Waar blijven de Passionen van Haitink en Chailly?

De Nederlandse Bach Vereniging, die dit jaar het 75-jarig bestaan viert, werd opgericht als reactie op de Bach-traditie in het Amsterdamse Concertgebouw. Daar dirigeerde Willem Mengelberg sinds 8 april 1899 jaarlijks op Palmzondag de Matthäus Passion in een laat-romantische stijl, die steeds meer omstreden raakte.

Hoe die Matthäus van Mengelberg tot 1944 ongeveer klonk, kunnen we nog horen op de enige opname die daarvan resteert: de radio-uitzending van 1940. Wegens de onverdraaglijke lengte van deze langzame Matthäus waren soms de mooiste delen gecoupeerd. Verder werd deze Matthäus dik, massaal, overdonderend uitgevoerd met veel rubato: tempowisselingen die op dramatisch effect waren berekend.

De Nederlandse Bachvereniging kwam vanaf 1922 met een andere Matthäus Passion in de heldere akoestiek van de Grote Kerk in Naarden onder leiding van de dirigenten Schoonderbeek, Ochs, Cornelis en dr. Anthon van der Horst (van 1931-1964). Die Matthäus was lichter, doorzichtiger, sneller en strakker en - binnen de afzonderlijke nummers - eenduidiger van tempo. Het werk van Bach werd naar de 'progressieve' opvattingen van toen meer naar zijn authentieke bedoelingen weergegeven.

Pas een halve eeuw na de oprichting van de Bachvereniging veranderden de Amsterdamse opvattingen over Bach definitief. In de vroege jaren zeventig kwam Nikolaus Harnoncourt, afkomstig uit de 'authentieke' richting, eerst bij het Residentie Orkest, later bij het Concertgebouworkest met een veel snellere, beweeglijke en zeer klein bezette Matthäus, die voortaan werd afgewisseld met uitvoeringen van de Johannes Passion.

Bij beide, op modern instrumentarium spelende orkesten, handhaafde Harnoncourt de toenmalige verworvenheden van de 'authentieke' speelwijze: een levendige accentuering en veel doorzichtigheid. Daarnaast was er nog de puur authentieke richting, die in ons land een eerste Matthaüs Passion opleverde van Ton Koopman.

Ondertussen bleef de Nederlandse Bachvereniging de eigen traditie trouw, al paste dirigent Charles de Wolff, die de Naardense Matthäus sinds 1965 leidde, zich in de late jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig enigszins aan. Hij richtte zich vooral op één van de kenmerken van de nieuwe 'authentieke' of 'half-authentieke' Matthäus: het hogere tempo. Zo werd De Wolffs Bach alsmaar sneller, maar verloor die tegelijkertijd aan expressie en emotionaliteit. De eens zo prestigieuze Naardense Matthäus was tenslotte veranderd in een bijna nietszeggende aangelegenheid.

De richtingenstrijd binnen de Nederlandse Bachvereniging leidde tot de 'Naardense revolutie'. De uitkomst was dat de Nederlandse Bachvereniging vanaf 1984 puur 'authentiek' zou werken en naast het eigen, sterk verkleinde, koor ook een eigen barokorkest formeerde. Bovendien werd een eind gemaakt aan de jarenlange alleenheerschappij van de vaste dirigent: voortaan werd de Matthäus door wisselende dirigenten geleid. Die koerswijziging heeft grote artistieke successen opgeleverd onder leiding van Van Immerseel, Koopman, Fischer, Herreweghe, Van Veldhoven, Jacobs en Leonhardt.

Maar inmiddels kan men zich afvragen of de Nederlandse Matthäus-traditie als geheel in stilistisch opzicht niet een te eenvormig karakter heeft gekregen. Dat geldt vooral aan de top: er is nog weinig principieel verschil te ontdekken tussen de puur-authentieke uitvoeringen van de Bachvereniging, het Amsterdam Baroque Orchestra en het Orkest van de Achttiende Eeuw en het niet-authentieke Concertgebouworkest. Het kwam tot een uitwisseling: Frans Brüggen dirigeerde de Johannes Passion bij het Concertgebouworkest èn bij zijn eigen Orkest van de Achttiende Eeuw. En Ton Koopman dirigeerde Bach in Naarden, in Amsterdam èn bij zijn eigen Amsterdam Baroque Orchestra.

Nu in dit jubileumjaar het Concertgebouworkest de Nederlandse Bachvereniging heeft gevraagd de Amsterdamse Matthäus uit te voeren, lijkt de oude stijloorlog tussen Amsterdam en Naarden definitief beslecht. En daarom is er weer alle reden voor nieuwe initiatieven om een eind te maken aan de toenemende eenvormigheid op dit gebied. De barokspecialisten zijn aan de macht, afgezet zijn de grote dirigenten in het brede klassiek-romantische repertoire. Bernard Haitink heeft de Matthäus Passion nog nooit gedirigeerd en ook Riccardo Chailly liet bij zijn aantreden in Amsterdam weten zó op te zien tegen Bach, dat hij het dirigeren daarvan wil uitstellen tot de nadagen van zijn dirigentencarrière.

Er is alle reden om te wensen alsnog tenminste één Matthäus Passion van Bernard Haitink te horen, zodat we weten wat we hebben gemist. En dan geen Matthäus waarin hij de verworvenheden van de 'authentieke' richting probeert te volgen, maar gewoon een Matthäus zoals Haitink zelf vindt dat die moet klinken. En ook op Chailly rust een historische plicht om na bijna een eeuw Bach-traditie bij het Concertgebouworkest zich als chef-dirigent ook in dit stuk te laten horen. Het kan toch niet zo zijn dat de belangrijkste musici niet capabel zijn zich te bemoeien met de muziek van de grootste componist: Johann Sebastian Bach?