Mijn boeken gaan over vergelding en nog eens vergelding; Gesprek met Renate Dorrestein

Het thema van de Boekenweek, die op 12 maart begint, is dit jaar 'Mijn God'. In het Boekenweekgeschenk van Renate Dorrestein, 'Want dit is mijn lichaam', waant de mens zich zelf een god. “Je kunt nog beter zeggen: 'Ik doe aan SM', dan dat je over je geloof spreekt. Zoiets braafs als geloven ligt slecht in de markt.”

Renate Dorrestein: Want dit is mijn lichaam. Boekenweekgeschenk. Gratis bij aankoop van Nederlandstalige boeken voor ten minste ƒ 19,50 tussen 12 en 22 maart. De boeken van Renate Dorrestein verschijnen bij uitgeverij Contact.

De vloer in de hal is bezaaid met donkere veertjes. De poes heeft een merel gevangen en geeft het dode diertje nog een paar tikken na. Renate Dorrestein (43) vertelt dat het bijna elke dag raak is. Gelukkig is het dit keer geen muis, want die piepen soms nog zo lang. “Ja, het is een lopend buffet daarbuiten”, zegt ze laconiek als ze de merel naar de biobak brengt.

'Daarbuiten', een glooiende tuin aan de rand van het bos, is door een glazen wand gescheiden van de woonkamer in haar Aerdenhoutse huis. Sinds ze hier twee jaar geleden kwam, ontdekte ze het tuinieren. Ze had nooit geweten hoe bevredigend het gewroet in de aarde is. Terwijl we door het raam kijken, wijst ze hoe de tuin er aanvankelijk uitzag: als een begraafplaats, vol naaldbomen.

We nemen plaats op de pastelkleurige Arne Jacobsen-stoelen aan de ronde tafel en ik noem het thema van de Boekenweek - 'Mijn God' - een thema dat de aandacht moet vestigen op 'het religieuze gevoel in de letteren'.

Renate Dorrestein: “Er was geen enkele verplichting om me bij het schrijven van het boekenweekgeschenk aan dit thema te houden. Maar het sprak me aan, omdat ik in God geloof en omdat ik nooit uit mezelf op de gedachte was gekomen een roman te schrijven waarin ik iets doe met mijn godsbeeld.”

In het boek, getiteld Want dit is mijn lichaam, zijn vier van de vijf hoofdpersonen fanatiek bezig met hun lichaam. Er wordt gejogd, getraind, gelijnd, tofoe en tiengranenbrood gegeten, zwavelwater gedronken tegen de haaruitval en als een neus niet helemaal volmaakt is, laat men zich door de plastisch chirurg een nieuwe aanmeten. Dorrestein: “Aan het verhaal ligt het idee ten grondslag dat God niet dood is, maar wij geprobeerd hebben hem te onttronen en zelf zijn plaats in te nemen. Ik spits het toe op de lijfelijkheid, de mens die zich de baas waant over zijn lichaam, en ik haal er de cyberspace bij, het door de mens gecreëerde universum dat een verbetering van het oude moet voorstellen omdat zelfs de beperkingen van tijd en ruimte er zijn opgeheven. Maar je kunt bijvoorbeeld ook denken aan de genetisch gemanipuleerde sojaboon of de stier Herman. Op allerlei gebieden zijn voorbeelden te vinden. Als het opperwezen zo van zijn luister en zijn almacht ontdaan wordt, kun je je afvragen of er nog wel een bestuurd universum overblijft. En een andere vraag is: wat gebeurt er met de mensen als we geen genoegen meer nemen met de grenzen van de menselijkheid, met het niet-weten, het niet-begrijpen. Dat is de theoretische basis onder het verhaal. Maar het boek is geen verhandeling, het is een roman, met mensen, met emoties.”

Het boek veegt de vloer aan met het idee van de 'maakbaarheid', de gedachte dat we het allemaal zelf in de hand hebben. Maar dat idee heeft u zelf ook lang aangehangen. In 'Voor alles een dame' uit 1989 stelde u nog vast: 'Een dame is altijd de architect van haar eigen bestaan en laat zich nooit de troffel uit handen slaan.'

