Ik speel dat ik de dichter ben; Peter Verstegen over het vertalen van Rilke

Peter Verstegen vertaalt zowel Engelse, Franse als Duitse gedichten. Onlangs publiceerde hij een vertaling van Rilkes 'Neue Gedichte'. “Duits spreek ik gebrekkig. Maar een vertaler is geen tolk. Een vertaler van Tacitus hoeft ook geen Latijn te spreken.”

Rainer Maria Rilke: Nieuwe gedichten. Het eerste deel. Vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen. Uitg. G.A. van Oorschot, 309 blz. Prijs ƒ 59,- (gebonden) of ƒ 39,- (ingenaaid).

Al op zijn zeventiende las Peter Verstegen (Den Haag, 1938) de poëzie van Rainer Maria Rilke. Hij begreep er niets van. Toch bleven Rilkes ontoegankelijke verzen hem intrigeren. Het waren vooral de Neue Gedichte uit 1907 en 1908 die hem niet loslieten, waaronder beroemde verzen als 'Liebes-Lied', 'Der Panther' en 'Die Gazelle'.

Nu, zovele jaren later, heeft Verstegen het eerste deel van de Neue Gedichte integraal vertaald, volgend jaar zal deel twee verschijnen. Het is niet Verstegens eerste Rilke-vertaling; in 1986 verscheen een kleine bloemlezing uit al het werk van Rilke, Wie nu geen huis heeft, genoemd naar misschien wel het bekendste Duitse vers van deze eeuw, 'Herbsttag', met de veelvuldig geciteerde regels: 'Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr. / Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben'.

“Hoe duister de Neue Gedichte me toentertijd ook voorkwamen”, zegt Verstegen in zijn huis aan een Amsterdamse gracht met blinkend water pal onder het raam, “mijn bewondering was er niet minder om. Als iets moeilijk is te doorgronden, dan denk je meteen: 'Daar moet ik het mijne van weten.' Voor de bloemlezing uit 1986 vertaalde ik alleen de gedichten die ik begreep, die haalbaar waren, want ik dacht de poëzie anders te forceren. Daarbij waren er ook een aantal uit de Neue Gedichte. Maar hiermee creëer je natuurlijk geen eenheid. Ik wilde een integrale vertaling maken, zoals ik dat ook heb gedaan met de Sonnetten van Shakespeare en De bloemen van het kwaad van Charles Baudelaire. Als er al een overeenkomst is tussen deze drie dichters, dan is dat hun klassieke vormvastheid, hun vormschoonheid. Natuurlijk, Baudelaire kun je een pur-sang romanticus noemen, maar in de beheersing van zijn stof is hij wel degelijk een classicist die zich aan prosodische regels hield als rijm, metrum en strenge opbouw.”

Het is uitzonderlijk dat een vertaler uit meerdere talen vertaalt. Verstegen zegt dat hij 'voor het Engels over een redelijk optimale actieve en passieve beheersing beschikt'. “Het Frans is alleen passief adequaat en voor het Duits geldt hetzelfde in sterkere mate. Duits spreek ik gebrekkig. Maar een vertaler is geen tolk. Een vertaler van Tacitus hoeft ook geen Latijn te spreken.”

Wat opvalt bij lezing van de Neue Gedichte in Verstegens vertaling zijn de sobere soepelheid en de poëtische trefzekerheid van het Nederlands. De uitgave is tweetalig, en voorzien van een uitvoerig commentaar per gedicht.

“Het Nederlands mag van mij nooit geforceerd zijn of opgedirkt; mijn houding tegenover het origineel is er een van pijnlijke trouw. Ik wil zo precies mogelijk zijn, met behoud van de poëzie. De natuurlijkheid van het Nederlands mag nooit verloren gaan. Ik haat woordomkeringen terwille van het rijmschema of het metrum. Rijm is voor mij geen handicap, maar een groot goed. Rilke zei: 'Rijm is de godin van de poëzie'. Daar ben ik het mee eens; als een gedicht niet zou rijmen, zou ik het minder spannend vinden om het te vertalen.”

Parafrase

“Het cement van mijn poëzievertalingen”, zegt Verstegen, “is de parafrase om de rijmen te verkrijgen. Je zegt iets met andere woorden dan in het origineel, zonder dat de inhoud wezenlijk verandert. Meestal maak ik tamelijk vlot een eerste versie, daarna ga ik schaven. Kost die eerste versie misschien een uur, het verfijnen is een tijdrovende kwestie. Het schaven doe ik in combinatie met het schrijven van mijn commentaren. Ook raadpleeg ik eerdere vertalingen, in het Nederlands, Engels, Italiaans of Frans. En ik verdiep me in alle bestaande bronnen.

