Werpen om te leven; Neanderthaler jaagde systematisch op zoogdieren

In Schöningen (Duitsland) zijn oude houten speren gevonden. De vondst steunt de theorie die wil dat de oermens met een projectiel in de vuist op jacht ging.

BRUINKOOLWINNING in dagbouw verwoest bestaande landschappen. Maar als de gigantische graafmachines hun verwoestende werk doen, komt het verleden op ruime schaal aan het licht. Dat is voor de archeologie een buitenkans, omdat zij meestal genoegen moet nemen met zeer bescheiden oppervlakken.

In 1983 kreeg de Duitser dr. H. Thieme zo'n buitenkans. Hij werd aangesteld om onder meer de zes vierkante kilometer bruinkoolwinning bij Schöningen (Niedersachsen) archeologisch te begeleiden. Zijn onderzoek leverde vrijwel onmiddellijk vindplaatsen op uit het Holoceen, de huidige geologische periode die 10.000 jaar geleden begon. De graafmachines sneden echter ook oudere lagen uit het Pleistoceen aan en langzamerhand werd duidelijk dat de bruinkoolgroeve voor het late deel van het Oud Paleolithicum (dat tot 300.000 voor Christus duurde) grote beloften inhield. Rond 1992 verschoof het zwaartepunt van het onderzoek naar deze vroege periode. Er werd een onderzoeksteam geformeerd. Thieme nodigde onder anderen dr. D. Mania uit, die naam had gemaakt met onderzoek naar de 350.000 jaar oude vindplaats van Bilzingsleben, de paleobotanicus mevrouw dr. B. Urban en de Leidse paleontoloog dr. Th. van Kolfschoten.

Na eerdere vondsten van vuurstenen werktuigen en een grote hoeveelheid plantenresten en dierenbotten, dook in dat jaar de eerste van een reeks sensaties uit de groeve op. Thieme vond bewerkte stukken hout die aan beide zijden waren voorzien van een gleuf en die hij interpreteerde als heften voor vuursteenafslagen. Ongeveer 700 meter verderop volgde twee jaar later een 78 centimeter lang stuk hout dat aan beide uiteinden zorgvuldig was aangepunt. Volgens Thieme zou dit een werpstok kunnen zijn. Als klap op de vuurpijl werden in 1995 drie goed bewaard gebleven houten speren ontdekt. Ze hebben een lengte van ongeveer 230 centimeter. Dat er in het Europese Paleolithicum speren werden gehanteerd is niet nieuw, eerder al vond men bij Clacton (Engeland) de spits van een speer en bij Lehringen (Duitsland) een compleet exemplaar, respectievelijk zo'n 300.000 en 120.000 jaar oud. Uniek aan de Schöningense speren is echter dat het in tegenstelling tot Clacton en Lehringen niet om stoot- maar om werpsperen gaat. Ze werden over een lengte van zestig centimeter bijgepunt en het zwaartepunt ligt niet in het midden maar verder naar voren. De drie speren zouden 400.000 jaar geleden zijn gemaakt (Nature, 27 febr.).

PROJECTIELEN

Resten van oermensen die deze jachtwerktuigen gebruikten zijn in Schöningen nog niet ontdekt. Thieme houdt zich over hun typering ook op de vlakte. Hij heeft het over pre-modern humans of early hominids. In de tijd gezien zit deze voorouder ingeklemd tussen de 500.000 jaar oude Homo heidelbergensis van het Zuidengelse Boxgrove en de 350.000 jaar oude mensen van Bilzingsleben uit het oosten van Duitsland. De laatste begon al trekjes van de jongere Neanderthaler te krijgen, de bekende zware botrichel boven de wenkbrauwen om maar iets te noemen. Prof.dr. W. Roebroeks, als prehistoricus verbonden aan de Universiteit van Leiden en leider van het Pionierproject Changing Views of Ice Age Foragers: “We weten nog niet wat daar rondliep. Heel lang hebben we als volgt geredeneerd: het is zo en zo oud, dus zal het wel dát type zijn. Maar dan kom je in cirkelredeneringen terecht. Als je wel hominide resten hebt, raak je weer in andere discussies verzeild.”

Roebroeks praat liever over de archeologische betekenis van de ontdekte speren: “Eind jaren zeventig begon de Amerikaanse antropoloog Lewis Binford alle scenario's over de gedragsmatige evolutie van de mens te kritiseren. Hij zette de ideeën over de basiskampen en living floors van hominiden in Olduvai aan de kant en wilde van geen jacht weten. Ook niet van jagen door de latere Europese mensachtigen zoals de Neanderthalers. Clive Gamble is op dit ogenblik de meest extreme vertegenwoordiger van deze visie. Voor hem is alles wat vóór de moderne mens kwam een opportunistische aaseter, een wezen dat niet kan vooruitzien, plannen of organiseren en dat over niet meer beschikt dan een vijf-minutencultuur. Gamble ziet in de speer van Lehringen dan ook een snow probe, gebruikt om naar bevroren mammoetkadavers te zoeken.”