“Een mens komt weleens tot nieuwe inzichten. Ik heb lang gedacht dat je in het eigen leven aan het stuur zit en dat dat nastrevenswaardig is. Maar dat geldt maar tot op zekere hoogte. Als je denkt dat je alles zelf beheerst, ben je slecht geëquipeerd bij levensrampen. Want dan denk je immers dat je die zelf hebt veroorzaakt. Het lijden van een groot verlies is een van de momenten waarop je erachter komt dat je het zelf helemaal niet in de knuisten hebt. Bijvoorbeeld bij het verliezen van je gezondheid.”

Ik informeer naar haar ziekte, het chronisch vermoeidheidssyndroom ME, waar ze sinds zeven jaar aan lijdt. Het veroordeelde haar tot 'het leven van een dweil', zoals ze in 1993 in haar boek Heden ik schreef. Op afgemeten toon zegt ze: “Als je het over de jaren bekijkt, is de vooruitgang enorm te noemen. Ik kan nu zo'n vijf uur per dag actief zijn en ik ben over de meeste allergieën heen, alleen melk en zuivelproducten kan ik nog steeds niet verdragen.” Wat haar vooruitzichten zijn, weet ze niet: “Ik hoop natuurlijk dat het ooit overgaat. De mens is altijd grenzeloos van hoop bevlogen, maar ik stel er geen termijn aan, ik heb afgeleerd vooruit te kijken. Er wordt nu sinds twaalf jaar onderzoek gedaan naar ME en daaruit blijkt dat tien procent er uiteindelijk echt vanaf komt.”

Er is maar één figuur in 'Want dit is mijn lichaam' die zich niet voortdurend om het welzijn van haar lijf bekommert, een gehandicapte vrouw.

“Ja, zij is de enige van het stel die geen reden ziet om zich met haar lichaam te identificeren. Als je een fysieke handicap hebt, of een chronische ziekte, is het lichaam niet meer dan een lastig omhulsel, het behoort niet tot je wezenlijke kenmerken.”

Mariakind

Renate Dorrestein groeide op in een katholiek advocatengezin in Amstelveen. Het katholicisme is ze altijd trouw gebleven: 'Ik ben een Mariakind', zei ze een paar jaar geleden.

“Zoals vrijwel alle katholieke vrouwen van mijn generatie heb ik Maria als tweede naam. Ik ben een bruidje geweest, ik heb gebiecht en ik zat bij de nonnen op school. Nee, ik ga niet vaak meer naar de kerk, maar afgelopen woensdag heb ik wel mijn askruisje gehaald. Ik heb niet veel op met de moderne oecumenische mis waarbij je tegenwoordig zelfs psalmen moet zingen. Ik houd van de rituelen van de katholieke kerk bij de grote gebeurtenissen des levens.”

Toen vorig jaar bekend werd dat de schrijfster Vonne van der Meer zich tot het katholieke geloof bekeerd had, leidde dat tot ongelooflijk felle reacties in de pers.

“Geloof en geloofsbeleving is volgens mij meer privé dan iemands seksleven en dat betekent dat niemand er wat mee te maken heeft. Ik vond het een van die wonderlijke media-verschijnselen dat aan het katholiek worden van één enkele Nederlander een hele revival van de moederkerk werd opgehangen. In werkelijkheid is er helemaal geen sprake van zo'n revival. Er is juist een opleving van allerlei New Age-achtige stromingen waarbij het puur om de persoonlijke ontplooiing gaat, dus niks deemoed, acceptatie en overgave, zoals in de christelijke religie. Je kunt nog beter zeggen: 'Ik doe aan SM', dan dat je over je geloof spreekt. Zoiets braafs als geloven ligt slecht in de markt, dat heeft het geval Vonne van der Meer wel bewezen. Ik merk het ook in mijn omgeving: als het geloof ter sprake komt, kijken de mensen me aan alsof ik knettergek ben, een trol of hobbit uit voorbije tijden.”

Net als haar andere romans staat ook haar laatste boek vol voedsel-metaforen. Het begint al met de titel, die verwijst naar de passage in het Evangelie van Mattheüs waarin Christus het brood breekt en tegen zijn discipelen zegt: 'Neemt, eet, want dit is mijn lichaam'. De vergelijking met dit heilig sacrament dringt zich aan een van de personages op, wanneer hij beseft dat hij met het drinken van het zwavelwater uit een bron in zijn tuin ook het lijkvocht dronk van zijn overleden echtgenote die hij ooit in die tuin begraven had. Eten, drinken en voedsel bereiden staat in haar werk onder meer voor sadisme, destructie en ongelijke machtsverhoudingen.

