Nieuwe bundel van Leonard Nolens; Een dichter die muziek wil maken

Leonard Nolens: En verdwijn met mate. Querido. 64 blz. ƒ 39,90

'Ik schrijf gedichten sinds ik heb leren schrijven, dus zeg maar van mijn achtste af', zei Leonard Nolens in 1992 in een gesprek met Herman de Coninck. Hij leek het de normaalste zaak van de wereld te vinden. Toch geldt dat niet voor ieder kind, wierp De Coninck tegen. Waarop Nolens toegaf dat in zijn geval nog een ander alfabet een rol moet hebben gespeeld: het notenschrift, ook een vorm van 'zwarte tekens op een wit blad', met een al even wonderlijke werking. Als kleine jongen zag hij 'die bescheiden, zwarte bolletjes' in de 'boeken' die op de vleugel stonden. En hij zag en hoorde hoe ze door een oudere zus gelezen werden en omgetoverd tot muziek, soms begeleid door een zingende vader. 'Noten en letters: ik moet, toen ik op school het alfabet leerde, het gevoel hebben gehad dat ikzelf en de wereld zingbaar werden.'

Over de nog ongeletterde oerwereld van de dichter gaat het in het eerste gedicht van Nolens' nieuwe bundel En verdwijn met mate. 'Ik zat met mijn blokken te spelen', zo begint het. Hij speelde niet zomaar ergens, maar onder de donkere vleugel. 'En het donker hield van mij / en de handen van zus overzweefden mijn donkere leven / met licht.' Lang heeft het verblijf in dit donkere paradijs onder de vleugel niet mogen duren. Iemand of iets heeft toen 'mijn besnaarde hemel door het slijk gesleurd', zo lezen we, waarna de echte wereld zich aandiende, met alle gevoelens van verscheurdheid van dien.

Aan het slot van het uit twee delen bestaande gedicht vinden we de dichter terug in het heden, in een situatie die herinnert aan het blokkenspel onder de vleugel. Hij zit alleen in zijn boshut, opnieuw een bijna baarmoederlijke schuilplek. Maar nu klinkt er geen muziek meer van boven: 'mijn enige buur / is daarboven dat bomen beklimmende tieren / van kettingzagen en waarschuwingskreten diep / in het vriesblauwe hart van de bossen.' En net als vroeger kan hij alleen maar vermoeden wat er boven zijn hoofd gaande is. Al dat boswerkersgezaag is begonnen om hout, dat bedoeld is voor 'het maken van vuur', dat weer bestemd is 'voor de vrouw die ik nooit krijg te zien.' Is die vrouw de Muze? Een oerzus of een oermoeder? Of is het symbolistischer bedoeld: wij bevinden ons nog steeds in Plato's grot en krijgen van het wezen der dingen slechts flauwe afschijnsels te zien en te horen?

Dit openingsgedicht bevat veel van waar het Nolens in zijn poëzie om gaat. Allereerst is er de precoccupatie met geboorte, het verlangen te leven als een pasgeborene die elke dag met een onbeschreven blad begint. En we vinden hier de hechte verknooptheid van poëzie en muziek. Nolens' is een melodieuze dichter, met een voorkeur voor het brede, trage, rustig variërende en uitdijende zingen. Dit is er een mooi voorbeeld van: 'Als wij, de grote mensen, moe zijn / van het praten met elkaar, / als wij moe zijn van het slapen / met elkaar, het wandelen / en handeldrijven met elkaar, / het tafelen en oorlog voeren // met elkaar, als wij zo moe zijn / van elkaar, van het elkaren / van elkaar (...)' Hier neemt de muziek het als het ware vanzelf over van de betekenis, en dat is iets dat Nolens in deze bundel vaker laat gebeuren.

Het lijkt alsof hij na de versobering die intrad met De gedroomde figuur (1986) nu weer meer toegeeft aan zijn zangerige neigingen van daarvoor.

