Misschien om jaloers op te zijn

Ik leg mijn kaarten op tafel. Van Theodor Fontane (30 december 1819-20 september 1898) heb ik gelezen: Meine Kinderjahre, Effi Briest, Die Poggenpuhls, Mathilde Möhring, en in Nederlandse vertaling een hechte keuze uit de Brieven.

Het is te weinig. Irrungen, Wirrungen, Frau Jenny Treibel, Der Stechlin heb ik verzuimd of vergeten. Dit wat de romans en zes brieven betreft. Ik had ten minste een blik moeten slaan in de reeks Wanderungen durch die Mark Brandenburg. De dikke delen Pruisische oorlogsgeschiedenis zou ik mij niet hebben willen aandoen.

Over Fontane las ik bij Thomas Mann, die van zijn werk hield, en er zo prachtig over schreef dat aanvullende lectuur overbodig leek. Een lezer van niets ben ik geweest. Toch is Fontanes verteltrant voor mij een ideaal geworden: gesprekken soepel, zonder stilistische breuk, ondergebracht in het verhaal dat er door wordt voortgezet, ironisch realisme, afstandelijk medeleven, en de moderne zorg over wie de 'vertelinstantie' is, je piekert er niet over. Jammer dat een roman als Effi Briest nu niet meer geschreven kan worden door een auteur die over zijn vak heeft nagedacht.

Naar eer en geweten: toen ik na elkaar twee biografieën van Theodor Fontane las schaamde ik me omdat ik te weinig van zijn werk kende en schaamde me helemaal niet omdat ik zoveel affiniteit heb met dat werk. Theodor Fontane was niet een genie zoals men zich een genie voorstelt. Heins Ohff (1922), een ervaren krantenredacteur, verhaalt in Theodor Fontane. Leben und Werk de geschiedenis van een man die van zijn pen leefde, er een gezin met vier kinderen van onderhield, soms met erg veel moeite. Een ongelooflijk ijverige en ondernemende man. Hij was opgeleid tot apotheker, had geen geld om een apotheek te kopen, dichtte, besloot journalist te worden, probeerde het in Londen als correspondent, wat mislukte, schreef in Berlijn voor een aartsconservatieve krant alsof hij nog in Londen verbleef, niet erg eerzame journalistiek, had succes met historische reisverslagen en beschouwingen over 'die Mark Brandenburg', werd bekend als toneelcriticus, componeerde dikke boeken over oorlogsgeschiedenis, beleefde in 1870 het avontuur om in Domrémy, het stadje van Jeanne d'Arc, door de Fransen van spionage verdacht, bijna ter dood te worden gebracht (hij schreef er over), en nam als het dagelijkse werk klaar was zijn ganzenveer opnieuw ter hand, om brieven te schrijven, heel briljante. Rijk werd hij er niet van, en zijn vrouw, net als hij kind uit een onzeker gezin, smachtte naar burgerlijke zekerheid en nam hem zijn abrupte beslissingen kwalijk. Ruzies, zenuwinzinkingen. Hun dochter Martha, van wie Fontane veel hield, had de depressiviteit en nervositeit van haar ouders geërfd. Het was geen gelukkig gezin.

Op z'n zesenvijftigste was Fontane in Berlijn een gewaardeerde publicist, zoals er meer waren. Hij besloot zijn leven te veranderen. Eindelijk zou hij romans en novellen schrijven. Het besluit leidde tot een huwelijkscrisis. Een historische roman, blijkbaar veel te lang, mislukte nogal. En pas heel laat schreef hij de Berlijnse en Brandenburgse romans die nu als klassiek worden beschouwd. Er wordt met verbaasde eerbied over gesproken. Maar Fontane was een praktisch man. Hij moest geld verdienen en liet zijn romans in familietijdschriften of kranten verschijnen voor hij ze als boek uitgaf. Met de redacteuren overlegde hij. Hij had een heel aantal plannen en werkte het plan uit dat de redacteuren het beste beviel...

Gauw tevreden was hij niet. Zijn vrouw Emilie had het duidelijkste handschrift van de familie en zij schreef al die boeken voor hem over. Soms verscheidene malen, want hij bewerkte de kopie zo drastisch dat er een nieuwe moest komen. Vier- of vijfmaal heeft Emilie Effi Briest overgeschreven. Dat boek is hem zwaar gevallen. Hij was even in de zeventig, dreigde onder te gaan in depressie, tot zijn arts hem aanraadde iets makkelijks, spontaans te schrijven. Een wijze arts. Fontane begon aan het mooie autobiografische Meine Kinderjahre en maakte Effi Briest af.

Heinz Ohff, blijkens de blurb krantenman van professie, wijst er met nadruk op dat er een naadloze overgang is van Fontanes werk als verslaggever, reisverhalen, recensent naar zijn ouderdomswerk als romancier. Zo'n stelling zal H.J.A. Hofland genoegen doen. Ik heb hem enige malen horen zeggen dat journalistiek de beste voorbereiding is voor de roman; en hij dacht dan, vermoed ik, aan Amerikaanse schrijvers, niet aan Fontane.

Wat is de beste voorbereiding? Heinz Ohff veegt de vloer aan met de estheten die menen dat voor kranten schrijven het jonge talent bederft. Een gemeenplaats vindt hij dat. Hij heeft gelijk. Andere theoretici vinden dat schrijven, in welk genre dan ook, iets voor de vrije tijd is. In reclame zoals Elsschot, in de advocatuur zoals Bordewijk verdien je je brood, en wat je daardoor leert kun je gebruiken voor avonden en weekeinden van genie. Er zit iets in. Het schiet me te binnen dat iemand volgens E. du Perron voor zijn dertigste geen roman kan schrijven. Hij heeft dan te weinig levenservaring. Iedereen heeft gelijk. Ieders ongelijk is aan te tonen.

Theodor Fontane was een rijzige, slanke man met een aangenaam uiterlijk, een helder optreden en een groot talent voor conversatie. Hij was zelfbewust, driftig, nieuwsgierig, tot studie bereid, onvoorstelbaar ijverig, conservatief in zijn liefde voor Pruisische oude adel en zijn halve afwijzing van democratie. Na zijn zeventigste schreef hij de boeken die nu al honderd jaar in leven zijn. Op 20 december 1898 had hij, om half zeven, thuis in Berlijn met zijn dochter gegeten, vroeg haar een glas likeur, ging naar zijn slaapkamer en daar vond zijn dochter hem, aan een hartverlamming comfortabel gestorven. Een moeilijk leven, maar misschien om jaloers op te zijn.