“De metafoor van het voedsel is zeer veelzijdig. De hele sfeer van het koken, met het snijden, hakken, doorklieven, vermalen, is hevig en bloederig en het appelleert kennelijk aan mijn bloeddorstige kanten. Wat me ook boeit is de ogenschijnlijke onschuld van die handelingen. In Voor alles een dame liet ik een van de personages zeggen: 'Ach commissaris, wij vrouwen bakken en braden en dat is alles'.”

De thematiek van uw boeken heeft u eens omschreven als: 'Kort gezegd de mens op zijn ergst, allerhande manifestaties van het kwaad'.

“Je kunt ook zeggen: het gaat over vergelding en nog eens vergelding. Meestal draait het om personen die de een of andere vorm van gerechtigheid nastreven. In mijn romans zijn vrouwen vaak het slachtoffer, maar ze zijn niet te beroerd om zich te wreken, om het heft in eigen hand te nemen en af te rekenen met hun slachtofferschap. Het patroon is: er wordt hun iets aangedaan en ze slaan terug.”

Ik zeg dat ze dat terugslaan vaak op misdadige wijze doen. Zij antwoordt dat hun niet altijd andere wegen openstaan. Ik vraag of ze, als we naar de werkelijkheid kijken, ook begrip heeft voor de mannen die uit wanhoop, of uit wraak op hun ex-echtgenote, hun eigen kinderen vermoordden: in vijf van de negen gevallen die zich het afgelopen jaar voordeden, waren het gescheiden mannen die hun kinderen om het leven brachten. Ze aarzelt. “Het brengt je fantasie wel op gang moet ik zeggen. Als het schrijven van romans je beroep is, denk je: wat hebben we hier nu? De beginvraag van elke roman is: hoe zit dat? 't Zijn natuurlijk sowieso in meerderheid mannen die moorden plegen, dus zijn er onder hen ook meer kindermoordenaars. Mannen komen blijkbaar makkelijker tot zo'n daad dan vrouwen. Wat mensen met hun kinderen doen en wat ze hun aandoen, vind ik vaak de verbeelding tarten. Je kunt wel zeggen dat die gescheiden mannen zo zielig en eenzaam zijn, maar je kunt ook zeggen: misschien is hun huwelijk wel mislukt doordat het van die eigenheimers zijn. Veel mannen steken nauwelijks tijd en energie in hun relatie of in vriendschappen en dan staan ze ineens met lege handen.”

Ze legt uit dat het dus om persoonlijke redenen is dat alleenstaande mannen er vaak ellendig aan toe zijn. Bij een alleenstaande vrouw zijn het maatschappelijke redenen: “Als vrouw word je maatschappelijk geslaagd gevonden als je een echtgenoot hebt. Dat kun je aan je laars lappen, maar er is toch een zekere druk. De gelukkigste mensen in Nederland zijn gehuwde mannen, daarna volgen alleenstaande vrouwen, dan gehuwde vrouwen en dan alleenstaande mannen. Dat is een raar setje.”

Verkrachting

Nee, zegt ze, ze kan zich niet voorstellen dat ze een roman zonder feministische ideeën zou schrijven. “Dat moment is nog niet aangebroken. Het is zo'n onderdeel van mijn denken.” Ik citeer haar uitspraak over 'het grootste onrecht aller tijden': het feit dat vrouwen en mannen niet hetzelfde soort leven kunnen leiden. Maar voor een man is het toch veel moeilijker een vrouwenleven te leiden dan omgekeerd?

“Ik doelde daarmee heel basaal op de economische ondergeschiktheid van vrouwen - nog steeds verdient een vrouw drie kwartjes waar een man een gulden verdient - en op hun seksuele onvrijheid. Een vrouw loopt bij het verlaten of betreden van haar woning een duizelingwekkend grote kans verkracht te worden. Een op de tien vrouwen overkomt het. 'Buiten' is nog steeds een domein waar wij ons met bonkend hart begeven.” Ze probeert me te overtuigen dat 'een op de tien' werkelijk geen al te hoge schatting is, onderzoek heeft het uitgewezen, en zegt dan: “Ik voel veel voor het schandpaal-idee bij dit soort delicten. Dat een verkrachter veertien dagen in zijn blote kont op het marktplein tentoongesteld wordt en met rotte eieren bekogeld.”