“Vertalen is een vorm van toeëigenen, het gedicht wordt van jou. Het is de zorgvuldigste manier van lezen; voor mij geldt dat ik een gedicht pas echt begrijp als ik het heb vertaald. Elk gedicht heeft betekeniselementen, kernpunten als het ware, die in een vertaling niet gemist mogen worden. Neem bijvoorbeeld Rilkes gedicht 'De panter' ('Der Panther'). Het begin luidt in het Duits: 'Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe / so müd geworden (-)'. Mijn vertaling luidt: 'Zijn blik is van het langsgaan van de stangen / zo moe geworden'. Je kunt niet vertalen: het 'voorbijgaan' van de stangen, want dan mis je de essentie: voor de panter, gevangen in zijn kooi, is het of het de stangen zèlf zijn die langs zijn blikveld gaan. Met 'voorbijgaan' mis je dat aspect. Bovendien: die tralies gaan natuurlijk nooit voorbij, die gaan langs en keren telkens terug. Vertalen is een soort mimicry, het nadoen van een dichter in je eigen taal. Het is te vergelijken met acteren: ik speel dat ik de originele dichter ben.”

Wetenschap

Nog voor Peter Verstegen afgestudeerd was aan de Vertaalopleiding in Amsterdam, opgericht in 1964, werd hij al docent aan dit instituut. Tegen de zin van de docenten veranderde de naam van de opleiding van Instituut voor Vertaalkunde in Instituut voor Vertaalwetenschap. Tegen de veranderde koers heeft hij in zijn proefschrift Vertaalkunde versus vertaalwetenschap uit 1993 heftig verzet aangetekend. Verstegen: “Vertaalwetenschap zegt mij niets. Het gaat om de kunde, waarbij wetenschappelijke discipline vanzelf spreekt. Vertaalwetenschappers houden zich alleen op abstract niveau met vertalen bezig. Vertaalwetenschap maakt geen onderscheid tussen een bewerking en een vertaling; zij gaat slechts uit van de zogeheten strategie van de vertaler. Dat is wel erg mager. Als het de strategie van een vertaler is om een rijmend gedicht niet-rijmend te vertalen, dan mag men daar dus niet negatief over oordelen. Daartegen verzet ik me. Overigens is de theoretische kant niet de hoofdmoot; voor tachtig procent is de opleiding op de praktijk van het vertalen gericht.”

Nog tot het jaar 2000 is Verstegen aan deze opleiding verbonden, dan wordt het instituut wegbezuinigd. Vijf van zijn gewezen studenten zijn inmiddels met de Martinus Nijhoff-prijs voor vertalingen bekroond; een prijs die hij zelf in 1973 kreeg voor zijn vertaling van Bleek vuur (Pale Fire) van Nabokov. Verder vertaalde Verstegen werk van onder andere W.H. Auden, Emily Dickinson, Heinrich Heine, Verlaine en e.e. cummings. Samen met Marko Fondse richtte hij De Tweede Ronde op, een tijdschrift dat voor de helft gevuld is met vertaalde literatuur.

Met de publicatie van de Neue Gedichte deed Rilke (1875-1926) de literaire wereld versteld staan. De gedichten vormden een breuk met de voorafgaande bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder. In Parijs was Rilke onder de indruk geraakt van het werk van de beeldhouwer Rodin en raakte hij met hem bevriend. Rilke bewonderde Rodins wijze van kijken. Dit kijken kwam neer op een intense concentratie om het mysterie te ontdekken 'achter de schijnbare werkelijkheid', achter concrete voorwerpen als een dier, een mens, een kunstwerk. Dit procédé bracht Rilke tot het schrijven van zijn 'Dinggedichte': ogenschijnlijk zakelijke gedichten die de essentie van het geziene voorwerp weergeven. De meeste van de Nieuwe gedichte zijn 'dinggedichten'. Rilke had zich welbewust voorgenomen elke gemoedsuitstorting te voorkomen en een compacte, beeldende versvorm na te streven. Een gedicht als De panter was een van zijn lievelingsgedichten, omdat het zo 'onverbiddelijk' is. Rilke keerde zich af van dichters die 'als zieken de taal gebruiken om volop te klagen'. Hij wilde niet 'oordelen' over een gevoel maar het gevoel 'uitbeelden'; zich niet warm en behaaglijk wentelen in de weemoed van het leven maar dat leven hard, secuur en krachtig uitdrukken.

Kathedraal

De strenge vorm die aan de Neue Gedichte ten grondslag ligt, is voor Peter Verstegen een van de redenen geweest om ze te gaan vertalen. In de commentaren achterin het boek citeert hij weleens, niet helemaal zonder boosaardigheid, een diepzinnig-symbolische of psychologisch-duidende verklaring. Zo zouden de gedichten die het portaal van de kathedraal van Chartres evoceren uiteindelijk gaan over het dichterschap. Daar heeft hij geen boodschap aan. Rilke bedoelde eenvoudigweg wat er staat.

