Rapport: lerarenopleiding schiet tekort, verbetering hoognodig

ROTTERDAM, 28 FEBR. De opleiding voor tweedegraadsleraren op middelbare scholen moet worden verbeterd op punten als stagebegeleiding, nascholing en de aandacht voor nieuwe vormen van leren. Leraren moeten een hogere status krijgen en lerarenopleidingen moeten meer gebruik maken van communicatie- en informatietechnologie. Voorwaarde is wel dat minister Ritzen (Onderwijs) onderwijsinstellingen daartoe financieel de mogelijkheid biedt.

Die conclusies trekt een visitatiecommissie die op tien hogescholen in totaal 254 opleidingen heeft onderzocht. Tweedegraadsleraren staan voor de eerste, tweede en derde klas Havo en VWO, en geven verder les op de Mavo, het voorbereidend beroepsonderwijs (VBO) en het middelbaar beroepsonderwijs (MBO). De commissie heeft vandaag op de Tilburgse Middelbare Horecaschool haar verslag overhandigd aan A. van der Hek, voorzitter van de HBO-raad, de overkoepelende organisatie van hogescholen.

Op de opleidingen tot leraar exacte vakken, zoals natuurkunde en wiskunde, komen weinig studenten af. Groepen met minder dan tien studenten zijn gewoon. Ook voor talen en economie melden zich de laatste jaren minder aspirant-leraren aan.

Voorzitter van de visitatiecommissie, N. Ginjaar-Maas, was van 1982 tot 1989 staatssecretaris van Onderwijs (VVD). Ze noemt de dalende belangstelling voor het vak van leraar “een buitengewoon zorgelijk probleem”. Ginjaar: “Alles in het onderwijs moet wel door de leraren worden uitgevoerd.”

Belangrijk probleem is de geringe werkgelegenheid voor jonge leraren. De visitatiecommissie stelt vast dat beginnende leraren met moeite een vaste baan vinden. Ze beginnen vaak met enkele losse uren op verschillende scholen. “Het is een uitzondering als een pas afgestudeerde leraar in een volle betrekking kan beginnnen”, aldus de commissie. Ginjaar vindt dat de rijksoverheid deze jongeren meer perspectief moet bieden op een baan. “Ik besef hoe moeilijk dat is, want er is ook het probleem van de wachtgelden van de oudere leraren. Maar nu krijgen de jongeren zodra ze zijn afgestudeerd de kous op de kop. Het is bovendien een tijdelijk probleem dat om overbruggingsmaatregelen vraagt. Want we weten nu al dat we straks te kampen krijgen met tekorten aan leraren.”

De commissie geeft de hogescholen tientallen aanbevelingen om de lerarenopleidingen te verbeteren. Die vernieuwing wordt bemoeilijkt door de enorme werkdruk van het personeel, zo stelt de commissie vast. Minder studenten en opeenvolgende bezuinigingen hebben ertoe geleid dat de onderwijsinstellingen zich noodgedwongen beperken tot het onderwijs, zo goed en zo kwaad als dat gaat. Er is tijd, geld noch mankracht om te werken aan de vernieuwing van de lerarenopleidingen.

Jonge leraren krijgen te maken met tal van nieuwe ontwikkelingen. Zo zullen scholieren na de basisvorming veel zelfstandiger moeten werken in het 'studiehuis'. De leraren moeten daaraan leiding geven. Ginjaar: “Het is een groot misverstand te denken dat het zelfstandiger werken van studenten, betekent dat er kan worden bezuinigd op de leraren. Zij zullen die jongeren moeten begeleiden bij het 'leren leren'. Het betekent niet dat leraren overbodig zijn geworden, integendeel.”

Met de toestroom van allochtone studenten in de (middel)grote steden krijgen leraren ook te maken. Lerarenopleidingen moeten hiermee rekening houden, vindt de commissie. In de grote steden in de Randstad gebeurt dat al, maar er zijn ook opleidingen die dit aspect verwaarlozen, aldus de commissie.

De status van het lerarenberoep moet omhoog. Lerarenopleidingen moeten niet een soort 'tweede-keus'-onderwijs bieden voor jongeren die nog niet weten wat zij willen. Om zoveel mogelijk studenten te werven en te behouden, neigen sommige opleidingen ertoe vakken als pedagogiek en didactiek wat weg te drukken ten gunste van vakken als natuurkunde of Frans. “Dat is geen goede zaak”, vindt Ginjaar. “Je moet laten zien wat het vak van leraar inhoudt, ook al in het eerste jaar. Wanneer je daarmee wacht, zitten studenten die later tot de ontdekking komen dat het leraarschap niets voor hen is, met een paar verloren jaren.”

Versnelde invoering van informatie- en communicatietechnologie kan soelaas bieden voor lerarenopleidingen met kleine aantallen studenten, die op die manier leraren willen vervangen. Maar de commissie voelt er niets voor als dit leidt tot 'afstandsonderwijs'.

Bijzondere aandacht vergen ook de stages. Scholen zijn weliswaar wettelijk verplicht stagiairs op te nemen, maar het blijkt moeilijk om stageplaatsen te vinden. Sinds de vergoeding aan de scholen voor die stages is vervallen, zit de klad erin. Door de grote werkdruk op de ontvangende scholen laat de begeleiding van stagiairs bovendien nog te wensen over. Dat moet nogal eens gebeuren in verloren uurtjes.

Voordat ze aan haar politieke carrière als Kamerlid en staatssecretaris begon, was Ginjaar dertien jaar lerares scheikunde aan de Rijswijkse Scholengemeenschap. De beroepstrots en het zelfbewustzijn van de huidige leraren spreken haar aan. “De komende vernieuwingen in het onderwijs vereisen professionaliteit. Leraar zijn, het is een creatief beroep.”