Deze afbraak van het beeld van de oermens als onverschrokken man-the-hunter is vooral een Angelsaksische aangelegenheid gebleven. In Frankrijk en Duitsland bijvoorbeeld wilde men er niet van weten. De Neanderthaler had gewoon gejaagd; punt uit. Toch is er ook daar, als overal, wel een invloed uitgegaan van het geluid van eerst Binford en nu Gamble. Men ging veel kritischer naar de vondsten kijken. Roebroeks: “Maar nu dan de speren van Schöningen. Ze zijn gemaakt van sparrenhout. Omwille van de sterkte van de speren werden boompjes met veel jaarringen uitgezocht. Het zijn èchte projectielen. Er zit een hoop kennis in van de natuurlijke omgeving en van het maken van jachtwerktuigen. En dat ze met de speren vervolgens iets deden, is ook logisch. Daarom komen nu bij het extreme scenario van Binford en Gamble grote vraagtekens te staan. De laatste vijf jaar doken al meer bewijzen op dat de Neanderthaler wel degelijk tot jagen in staat was, dat hij systematisch op zoogdieren jaagde. De speren van Schöningen verplaatsen dat moment nog eens 200.000 jaar in de tijd terug.”

PAARDEN

De aardlagen waarin de vondsten van Schöningen voorkomen, zijn in de zogenoemde Reinsdorf-periode (zie kader) afgezet door een waterloop die zich voortdurend verplaatste en die de ondergrond steeds dieper uitspoelde. Deze lagen liggen daardoor dakpansgewijs tegen elkaar, goed van elkaar te onderscheiden. Het materiaal dat erin werd aangetroffen, ook het dierlijke en plantaardige, bleek goed geconserveerd. Verantwoordelijk hiervoor is het kalkhoudende grondwater, afkomstig uit het nabije Harzgebergte. Van Kolfschoten, hij leidt de bestudering van de resten van gewervelde dieren: “Samen met de uitstekende conservering biedt deze omstandigheid mogelijkheden om de ontwikkelingen te bekijken binnen het verloop van een interglaciaal temperatuur-maximum naar het aansluitende minimum. We kunnen zien hoe de planten- en de dierenwereld zich in zo'n tijdvak ontwikkelden. En gewoonlijk kan óf paleobotanie óf paleozoölogie worden ingezet voor het opstellen van de geologische stratigrafie van ijstijden. Hier kunnen we de resultaten van beide onderzoeksmethoden met elkaar vergelijken. Dat is allemaal nog niet eerder mogelijk geweest.'

De bestudering van het plantaardige en dierlijke materiaal is tot nu toe geconcentreerd geweest op de vindplaats met vuurstenen werktuigen en op de plek waar de speren zijn gevonden. De eerste stamt uit het vroege, de tweede uit het late Reinsdorf. Het beeld dat voor het vroege Reinsdorf naar voren komt, laat bosgebied zien met waterlopen en moerassen. Deze biotoop werd bevolkt door waterbewoners zoals snoek, bever en watermol. Verder door bosbewoners: wilde zwijnen, beren, reeën, herten enzovoort. Wat verder weg, in de richting van de Harz, kwam ook opener terrein voor. Daar liepen onder meer paarden en neushoorns rond.

Bij de latere Reinsdorf-vindplaats met de speren hoort een steppe-achtig beeld, grasland met hier en daar wat plukken naaldbos. Het paard domineerde in deze koudere en drogere omstandigheden. Dit dier maakte negentig procent van de fauna uit. Volgens Thieme maakten de oermensen van Schöningen met de speren jacht op deze paarden. Op de vindplaats en in de directe omgeving werden veertien complete paardenschedels aangetroffen en duizenden kapotgeslagen paardenbotten.

Meer warmtepieken

De ouderdom van de Schöningense vondsten is bepaald met behulp van geologie, paleobotanie en paleozoölogie. Direct op de bruinkool van Schöningen - gevormd in het geologische Tertiair - liggen de grondmorenen van de Elster ijstijd. Het volgende glaciaal dat sporen in de groeve heeft achtergelaten is het Saalien (dit bedekte ook ons land gedeeltelijk met ijs). De afzettingslagen waarin de ontdekkingen zijn gedaan bevinden zich hier tussenin. Grofweg betekent dit dat hun ouderdom tussen de 150.000 en 450.000 jaar moet liggen. Tussen de Elster en de Saale ijstijd is in veel geologieboeken het Holstein interglaciaal de enige warmere periode. Maar op grond van paleobotanisch en paleozoölogisch onderzoek van de opeenvolgende lagen kunnen in Schöningen nog twee warmtepieken worden onderscheiden. Die kregen de namen Reinsdorf en Schöningen/Belvédère. Op dit punt bestaat echter discussie. Flora en fauna van Holstein en Reinsdorf lijken van elkaar te verschillen, maar van het Holstein is eigenlijk nog weinig bekend. De nieuwe indeling is dus wat speculatief. Deze discussie is voor de vondsten echter van groot belang, want de claim van 400.000 jaar ouderdom is voor een belangrijk deel gebaseerd op botanische en zoölogische verschillen tussen de afzettingslagen.