingen. Maar degenen die dat vermogen wel zouden moeten bezitten, de populaire en succesvolle schrijvers van Nederland, waarom zijn zij slechtziend? Slechtziendheid is niet eens het woord, ze hebben hun ogen dichtgeknepen. Soms uit angst, zoals Gerrit Komrij die in zijn boekenweekessay de dreiging beschrijft van 'besnorde en betheedoekte jihad-roepers', en soms uit bejaardheid, zoals Gerard Reve die zichzelf tegenover een journalist betrapte op een mening over negers. Maar een enkele uitzondering daargelaten - zoals Margriet de Moors Hertog van Egypte, waarin zij indringend verhaalt over zigeuners - zijn de bekende volksschrijvers van dit moment onoplettend en onverschillig.

Zo langzamerhand moeten we dat gaan wijten aan moedwil en kwade trouw. Het is toch een formidabele wanprestatie van de Nederlandse vertellers om niet te zien dat hun samenleving in de afgelopen twintig jaar drastisch van kleur en aard is veranderd? Zelfs als men meent dat hedendaagse schrijvers niet 'geëngageerd' hoeven te zijn en zich mogen beperken tot hun intieme omgeving, is het de vraag hoe het komt dat Surinamers, Antillianen, Turken en Marokkanen niet tot die omgeving doordringen. Terwijl een miljoen burgers hun dagelijkse vernederingen verbijten, kijken de Nederlandse schrijvers een andere kant op. Als zo'n schrijver op straat tegen mij opbotst, grijp ik hem bij zijn revers, al moet ik ervoor op een trapje gaan staan.

    • Anil Ramdas