Pest beknot vrijheid varkensboeren

De strijd aan het Groene Front krijgt een ander karakter door de problemen van de varkenshouders. Het gaat er ruig aan toe, maar er sluipt ook twijfel in de boerengelederen over deze harde aanpak.

DEN HAAG, 28 FEBR. De varkensboeren worden in de landbouw beschouwd als “de cowboys, de vrije jongens”. “Als je zin had zette je ergens een stal neer. Ze werkten bovendien, anders dan in de akkerbouw en de melkveehouderij, in de vrije markt”, zegt E. Biewinga van het Centrum Landbouw en Milieu. In de jaren zestig vonden boerenzoons die in de bouw werkten of in de voer- en vleesindustrie een bron van neveninkomsten in de varkenshouderij die later vaak zou uitgroeien tot hun hoofdinkomsten. Een paar platen beton op de veelal minieme stukjes grond, snel wat muurtjes opgetrokken en hun kostje was gekocht.

Inmiddels is gisteren in Beers een nieuw geval van varkenspest vastgesteld. Daarmee is het gebied waar een vervoersverbod geldt uitgebreid tot de Duitse grens. Ook in Odiliapeel werd een geval, het achtentwintigste, bekend. Minister Van Aartsen (Landbouw) riep op tot zelfbeheersing en discipline. “Dat zijn de absolute voorwaarden om deze ramp te kunnen bestrijden.”

Bij de thans heersende varkenspest is gebleken dat slechts 10 procent zich hield aan de identificatie- en registratieplicht. Daardoor werd het opsporen van eventueel besmette varkens bemoeilijkt. De plicht was pas in september vorig jaar ingevoerd. “Het duurde langer dan bij de koeien. Dat zegt ook iets over de mentaliteit in de sector”, zegt een landbouwvoorlichter. Minister Van Aartsen gaf ze vorige week onder uit de zak: “De varkenshouderij is dan misschien wel een bijzondere sector, maar dat neemt niet weg dat die zich ook aan de regels te houden heeft.” Het Tweede-Kamerlid S. Huys (PvdA): “We leven niet in een boerenrepubliek.”

Ook vervoerden de varkenshouders - nadat de pest was gesignaleerd - nog vlug even varkens en biggen waardoor de besmetting tot in Italië is doorgedrongen. Zo kon het ook gebeuren dat ze in september 1995 een inval deden in het Buro Heffingen in Assen en daar delen van de mestboekhouding stalen. Deurwaarders die de heffingen en de boetes alsnog kwamen innen, werden van de erven gejaagd. Op massa-bijeenkomsten waarop de boycot van de mestboekhouding werd besproken, moest wel eens de tap dicht uit angst dat de woede niet meer beheersbaar zou zijn, want, zo zeiden de varkenshouders, “We wensen niet te leven met regels die onhaalbaar en onbetaalbaar zijn”.

Hun meest prominente leider is Wien van den Brink, 51 jaar uit Putten op de Veluwe. Hij draagt boven zijn onafscheidelijke pijp vele petten. Hij heeft een varkens- en een akkerbouwbedrijf in Putten, een varkensbedrijf in Drenthe en een melkveehouderij in Flevoland. Hij is ook voorzitter van de militante Nederlandse Vakbond Varkenshouders, die in Assen het voortouw nam, en lid van de partij Gemeentebelangen in Putten. Voor veel varkenshouders is hij de held die stem gaf aan de algemene onvrede. Hij verwierf vooral aanhang toen hij na de watersnoodramp van 1995 eiste dat de getroffen boeren een schadevergoeding kregen van 100 procent en voorop liep bij het bezetten van autowegen.

In december vorig jaar werd hij gekozen tot voorzitter van de vakgroep varkenshouders van de LTO, de federatie van land- en tuinbouworganisaties. Dat is dezelfde organisatie waarvan hij als voorzitter van de Nederlandse Vakbond Varkenshouders eigenlijk niks moest hebben. De secretaris van een van de bij de LTO aangesloten boerenorganisaties: “Hij was ook de man die het identificatie- en registratiesyteem pas aanvaardde toen de pest was uitgebroken. Tevoren had hij het geboycot.”

