Roman van Andreas Burnier; Eeuwig pril op de preekstoel

Andreas Burnier: De wereld is van glas. Meulenhoff, 240 blz. ƒ 37,90

Andreas Burnier noemt haar nieuwe boek een roman, maar De wereld is van glas heeft ook iets van de 'spirituele biografie' waarover zij tegen het eind speculeert: een verzameling beelden, gesitueerd in een mystiek eeuwig 'nu', die van haar levenslange queeste naar waarheid en verlossing een indruk moet geven. Misschien is zij met dat doel voor ogen ook begonnen, totdat zich onder haar pen drie personages vormden, drie alterego's, die de eenheid van de oorspronkelijke opzet doorkruisten.

Het resultaat pakt uitermate hybridisch uit. Burnier vertelt bij stukjes en beetjes over het leven van haar personages, en zij neemt geregeld zelf het woord in brieven aan een 'unknown Rabbi', waarin commentaar wordt geleverd op het vertelde. En waarin autobiografische ontboezemingen zijn opgenomen, evenals een droom, twee verhalen en diverse andere uitweidingen.

In zekere zin is deze vorm een logische stap in de ontwikkeling van haar werk. De literaire fictie heeft bij haar steeds meer het veld moeten ruimen voor het polemische en getuigende essay. Burnier is immers niet alleen een naarstig zoeker naar het heil, zij weet het ook vaak te vinden en wenst dat niet voor de wereld te verbergen. In het verleden heeft zij onderdak gevonden bij de antroposofie, het boeddhisme, het platonisme, de esoterie - en dan noem ik nog maar enkele van de tradities waaruit zij in boeken als De droom der rede (1982) en De rondgang der gevangenen (1987) een nogal eclectisch alternatief tracht te formuleren voor de eenzijdigheid van het heersende rationalisme.

Uit De wereld is van glas kan men afleiden dat zij nu in het jodendom, of preciezer: in de mystiek van de kabbala, haar definitieve plek meent te hebben gevonden. Zelfs haar bezwaren tegen de 'duistere, uiterst grievende discriminatie van mensen met een vrouwelijk lichaam bij het verrichten van cultische handelingen' (zoals het in een van de teksten in Essays 1968-1985 nog heette) heeft zij ervoor opzij gezet. In de nieuwe roman komen die bezwaren wel ter sprake, maar het gevoel van thuiskomst na jaren van spirituele omzwervingen was blijkbaar sterker. Uit alles, van de vele joodse termen en begrippen tot de letterlijke acceptatie van de joden als het uitverkoren volk, spreekt de geestdrift van de prille bekeerling.

Op de welwillendheid van de niet-bekeerde lezer doet zoiets een zwaar beroep. Het valt niet mee deze roman louter op zijn literaire merites te beoordelen, omdat getuigenis en fictie erin zo nauw met elkaar verweven zijn. Ook wanneer zij evident iets verzint, zie je haar in gedachten niet zozeer aan de schrijftafel zitten als wel op de preekstoel staan. Daarin verschilt haar roman van bijvoorbeeld Harry Mulisch' De ontdekking van de hemel, waaraan De wereld is van glas in sommige opzichten doet denken. Bij Mulisch daalt een engel met een opdracht naar de aarde af, bij Burnier een rechtvaardige, een tsaddiek, die als vertaler gaat werken bij een griezelige firma in soft ware.

Maar waar Mulisch zijn fantasie onbekrompen de vrijheid laat en zo een betoverende historie in werking zet, waarvan het moralisme zich niet naar de voorgrond dringt, vergeet Burnier geen moment dat zij de mensheid iets te leren heeft. Leren, dat is ook wat zij zelf wil in haar brieven aan die mysterieuze Rabbi. Van hem wil zij weten 'waarom ik nog zo vastzit aan mijn woede over alle grofheid, de moedwillige lelijkheid, de kwaadaardigheid en het onschuldige, daaruit voortkomende lijden in deze wereld'.

Van die woede krijgt men via de drie hoofdpersonen maar ook rechtstreeks, bij monde van Burnier zelf, het nodige te verwerken. Alle bezwaren tegen de moderne tijd, bekend uit haar vorige werk, keren terug in de opvattingen van vader David Reiser, moeder Hester Bothen en hun zoon Gideon, die na de scheiding van zijn ouders door Hester als Guido Blink is grootgebracht, onwetend van zijn joodse afkomst, omdat zijn moeder hem met het oog op een eventuele nieuwe vervolging de ellende van de joodse identiteit wilde besparen. Tot in de details heeft Burnier haar particuliere ergernissen ondergebracht bij haar personages.