Daarin schuilt ook meteen een probleem, want de muzikale winst gaat bij Nolens ten koste van de scherpte en de precisie. Grote woorden, vage verbanden en hevige romantiek liggen bij hem voortdurend op de loer. Ook in dat opzicht is het openingsgedicht karakteristiek. 'Ik ben in uw huizen geweest. / Ik ben in uw rokken geklommen. / En algauw werd ik wakker in een steen / van samenhorigheid.' Het klinkt mooi, maar uit de context valt niet op te maken van wie die huizen en die rokken zijn, en ook niet of het erg is om in die samenhorigheidssteen te ontwaken.

In het zangerige genre bevat En verdwijn met mate ook enkele simpele liefdesliedjes. 'Huiselij ke aubade' begint zo: 'Nog / en nog / en nog / ben jij mijn liefste. / Dag en nacht en dag / ben jij mijn liefste / tot vervelens toe' - om er drie strofen later ook weer mee te eindigen. Soms zijn ze van de meer troubadourlijke soort. 'En laten wij ons samenleggen / en praten zoals de straten hun dagen verslapen', aan het eind gevolgd door deze variant: 'en laten wij ons samenleggen / en zwijgen zoals de straten 's nachts hun werk doen.' Simpel, sentimenteel en ook pathetisch. Aardig is nog wel dat Nolens het zelf weet en het soms ook met zoveel woorden zegt, maar dat neemt niet weg dat er in deze liedjes verder weinig te beleven valt.

Zijn anekdotische verzen maakt hij soms zo breed dat de rek eruit gaat en er niet meer overblijft dan rustig babbelende poëzie, met titels als 'Dagboekgedichten', 'Particulier', 'Conversatie' en 'Nieuwjaarsbrief'. De afdeling 'Bres' is een poging tot een verhalende reeks, in zes lange delen met lange rijmloze regels. Het beschrijft de tocht van een groep mensen zonder duidelijke afkomst en zonder duidelijk doel. Ze zijn niet al te jong meer, en hun gezondheid laat te wensen over. 'De koortsthermometers in monden en aarzen bemoeilijken / het spreken en het gaan.' Maar ze voelen zich met elkaar verbonden: 'heel onze groep vormt een hechte eenheid van sukkels.' Ze zijn op de vlucht, in oorlogsomstandigheden naar het schijnt, alleen is er geen vijand. 'Wij worden door niemand achtervolgd. Dat is het probleem.' En zo zijn er wel meer tragikomische accenten in dit stuurloos rondzingende eposje, dat misschien wel gelezen moet worden als een portret van die ouders die hun volwassen geworden kinderen op eigen benen zien staan en nu op zoek moeten naar een nieuwe bestemming: 'Wij zijn onze voorhoede kwijt.'

Stuurloos rondzingen, geen einde weten: dat lijkt mij ook het probleem van de dichter die al op zijn achtste geloofde in de zingbaarheid van zichzelf en de wereld. Nolens' gedichten worden weer langer, en dat is geen goed teken. Hij neemt dan zijn toevlucht tot steeds grotere woorden, zoals in deze onmachtige slotregels: 'En zwijgend, zwijgend slaan wij elkaar om de oren / met het stromende gezicht van onze inborst.' Of hij vlucht in woordspel, en vooral de woordspelige paradox: 'Er komt geen eind aan mijn begin' en 'aan mijn eind, ook daar is geen beginnen aan.' Het getuigt van een naïef geloof in betekenissen, misschien wel typisch voor een dichter die muziek wil maken: sla twee betekenistoetsen aan en dan gaan ze vanzelf wel samen klinken.

Nolens zingt beter, vind ik, als hij ergens tegenin moet zingen. De beste reeks in zijn nieuwe bundel is een tiendelig 'Zelfportret van Hugo Claus 65', een heel bijzonder geval van dichterlijke polemiek. Nolens moet niet veel hebben van de luchtigheid, de ironie, de dubbele tong en het gemak van zijn beroemde collega. Hij laat hem in tien hatelijke pastiches een zelfportret geven, maar het akelige en ingewikkelde is dat overal de stem van Nolens meeklinkt - en hij lijkt dat tot zijn ergernis zelf ook te beseffen. Achter de haat gaat ook zelfhaat schuil, Claus 'bezeiken' wordt ook Claus 'bezingen', zodat hier onbedoeld een curieus geval van tweestemmigheid ontstaat, waarnaar hij in zijn eigen werk zo ijverig op zoek is.