In 'Ontaarde moeders' heeft u een verkrachting heel gedetailleerd, van A tot Z beschreven, bezien uit de positie van het slachtoffer. U bent bij mijn weten de eerste die dat in een roman heeft gedaan.

“Het aantrekkelijke van zo'n scène, zou ik haast zeggen, is de geweldige motoriek. Ik heb me natuurlijk ingeleefd. Je hoeft je alleen maar voor te stellen dat je vrijt terwijl je daar geen zin in hebt. Dat moet je dan verhevigen en de ene figuur machteloos maken. Mijn oogmerk was de eindeloosheid van een verkrachting weer te geven. Daarom heb ik één enkele zin tweeëneenhalve pagina laten duren. Toen ik die scène schreef, zat ik in Amerika. De telefoon ging en een kennis begon een verhaal af te steken, waarop ik riep: 'Not now, I'm in the middle of a rape.' Twintig minuten later werd er op m'n deur gebonst en daar stond die kennis op de stoep: 'Wat is er? Moet ik je helpen?' ”

Uw vorige roman, 'Verborgen gebreken', draait om incest en ook in 'Een sterke man' speelt dat een rol.

“Dramatisch gezien is incest een prachtig gegeven - allerlei raderen grijpen in elkaar, van schuld en schaamte, liefde en walging, verlangen, verplichting, afhankelijkheid. Het gaat om mensen die verstrikt zijn in dilemma's, er is een situatie die niet deugt en die schreeuwt om herstel. Er is al een soort stuwkracht: dit kan en moet en wil zichzelf ontknopen.”

Verborgen gebreken werd deze maand genomineerd voor de Gouden Uil voor fictie. Twee jaar geleden stond Een sterke man op de short-list voor de Libris Literatuurprijs. Dorrestein was er toen zeker van dat ze die prijs niet zou winnen omdat het nog nooit was voorgekomen dat een geheel uit mannen bestaande jury de enige vrouw op de lijst bekroonde. De prijs ging naar Thomas Rosenboom. Ook voor de Gouden Uil geeft ze zichzelf nu weinig kans: “Ook dit keer is er maar één vrouw genomineerd en bestaat de jury weer geheel uit mannen. Dat is toch wonderlijk. Ik krijg die prijs dus niet. Ik vind het natuurlijk leuk om genomineerd te zijn en ik wil niet klagen. Nog maar zo'n tien jaar geleden was het heel normaal dat zes vrouwelijke auteurs samen in één recensie werden besproken. Dat is nu ondenkbaar. Maar aan het prijzen-beleid zou nog wel iets kunnen veranderen. De fictie-toptien wordt al jaren door boeken van vrouwen beheerst, de waardering van het publiek is hoog, maar bij de toekenning van prijzen spelen andere krachten een rol, dat is nog altijd overwegend een mannen-affaire.”

Petemoei

U noemde Hannemieke Stamperius 'mijn literaire petemoei'. Waarom?

“Begin jaren tachtig, toen ik nog journaliste was, interviewde ik haar voor De Tijd. Ik had net mijn roman Buitenstaanders geschreven. Al jaren liep ik met mijn manuscripten te leuren, maar bij Buitenstaanders - dat ook al tweemaal geweigerd was - dacht ik: nee, dit is een goed boek. Ik heb dus al mijn moed bij elkaar geschraapt en haar om haar mening gevraagd. Ze had een ongelooflijk constructief commentaar. Op basis daarvan heb ik Buitenstaanders geheel herschreven en daarna is het meteen uitgegeven. Ik was toen 28.”

Over haar eerste, onuitgegeven manuscripten zegt ze: “Vanaf mijn negentiende heb ik een hele reeks hopeloze boeken afgescheiden. Ik had nogal duffe ideeën over literatuur. Ik dacht dat een roman heel somber en beklemmend moest zijn, met weinig actie. Ik was stilistisch nog niet erg vaardig, maar toch was het minste onderwerp al genoeg om 120 pagina's bij elkaar te tikken.”

“Voordat ik Buitenstaanders schreef, had ik Slaughterhouse-Five van Kurt Vonnegut gelezen, over het bombardement op Dresden, niet het meest lichtzinnige onderwerp ter wereld. Maar tussen de ontroering en het aangegrepen zijn, viel ik met grote regelmaat om van het lachen. Ik dacht: dit is wat ik beoog.”

