Serialisme

In zijn artikel over het serialisme (CS 14-2) verbaast Rob Zuidam zich over 'het mank gaan van de theorie en de soms hoge kwaliteit van de stukken die deze opleverde'. Het omgekeerde is niet minder paradoxaal: geen sluitende theorie garandeert dat een kunstwerk ook decennia later nog als zinvol zal worden ervaren.

Toepassing van de contrapuntregels volgens Palestrina of Bach betekent nog geen artistieke resultaten. Het serialisme is organisatie volgens van tevoren vastgelegde reeksen, niet alleen in toonhoogte, maar ook van sterktegraad, toonduur en klankkleur en er zijn nog meer parameters mogelijk. Helaas droeg dit niet bij tot grotere afwisseling, het maximum aan variatie sloeg om in het tegendeel.

Hoe paradoxaal is het toeval in deze? Stel: ik componeer met een twaalftoonsreeks en acht sterktegraden in een specifieke volgorde: 12 x 8 = 96, na 96 noten herhaalt zich de combinatie van relatieve toonhoogte en klanksterkte. Ik leg nu bovendien een reeks vast van tien klankleuren: herhaling na 960 noten. Twintig toonduren: herhaling na 19.200 noten. Ik organiseer zes speelwijzen van legato tot staccato: 115.200 noten. Per klankkleur hanteer ik vijf octaven, dan kom ik uit op... Maar voor de cirkel zich sluit, is het allang welletjes geweest. De seriële uitwerking van een partituur mag dan heel rationeel beginnen, waar die stopt blijft toevallig. John Cage bereikte aleatorisch (door toevalsmanipulatie) een reslutaat dat kenners niet wisten te onderscheiden van een doorwrochte seriële compositie. Een raadsel? Ook I Tjing is bij voorbaat gedetermineerd een keert tot zijn oorsprong terug. Trouwens, 'georganiseerd toeval' is een gotspe waar je John Cage voor moet heten.