Voor Bach was parodiëren dagelijks werk; Jos van Veldhoven over de reconstructie van de Markus Passion

Drie passies schreef Bach: de Johannes-, de Matthäus- en de Markus Passion. De Nederlandse Bachvereniging voert ze de komende weken alle drie uit ter gelegenheid van haar 75-jarig bestaan. Van de Markus Passion is geen partituur bewaard gebleven. Artistiek leider Jos van Veldhoven maakte een nieuwe reconstructie. “Over wat van Bach is en wat niet, kan geen misverstand bestaan.”

Nederlandse Bachvereniging o.l.v. Jos van Veldhoven. Markus Passion (reconstructie Van Veldhoven): 2/3, Grote kerk Naarden; 3/3 Westerkerk, Amsterdam; 4/3 Vredenburg Utrecht. Radio-uitzending: 16 en 23/3, 9.30u. NCRV-radio 5; 26/3, 11 u. NCRV-Radio 4. Johannes Passion: 12/3 Laurenskerk Rotterdam; 13/3 Vredenburg Utrecht; 15/3 Muziekcentrum Enschede. Matthäus Passion: 21 t/m 29/3 in diverse steden. info: 030-2513413. Markus Passion (reconstructie Heighes) door het European Union Baroque Orchestra o.l.v. Roy Goodman: CD Musica Oscura 070970.

De bewijsstukken zijn uiterst schaars: in 1732 publiceert Christian Friedrich Henrici onder het pseudoniem Picander in een dichtbundel zijn Texte zur Passions-Music nach dem Evangelisten Marco am CharFreytage 1731. De beginregel luidt: 'Geh, Jesu, geh zu deiner Pein!' Een componist wordt niet genoemd. In 1754 wordt in de Necrolog auf Johann Sebastian Bach, waarvan Bachs zoon Carl Philipp Emanuel mede-auteur is, gewezen op het bestaan van een Markus Passion. Tien jaar later ten slotte wordt in een catalogus van muziekuitgever Breitkopf melding gemaakt van een Passions-Cantate secundum Marcum. Geh, Jesu, geh zu deiner Pein. De componist van de passie wordt niet bij naam genoemd, maar dat het om Picanders tekst handelt is nagenoeg zeker want de beginregel is identiek. De catalogus bewijst dat de tekst van Picander op muziek is gezet; bovendien komt de orkestbezetting die in de catalogus wordt vermeld overeen met de later uit reconstructie verkregen instrumentatie.

Voor de Bach-vorsers vormt dit handjevol aanwijzingen voldoende bewijs voor de opvatting dat Johann Sebastian Bach, na de Johannes- (1724) en de Matthäus Passion (ca. 1729), ook nog een Markus Passion heeft gecomponeerd (de Lukas Passion die lange tijd aan Bach werd toegeschreven is intussen ontmaskerd als een werk van een anonieme tijdgenoot). Op Goede Vrijdag 23 maart 1731 moet de Markus Passion voor solisten, koor en orkest in de Thomaskirche te Leipzig hebben geklonken. Picander was immers een vaste tekstschrijver van Bach, die ook de Matthäus Passion van een libretto had voorzien. Zijn Texte naar het evangelie van Marcus publiceerde hij in Leipzig, de plaats waar Bach cantor was, een functie die onder meer inhield dat hij passiemuzieken moest componeren en uitvoeren.

Hóe de Markus Passion heeft geklonken, daarover verschillen de Bach-vorsers van mening, want zowel de partituur als de afschriften zijn verloren gegaan. Sinds de vorige eeuw worden daarom regelmatig voorstellen gedaan tot reconstructie. Over de bezetting is men het min of meer eens. Deze is met houtblazers, strijkers, en toetsen voor de continuo-partijen identiek aan die van de Johannes Passion, alleen voegde Bach bij de Markus nog twee luiten en twee gamba's toe. Evenals in de Johannes- komen in de Markus Passion aria's, koorgedeelten en korte instrumentale tussenspelen voor. Ook de lengte zal vergelijkbaar geweest zijn met de Johannes Passion: zo'n kleine honderd minuten muziek. Punt van discussie is welke muziek van Bach de teksten van Picander heeft verrijkt.

De meest recente reconstructie is van Jos van Veldhoven, de 44-jarige chefdirigent en artistiek leider van de Nederlandse Bachvereniging. Zijn versie wordt begin maart drie maal uitgevoerd, als onderdeel van het passie-drieluik waarmee de Nederlandse Bachvereniging haar 75-jarig bestaan viert.

“Mijn werkwijze is vergelijkbaar met de restauratie van een Griekse vaas waarvan slechts een aantal scherven bewaard is gebleven”, zegt Van Veldhoven. “Je hoort brokstukken van Bach, met een enigszins verschillend percentage van waarschijnlijkheid. Omdat de luisteraar deze op de juiste plaats hoort, kan hij zich een idee vormen van de afmetingen, de structuur en de verhoudingen van de Markus Passion. De brokstukken Bach heb ik aangevuld met muziek uit een heel andere stilistische bron: a cappella-muziekstukken uit de sobere Markus Passion van Marco Gioseppe Peranda (1625-1675). Over wat van Bach is en wat niet, kan geen misverstand bestaan.”