“Ik wil dicht bij de tekst blijven”, zegt Verstegen en hij neemt de in donkerblauw uitgegeven bundel van tafel, slaat die open, bladert. “Ik heb veel plaatsen bezocht waar Rilke is geweest en waarover hij dichtte. Hij had een voorliefde voor Vlaanderen. Een stadje als Veurne bijvoorbeeld; ik ga er dan heen om mijn voordeel ermee te doen. Rilke wilde zelfs Guido Gezelle gaan vertalen.”

Verstegen is gekant tegen het gemakzuchtige aforisme van Robert Frost over vertalen, dat tot vervelens toe wordt aangehaald: 'Poëzie is wat verloren gaat in een vertaling'. “Ik geloof dat er in een gedicht, naarmate het beter is, in een toegewijde vertaling heel veel poëzie overblijft. Sterke poëzie, als die van Rilke, blijft ook in vertaling haar kracht behouden.

“Neem nu het gedicht 'Liefdeslied' ('Liebes-Lied') dat als volgt begint: 'Waarheen richt ik mijn ziel zodat ze niet / de jouwe raakt? En hoe moet ik haar tillen, / over jou heen, om nog iets meer te willen?' De stem die hier spreekt is die van Rilkes vrouw, Clara Westhoff, met wie hij in 1901 trouwde. Nog geen vier maanden na hun huwelijk schreef hij aan een vriend: 'dát huwelijk is goed waarin elk de ander aanstelt tot hoeder van de eigen eenzaamheid'.

“Het dilemma van vrij zijn binnen de huwelijkse staat, is het onderwerp van dit gedicht. Aanvankelijk is er de hulpeloze geliefde, die zo vervuld is van de ander dat ze niet in staat is haar eigen ziel over hem heen te 'tillen' naar andere dingen en dat ze vergeefs afzondering zoekt bij 'iets verlorens in de duisternis', om zich van zijn indringende afwezigheid te ontdoen. Hoe ze ook probeert aan distantie te winnen, dit streven is onmogelijk. Alles namelijk wat buiten hen staat, raakt de snaren van hun ziel terzelfdertijd, als één streek op de viool. Het 'süsses' lied aan het slot is dan het lied dat opklinkt uit die viool, waarin hun beider ziel weerklinkt.

“Dit gedicht is een prachtig voorbeeld van het evenwicht dat Rilke in de Nieuwe gedichten bereikt tussen afstandelijkheid en gevoeligheid. Zonder dat er ook maar één klacht wordt geuit, is het toch een tragisch gedicht. Want het gaat over de onmacht van gelieven om blijvend samen te leven.

“Er is in mijn vertaling een detail waar ik tot op het laatst aan heb gewerkt. Als je bij mij leest 'een van die streken' dan weet de lezer nog niet dat het dragende beeld van het gedicht een viool is. Het Duits geeft 'Bogenstrich'. Ik had eerst 'strijkstokstreken', maar dat klinkt gruwelijk; daarna 'vedelstreken'. Dat is te archaïsch en misstaat in dit sobere gedicht. Nu staat er 'streken' zonder meer en door het enjambement, dat in het Duits ontbreekt, beland je dan heel snel bij de 'snaren'. Zo is meteen duidelijk dat het over een muziekinstrument gaat, zoals in de volgende regel is te lezen. En zo is naar ik hoop niets van de poëtische essentie verloren gegaan.”

UIT: RAINER MARIA RILKE, NIEUWE GEDICHTEN

Liebes-Lied

Wie soll ich meine Seele halten, dass

sie nicht an deine rührt? Wie soll ich sie

hinheben über dich zu andern Dingen?

Ach gerne möcht ich sie bei irgendwas

Verlorenem im Dunkel unterbringen

an einer fremden stillen Stelle, die

nicht weiterschwingt, wenn deine Tiefen schwingen.

Doch alles, was uns anrührt, dich und mich

nimmt uns zusammen wie ein Bogenstrich

der aus zwei Saiten eine Stimme zieht.

Auf welches Instrument sind wir gespannt?

Und welcher Geiger hat uns in der Hand?

O süsses Lied.

Liefdeslied

Waarheen richt ik mijn ziel zodat ze niet

de jouwe raakt? En hoe moet ik haar tillen

over jou heen, om nog iets meer te willen?

Was 't maar vergund dat ik een plaats haar bied

bij iets verlorens in de duisternis

een plek die stil en vreemd gebleven is

en die niet meetrilt als jouw diepten trillen.

Toch brengt al wat ons aanraakt, jou en mij

ons tot elkander als een van die streken

die uit twee snaren maar een stem doen spreken.

Op wat voor instrument zijn wij gespannen?

En welke violist houdt ons in handen?

O lied zo blij.