Zo ziet David, een oudere classicus in ruste, overal om zich heen slechts 'lelijkheid, domheid, agressie, destructie', ongeacht of het nu gaat om het onderwijs of om de strippenkaart. Hester denkt met afschuw terug aan haar echtelijke plichten ('Waarom moest zij dat malle uitsteeksel dat mannen aan hun lichaam dragen in haar lichaam laten binnendringen?') en zij richt haar 'nostalgische woede' nog dagelijks op de Duitse bezetting die zij als onderduikster ternauwernood overleefde. Gideon voelt zich bij Soft Control 'een robot in een kwaadaardige, gedegenereerde, gemechaniseerde wereld' en hij bekent, ongetwijfeld met gretige instemming van de schrijfster: 'Alles wat medische techniek werd genoemd, kwam mij van jongs afaan afstotend voor.'

Tussen Burnier en haar personages lijkt nauwelijks enige afstand te bestaan. Bij alter ego's is dat niet verwonderlijk, maar het smoort wel hun literaire levensvatbaarheid in de kiem; de kans om iets meer te worden dan exemplarische marionetten wordt hun bij voorbaat ontnomen. Dat is jammer, omdat juist de fictie een geschikt middel zou zijn geweest om wat ruimte te scheppen in het benauwde manicheïsme van Burniers wereldbeeld. Nu brengt de verbeelding niet veel meer dan een botte bevestiging daarvan, getuige ook de voorspelbare beschrijving van de anonieme bedrijfscultuur bij Soft Control, waar onder leiding van een 'germanoïde bierbult' de voorbereidingen worden getroffen voor een brave new world-achtige toekomst - precies zoals reeds geschetst door Burnier in het titel-essay van haar bundel De achtste scheppingsdag uit 1990.

Slechts op één moment mag de fantasie iets meer doen en sluipt er even enige spanning in het verhaal: wanneer de schrijfster en haar personages langs wonderbaarlijke weg door de kabbalistische Rabbi bijeen worden gebracht in 'Huize Nebo'. Maar dat moment blijkt toch vooral bedoeld om de moraal van de roman te vertolken, zoals de zeer symbolische naam van het huis (ontleend aan de berg waarop de stervende Mozes het beloofde land mocht aanschouwen) al doet vermoeden. En dan verdwijnt de vreugde weer, want erg opzienbarend kan die moraal onmogelijk worden genoemd.

Het komt erop neer dat men, om werkelijk een tegenwicht te kunnen bieden aan het kwaad in de wereld, zich niet op dat kwaad moet blindstaren. Burnier heeft die goede raad ter harte genomen, door zich - in weerwil van alle discriminatie - kritiekloos op het jodendom te storten. Zo hebben de 'scherven' van haar gekwelde leven zich weer aaneengevoegd tot een transparant 'glazen huis', dat op de laatste bladzijde zelfs zicht biedt op de 'onbenoembare' God, zij het slechts in de gedaante van een 'eeuwig wijkend verdwijnpunt'.

De hoofdpersonen, die op hun manier eveneens met 'scherven' te kampen hebben (of - in Gideons geval - met het ondoorzichtige glas van de moderne 'kantoorbunkers'), vinden hun bestemming in Californië, dat door Burnier al in De rondgang der gevangenen was aangeprezen als een spirituele goudmijn.

Het heil, in de vorm van een bevredigend sterfbed, is daar echter alleen voor moeder Hester weggelegd - als beloning, ben je geneigd te denken, voor haar aandeel in de strijd tegen de 'euthanazi-praktijken', waar ook Burnier met niet aflatende ijver tegen tekeer gaat. Wie daarentegen, zoals David, blijft vasthouden aan de niet-joodse cultuur sterft roemloos aan een hartaanval, terwijl hij vergeefs een deeltje Schopenhauer uit de kast probeert te trekken. Gideon, die zich tegen zijn hemelse opdracht in heeft willen aanpassen aan de moderne robotwereld, wordt gestraft doordat hij al op zijn negenentwintigste ('gebroken naar lichaam en geest') aan zijn eind komt.

Tot in de ontknoping blijft opzichtig merkbaar wie in deze roman de touwtjes in handen heeft. Niet door de meesterlijke vertelkunst van Andreas Burnier (terecht bekent zij ergens geen 'verteller' te zijn), maar door haar kennelijke onvermogen of onwil om ook maar een haarbreed van het eigen gelijk af te wijken. Om dat ten volle te kunnen waarderen moet je het wel heel hartgrondig met de schrijfster eens zijn.

Uit: Andreas Burnier: De wereld is van glas

Mijn geschiedenis bestaat niet alleen uit een zuigende stilte. Zij bestaat ook uit scherven. Het glazen huis van mijn leven werd voortdurend aangevallen door natuurkrachten, door mensen, door moffen, door stenen die vanuit de kosmos kwamen aangesuisd, het glas verbrijzelden, mij verwondden. Als door een wonder stond ik steeds weer op. Ik zag de ravage om mij heen, ik trok de scherven en glassplinters, rood van bloed, uit mijn lichaam. Ik veegde de donker doorzichtige scherven op die rondom lagen. Ik sliep en slaapwandelde enige tijd in een onbeschutte ruimte, op een kaal stuk zwarte grond onder de blote hemel, totdat ik mij had hersteld. Dan bouwde ik een volgend glazen huis.