We praten over het verschil tussen de vijf romans die ze in de jaren tachtig schreef en de zes latere uit de jaren negentig. Haar vroege werk zit vol slapstick en gruwelen, vol bizarre situaties en dwaasheden. Het zijn sprookjesachtige griezelverhalen waarin de realiteit vaak ver te zoeken is. De latere romans staan dichter bij de werkelijkheid en menselijke emoties worden niet meer uit de weg gegaan. Het keerpunt was heel duidelijk Het perpetuum mobile van de liefde (1988), een 'autobiografisch verhaal' waarin ze schrijft over haar zeven jaar jongere zusje dat eveneens schrijfster wilde worden, maar op haar twintigste zelfmoord pleegde door van een dak te springen.

“Het is waar dat ik in mijn vroege romans geen emoties toeliet. Dat had met mijn persoonlijkheid te maken. Ik was in die jaren heel gesloten, ik vertelde nooit over mezelf en ik vond mijn eigen gevoelens behoorlijk weerzinwekkend. Ik was een obstinaat wezentje. Ik zag mezelf als een soort vampier, wie met mij van doen kreeg, liep gevaar. Het had te maken met het feit dat mijn zusje ook schrijfster wilde worden. Toen zij nog leefde heb ik jarenlang vergeefs manuscripten naar uitgevers gezonden en het eerste boek dat ik na haar dood inzond, werd ineens uitgegeven en juichend ontvangen. Daardoor drong zich het idee bij me op dat ik als schrijfster bestond bij de gratie van haar dood.

“In die vroege romans speelt haar zelfmoord in symbolische zin, als onderliggend motief, voortdurend een rol. Maar ik wist er geen raad mee, ik kon het niet in realistische termen beschrijven, dus nam ik mijn toevlucht tot bizarre verhalen, tot een 'gothic-novel'-achtig genre. Je kunt het vergelijken met Mary Shelley die haar boek over het monster van Frankenstein - een uit dode materie geschapen wezen - schreef nadat ze een paar miskramen en een doodgeboren kind had gehad. Ze wilde haar emoties uiten, maar kon die alleen maar in een gefingeerde, metaforische vorm naar buiten brengen. Pas na mijn vierde roman, Een nacht om in te vliegeren, drong het tot me door dat ik altijd bezig was de personages in mijn boeken van rotsen, daken en torens te duwen, maar dat ik ze dan toch niet te pletter liet vallen omdat ik ze vleugels gaf. Ik stond ze dus niet toe om er aan te gaan. Toen besefte ik dat ik de geschiedenis van mijn zusje op de een of andere manier in het harde licht moest zetten, opdat ik er niet steeds weer, onbewust, op terug zou vallen. Daarom schreef ik Het perpetuum mobile van de liefde.”

Ze vertelt dat haar vroege romans haar nog altijd 'heel dierbaar' zijn. Ze heeft nadien 'veel bijgeleerd', maar ze ziet ook wat ze is kwijtgeraakt: “Een soort lef en spontaniteit. Ik durfde alles, ik werd niet gehinderd door overwegingen van mogelijkheid en waarschijnlijkheid. Ja, het zijn wilde boeken, maar ik vind hun excentriciteit toch - charmant is het woord dat je dan moet gebruiken.”

In zijn recensie van 'Verborgen gebreken' verweet Hans Goedkoop u vorig jaar dat u nog altijd niet 'de drempel van de ernst' bent overgestapt.

“Die kritiek vind ik, zeker voor mijn drie laatste boeken, niet meer opgaan. Maar het blijft je achtervolgen: dat is die jolige juf. Nederlandse critici hebben er nu eenmaal moeite mee wanneer op een lichtvoetige toon over ernstige dingen wordt geschreven. Dat wordt hier nog altijd niet helemaal op waarde geschat.”

Pas bij het weggaan valt mijn oog op een verzameling roomse prullaria, uitgestald op de vensterbank. Het blijken allemaal Maria's te zijn, beeldjes, bidprentjes, drie-dimensionele kaarten en kaarsjes in de vorm van de Moeder Gods. Er is een Maria-lampje en ook een flesje 'holy water' uit een Ierse Mariabron. “Iedereen neemt altijd van zijn vakantie een Maria voor me mee. Af en toe ruim ik wat op, maar dan wast het weer aan. Nee, geen andere damesheiligen, alleen Maria's. Toen ik op mijn zesde mijn eerste communie deed, kreeg ik van mijn ouders een Mariabeeldje. Sindsdien heb ik haar verzameld.”