Met zijn aantreden werd een straatvechter binnengehaald in het wereldje dat tot dan toe bestond uit vrij bezadigde lieden; de laatste resten van het Groene Front. Een woordvoerder van LTO: “De boeren zeiden: we willen bestuurders die duidelijk maken dat er een directere manier van belangenbehartiging moet komen en dat, als het nodig is, de confrontatie niet uit de weg wordt gegaan.”

Met zijn verkiezing en die van de melkveehouder Jan Cees Vogelaar uit Lelystad kwam ook een “gezondmakingsproces” op gang. De secretaris van de gewestelijke landbouworganisatie: “Hij werkt heilzaam doordat hij de discussie op tafel brengt waar men vroeger de voorkeur eraan gaf verstoppertje te spelen.” In de verkiezingen, waaraan overigens maar 38 procent van de leden van de vakgroepen deelnamen, versloegen ze twee gematigder boeren. In het blad Oogst van LTO zei Van den Brink na zijn uitverkiezing: “Hoe hard we worden hangt af van de stijfkoppigheid van Van Aartsen. Maar we zullen eerst onderhandelen en dan pas actievoeren; niet andersom.” In het Agrarisch Dagblad had hij gezegd: “Ik ben ervan overtuigd dat varkenshouders macht hebben. Het is alleen een kwestie van organiseren.”

“Door het ontstaan van vakgroepen in LTO-Nederland is het niet meer duidelijk wie de sterke man is”, aldus de socioloog J. Frouws van de Landbouwuniversiteit Wageningen. “Van den Brink en Vogelaar profiteren daarvan. Vooral Van den Brink wekt de indruk dat hij het bed wel eens even zal opschudden. Daar hebben zijn volgelingen wel oren naar, zeker in een tijd dat ze door strengere milieumaatregelen onder steeds zwaardere druk komen te staan.”

Biewinga van het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM), een instelling die streeft naar een duurzame en geïntegreerde landbouw: “Voordat in 1987 de eerste fase van de mestwetgeving werd ingevoerd waren er nauwelijks grenzen aan de groei. Nadien is het voor varkenshouders moeilijker geworden om te blijven uitbreiden. Langzamerhand is het ook de sector geworden die terwille van het milieu de meeste kosten moet opbrengen.

Vooral Van den Brink valt sterk op doordat hij het mestprobleem tracht te ontkennen. Dat is een volstrekt waanidee. Maar hij weet er veel veehouders mee achter zich te krijgen. Hij wist de slapende onvrede wakker te maken. Maar er gaan nu stemmen op die zeggen dat ze te hard van stapel lopen en dat hun beleid zich uiteindelijk tegen de sector zal keren.''

Volgens Biewinga draagt ook de overheid schuld aan de “verwijdering”. “Door privatisering en bezuinigingen is er gesneden in de landbouwvoorlichting. Terwijl de Kamer instemde met het mineralen-aangiftesysteem, snappen de meeste boeren nog steeds niet het verschil met de bestaande mestboekhouding, want er is nauwelijks meer een ambtenaar die komt luisteren, uitleggen of debatteren. Er is daardoor sprake van een vertrouwenscrisis. De boeren voelen zich in de steek gelaten.”

Voor het imago van de sector zou het optreden van vooral Van den Brink niet goed zijn. Vogelaar, die in vergelijking met Van den Brink een brave jongen is, moet dat hebben begrepen toen hij deze week, toen het LTO-bestuur besloot de leden te adviseren de mestboycot op te geven, zei: “Het gezeik over de stront moet nu maar eens afgelopen zijn. Het gaat ons anders te veel voor de voeten lopen. We moeten nu aan het werk.”

Brabantse boerenvoormannen uit de tijd van het harmoniemodel bekijken het optreden van Van den Brink met “gemengde gevoelens”. “Het pluspunt is dat hij op hardhandige wijze de broodnodige verandering op gang heeft gebracht, maar als bestuurder zal hij op andere onderdelen van het beleid toch wat moeten bijdraaien. Er is meer dan mest en pest alleen.”