Trauer-Ode

Aan de Markus Passion liggen, evenals aan bijvoorbeeld de Matthäus, eerdere composities van Bach ten grondslag. Hergebruik van muziek, het zogeheten parodiëren, was voor Bach dagelijks werk. Door de bewonderaars van het Genie Bach wordt dat vaak als ontluisterend ervaren, voor de onderzoeker naar verloren werken van Bach vormt diens bewaard gebleven compositorische corpus het enige houvast voor een klinkende reconstructie. Voor de Markus Passion is de basis de Trauer-Ode die Bach in 1727 schreef bij de dood van koningin Christiane Eberhardine van Polen. Tussen de tekst van de Trauer-Ode en die van de Markus Passion bestaan onmogelijk te negeren overeenkomsten in metrische structuur en rijmschema. Minstens twee koren en drie aria's moeten daarom dezelfde muziek hebben gehad. Andere koren uit de Markus Passion vertonen sterke verwantschap met delen uit het Weihnachtsoratorium. Naar de rest is het gissen. Vooral de recitatieven (de verhalende spraakgezangen) en de turbae (mensengroepen die door het koor muzikaal worden uitgebeeld) vormen een probleem. Deze zijn veelal zo uniek dat zij nauwelijks te distilleren zijn uit andere composities.

De reconstructies die intussen in omloop zijn, verschillen dan ook vooral op dit laatste punt. Diethard Hellmann liet voor de verhaallijn evangelieteksten lezen, Hans-Josef Irmen gebruikte recitatieven uit andere werken van Bach, Gustav Adolf Theill componeerde ze in arren moede maar zelf. De reconstructie van Simon Heighes, waarvan onlangs een cd-opname is verschenen, leunt zwaar op de Markus Passion van Reinhard Keiser, een tijdgenoot van Bach. Geen van deze werkwijzen kon Van Veldhoven bevredigen. “Mijn reconstructie is niet meer dan het woord zegt: een gedeeltelijke herbouw. Het zal tijdens de hele uitvoering voelbaar blijven dat de partituur is verdwenen. Dat is een principiële keuze. Want nog afgezien van allerlei detailkritiek, vind ik dat het type reconstructie waarbij materiaal is gebruikt dat stilistisch dicht bij Bach staat, zoals de muziek van Keiser, te sterk suggereert dat de luisteraar een authentieke Markus Passion hoort.

“Wat de muziek van Bach betreft heb ik slechts een paar vondsten gedaan; zo is het slotkoor van het eerste deel en een van de aria's volgens mij nooit eerder gereconstrueerd. In vier van de zestien koralen heb ik een eigen keuze gemaakt, waarmee ik enigszins afwijk van de voorstellen van Hellmann. Voor de overige volg ik de intussen gegroeide conventie. De authenticiteit van de stukken die teruggaan op de Trauer-Ode wordt door niemand meer betwist. En dit zijn gelukkig voor een deel ook de sleutelcomposities, zoals het openingskoor en het slotkoor van het tweede deel. Ik durf te wedden dat de muziek van Bach hier ook werkelijk uit zijn verloren passie stamt.”

Eenstemmig

“De muziek van de Trauer-Ode is via een autograaf bewaard gebleven, en is dus zeker van Bach. Deze heeft een heel opvallend moment waar het koor geheel eenstemmig zingt, een schrijfwijze die Bach maar zelden hanteerde. In de Trauer-Ode worden daar de deugden van Christiane Eberhardine bezongen. Om deze te accentueren zette Bach ze unisono. In de Markus Passion komt die eenstemmige passage precies op de plaats waar een citaat voorkomt van het grafschrift van Jezus: 'Mein Leben kömmt aus deinem Tod'. Dat is een structureel argument om te vermoeden dat de beide composities redelijk identiek moeten zijn geweest. Zo'n passage is des te belangrijker omdat ze wijst op een actieve samenwerking tussen Bach en zijn tekstdichter Picander. Er zijn aanwijzingen dat Bach de hand van Picander stevig heeft vastgehouden bij het schrijven van zijn teksten. Want je kunt je nauwelijks voorstellen dat een librettist die de muziek niet kent, eenzelfde tekstformule zou hebben geleverd. Maar de grote lijn, het dramatisch verloop, de scène-indelingen - al die aspecten zul je in een reconstructie blijven missen. Daarvoor is de hand van Bach onontbeerlijk.

“Als 'restauratiemateriaal' heb ik stukken genomen uit de Markus Passion van Peranda, een Italiaanse componist die in Duitsland werkte en van wie Bach muziek bezat. De keuze was beperkt omdat het restauratiemateriaal aan enkele voorwaarden moest voldoen: het moest Duitstalig zijn, het diende hetzelfde deel van het evangelie als onderwerp te hebben en moest bovendien ouder zijn dan Bach om het stilistisch onderscheid te benadrukken. Peranda's passie is alleen gezet voor koor en solostemmen, zodat ook in dat opzicht het verschil met Bach onmiskenbaar is: alle instrumentaal begeleide gedeelten zijn van Bach. Ik doe Peranda op deze manier natuurlijk geweld aan, maar uiteindelijk klinkt zijn passie toch tamelijk compleet. Slechts vier van zijn koortjes sneuvelden, omdat op die plaatsen Bachs origineel positief kon worden geïdentificeerd. Doordat alle koralen, openings- en slotkoren vrije toevoegingen aan de bijbeltekst zijn van Bach en Picander, en dus niet letterlijk zijn ontleend aan het evangelie, kunnen de stukken van Peranda en Bach in mijn reconstructie goeddeels naast elkaar bestaan.

“Peranda's passie opent op een typisch zeventiende-eeuwse manier met een soort titelbladzijde. Het eerst koor in het handschrift van Peranda zingt: 'Luistert nu naar de passie van de evangelist Marcus'. Dat heb ik, voorafgaande aan het openingskoor van Bach, laten staan als eerbetoon aan Peranda.”