Ook Nederlandstalige wegwijzers nodig op de digitale snelweg

De Europese ministers van Onderwijs komen zondag en maandag in Amsterdam bijeen voor informeel overleg, onder meer over de gevolgen van de informatie- en communicatietechnologie voor de opleiding van docenten. Maar opleiding alleen is niet voldoende, vindt Greetje van den Bergh. De overheid zou ook moeten investeren in een informatie-aanbod dat aansluit bij het Nederlandstalige onderwijs.

In de wereld van het onderwijs is een nieuw toverwoord in opmars: informatie- en communicatietechnologie, ICT in het jargon. Wat computerondersteund onderwijs de afgelopen vijftien jaar niet heeft gekund, moeten de nieuwe media wel kunnen.

Nu zal niemand betwisten dat ICT enorme veranderingen teweeg zal brengen in de hele samenleving, en dus ook in het onderwijs. Iedereen zal het er ook mee eens zijn dat de school haar leerlingen op die veranderingen moet voorbereiden. Je hoeft leerlingen overigens niet zozeer te leren hoe ze met de digitale techniek moeten omgaan. Dat kunnen ze doorgaans beter aan hun leerkrachten uitleggen dan andersom. ('Jongens, vandaag gaan we het over computers hebben.' 'Goed meneer, zegt u maar wat u wilt weten.') In dat opzicht moet de actie juist gericht zijn op degenen die nu of straks voor de klas staan: de docenten.

Het is dringend nodig dat leerkrachten worden bijgeschoold. Zij moeten niet alleen de techniek van de nieuwe informatiekanalen in de vingers krijgen, nog belangrijker is dat zij weten welke rol zij in de nieuwe situatie gaan vervullen.

In essentie is die rol straks niet anders dan nu. Een van de belangrijkste onderdelen van het leerproces is en blijft dat leerlingen leren informatie te schiften, gegevens te ordenen en te structureren tot iets dat in onderling verband betekenis krijgt. En om kennis te verwerven moeten zij in staat zijn om de verkregen informatie kritisch te verwerken: om vorm te scheiden van inhoud, zin van onzin, waarheid van onwaarheid.

Wat wel verandert is de manier waarop leraren die rol moeten vervullen. Door de nieuwe informatietechnologie wordt de hoeveelheid gegevens waartoe leerlingen autonoom toegang krijgen immers in principe onafzienbaar. Maar dat niet alleen: de informatie komt ook overal vandaan. De school gaat open voor de wereld. Daar is niets mis mee, want daarvoor leren wij immers?

Maar wat in het enthousiasme over het nieuwe toverwoord vaak over het hoofd lijkt te worden gezien, is dat vrijwel alle informatie op een of andere manier opgesloten ligt in taal. Informatie is taalgebonden, en ook vaak cultuurgebonden. Elk taalgebied en elke cultuur heeft zijn eigen visie op de belangrijkste gebeurtenissen uit de geschiedenis, of de hoogtepunten uit de eigen literatuur. Waardeoordelen over de samenleving en de individuen daarbinnen verschillen per cultuur en per religie.

Ook veel 'technische' invalshoeken voor het aanbieden en ontsluiten van informatie zijn taalgebonden. Elektronische zoekstructuren, trefwoorden, terminologische opslagsystemen worden (mede) bepaald door de taal waarin de informatie via de nieuwe dragers wordt aangeboden. Als het Nederlandse taalgebied te lang wacht, rest ons niet veel anders dan ons aan te passen aan een anderstalig aanbod op de internationale informatiesnelweg.

De Europese Commissie lijkt daar meer oog voor te hebben dan de Nederlandse regering. Want juist om ook de kleinere taalgebieden volwaardig te laten meedoen in de internationale informatiemaatschappij, heeft zij kortgeleden een ondersteuningsprogramma bekendgemaakt ter bevordering van de 'veeltalige informatiemaatschappij'. Het gaat om het zogeheten Multilingual Information Society (MLIS)-programma. Dit moet elk taalgebied zijn eigen toegang tot digitale informatiekanalen bieden, maar wel op basis van internationaal gestandaardiseerde normen en structuren. Taaltechnologie en informatietechnologie ontmoeten elkaar in dit stimuleringsprogramma.

Het is een beetje droevig om te moeten vaststellen dat Nederland vorig jaar een van de weinige dwarsliggers was bij het goedkeuren van het MLIS-programma. De vijftien miljoen ecu die er - Uniebreed - voor beschikbaar werd gesteld, vond de Nederlandse regering oorspronkelijk te veel. Tegenover de honderden miljoenen die men nu beschikbaar zou willen stellen voor een snelle computerisering van het onderwijs, is dat een onbegrijpelijke opstelling. Het is te hopen dat men inmiddels inziet dat er alle reden is om na te gaan hoe Nederland en Vlaanderen samen optimaal van de mogelijkheden van MLIS gebruik kunnen maken.

Verder wordt het hoog tijd dat er een kwalitatief en kwantitatief volwaardig Nederlandstalig aanbod van educatieve en informatieve software op de markt komt. Ook voor dat laatste heeft de overheid tot nu toe weinig aandacht gehad. Het uitgangspunt is kennelijk steeds geweest dat dit een zaak is van de markt. Het is waar dat voorzieningen in de diverse kleinere talen er alleen maar komen als de consument ze eist. Maar de consument kan, zeker in een niet zo groot taalgebied, een handje worden geholpen. Bijvoorbeeld doordat ministers van Onderwijs erop staan dat er voldoende software komt die specifiek gericht is op het eigen onderwijs, op de programma-eisen die in Nederland en Vlaanderen worden gesteld.

Toverwoorden bestaan niet, zelfs niet in de virtuele werkelijkheid. Kennis, het vermogen om daarmee om te gaan en om nieuwe kennis te genereren, komt niet voort uit laptops of andere hardware. Veel belangrijker is welke informatie wij voor en met behulp van de nieuwe media opslaan en toegankelijk maken ten behoeve van ons onderwijs en onze wetenschap. Daar zijn al die miljoenen op dit moment verreweg het hardst voor nodig.